← België

V. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.4 Rolnummer: F.18.0099.N Zaak: V. contra BELGISCHE STAAT, FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-31 Raadplegingen: 1327 - laatst gezien 2026-06-19 05:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche Enkel de tijdens het belastbaar tijdperk vastgestelde vermogensaangroei, en dus niet de vermogenstoestand op een gegeven moment binnen dat belastbaar tijdperk, kan als een indicie worden aangemerkt; wanneer de belastingadministratie een vermogensaangroei als indicie wil aanmerken, dient zij die vermogensaangroei te bewijzen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Tekenen of indiciën van gegoedheid Vrije woorden: Indicie - Begrip - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 341 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Annotaties Publicaties: Fiscale Actualiteit [Fisc.Act.] - 2021, nr. 7, p. 9-

  1. - JANSSENS, Koen; Noot'Banktegoed is op zich geen indicie, zegt nu ook Cassatie' TFR-Tijdschrift voor fiscaal recht - 2021, nr. 612, p.1036-
  2. - GHEYSEN, Kris; Noot'Enkel de aangroei op een bankrekening is een indicie van hogere gegoedheid' Tekst van de beslissing Nr. F.18.0099.N
  3. N. M.,
  4. E. V., in de hoedanigheid van erfgenaam van L. V.,
  5. K.V., in de hoedanigheid van erfgenaam van L.V., eisers, met als raadsman mr. Willy Huber, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 215, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de gewestelijk directeur te Leuven-taxatie, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A, bus 1, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 maart
  6. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 4 augustus 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid (…) Gegrondheid
  7. Overeenkomstig artikel 341, eerste lid, WIB92, mag de raming van de belastbare grondslag, zowel voor rechtspersonen als voor natuurlijke personen, behoudens tegenbewijs, worden gedaan volgens tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Uitgaven, beleggingen, investeringen en vermogensaangroei die tijdens een belastbaar tijdperk zijn vastgesteld, worden aangemerkt als tekenen en indiciën waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven inkomsten. Enkel de tijdens het belastbaar tijdperk vastgestelde vermogensaangroei, en dus niet de vermogenstoestand op een gegeven moment binnen dat belastbaar tijdperk, kan als een indicie worden aangemerkt.
  8. Wanneer de belastingadministratie een vermogensaangroei als indicie wil aanmerken, dient zij die vermogensaangroei te bewijzen. De belastingplichtige kan het tegenbewijs leveren door aan te tonen dat de vermogensaangroei voortkomt uit andere inkomsten dan die welke belastbaar waren in de inkomstenbelastingen of uit inkomsten die tijdens een vroegere periode dan het belastbaar tijdvak zijn verkregen.
  9. De appelrechters oordelen dat: - het “bezit van het banktegoed” eind 1994 als een indicie kan worden aangemerkt; - “indien de [eisers] van mening waren dat het beginsaldo in 1994 van de bewuste bankrekeningen (…), het tegenbewijs leverden van het bestaan van die indicie, zij dit [hadden] kunnen voorleggen (…)”; - de eisers niet bewijzen dat dat spaartegoed al in voorgaande jaren werd ge-spaard en opgebouwd.
  10. Door het banktegoed eind 1994 aldus als indicie aan te merken zonder dat de verweerder het bewijs levert van een vermogensaangroei tijdens het belastbaar tijdperk, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 29 januari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210129.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2025:DEC.20250207.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.