id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.18 Rolnummer: F.18.0163.N Zaak: BELGISCHE STAAT FINANCIËN c. PAROCHIAAL CENTRUM DE CR Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-06-21 Raadplegingen: 697 - laatst gezien 2026-06-16 12:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Er is sprake van één prestatie wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht ten behoeve van de als modaal beschouwde consument, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één economische, niet te splitsen, prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen; er is eveneens sprake van één prestatie wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Samengestelde handelingen - Kwalificatie als één prestatie - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 18, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 Een dienst moet als bijkomend bij een hoofddienst worden beschouwd wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Samengestelde handelingen - Kwalificatie als één prestatie - Bijkomende dienst - Begrip Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de toegevoegde waarde - 03-07-1969 - Art. 18, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Tekst van de beslissing Nr. F.18.0163.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de centrumdirecteur van het centrum KMO Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen PAROCHIAAL CENTRUM DE CRAEYE vzw, met zetel te 8980 Zonnebeke, Rozestraat 25, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 5 juni
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 7 december 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat: - wanneer een handeling uit een serie elementen en handelingen bestaat, rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt teneinde te bepalen of het om twee of meer afzonderlijke prestaties dan wel om één enkele prestatie gaat, en of, in dit laatste geval, die enkele prestatie als dienstverrichting moet worden gekwalificeerd (arrest C-41/04, Levob Verzekeringen bv en OV Bank nv, 27 oktober 2005, r.o. 19; arrest C-111/05, Aktiebolaget NN, 29 maart 2007, r.o. 21); - elke handeling normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd, maar dat de handeling die economisch gezien uit één prestatie bestaat, niet kunstmatig uit elkaar mag worden gehaald omdat anders de goede werking van het btw-stelsel zou worden aangetast, en dat er sprake is van één prestatie wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht ten behoeve van de als modaal beschouwde consument, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één economische, niet te splitsen, prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen (arrest C-41/04, Levob Verzekeringen bv en OV Bank nv, 27 oktober 2005, r.o. 22; arrest C-111/05, Aktiebolaget NN, 29 maart 2007, r.o. 22 en 23); - er eveneens sprake is van één prestatie wanneer een of meer elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl een of meer andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties, die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen (arrest C-41/04, Levob Verzekeringen bv en OV Bank nv, 27 oktober 2005, r.o. 21; arrest C-276/09, Everything Everywhere Ltd, 2 december 2010, r.o. 24); - een dienst als bijkomend bij een hoofddienst moet worden beschouwd wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om de hoofddienst van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken (arrest C-308/96 en C-94/97, T.P. Madgett en R.M. Baldwin, 22 oktober 1998, r.o. 24; arrest C-349/96, Card Protection Plan Ltd (CPP), 25 februari 1999, r.o. 30; arrest C-572/07, Tellmer Property sro, 11 juni 2009, r.o. 18; arrest C-276/09, Everything Everywhere Ltd, 2 december 2010, r.o. 25).
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de verweerster haar gebouw met voorzieningen (keuken, zaal en bar), en de daarbij horende uitrusting, met name bestek en meubilair, tegen vergoeding ter beschikking stelt aan derden; - de gebruikers verplicht zijn drank af te nemen bij de verweerster; - de door de verweerster verschafte diensten "economisch nauw met elkaar verbonden zijn", aangezien, zo een zaal ter beschikking wordt gesteld, dit "onlosmakelijk verbonden [is] met het doel dat de gebruikers van de zaal voor ogen hebben", namelijk het houden van een bijeenkomst waarbij aan hen de gelegenheid wordt gegeven de door de verweerster geleverde dranken te nuttigen, gebruik makend van het door haar ter beschikking gestelde bestek en meubilair; - "het alle prestaties [zijn] die voor de gebruikers tot doel hebben bijeenkomsten in aangename en comfortabele omstandigheden te laten plaatsgrijpen".
- Door te oordelen dat er sprake is van één prestatie omdat de handelingen die de verweerster levert zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één economische, niet te splitsen, prestatie vormen, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De vergeefs aangevochten reden dat de handelingen van de verweerster zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één economische, niet te splitsen, prestatie vormen, draagt het oordeel dat er sprake is van één prestatie. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de vaststellingen van het arrest het besluit niet wettigen dat de terbeschikkingstelling van de zaal aan de gebruikers geen zelfstandige prestatie uitmaakt en dus ondergeschikt is aan de levering van drank voor verbruik ter plaatse, kan het niet tot cassatie leiden. In zoverre is het onderdeel, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 619,66 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 29 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div