id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 187
, §§ 4, 5, 6 en 7 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Samenloop tussen hoger beroep en verzet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 187
, §§ 4, 5, 6 en 7 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 204- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.20.0862.N C S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gino Houbrechts, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest C/898/2020 van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 juli
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Alain Winants heeft op 22 januari 2021 ter griffie een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 2 februari 2021 heeft raadsheer Steven Van Overbeke verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart het hoger beroep dat de eiser op 20 augustus 2019 heeft aangetekend tegen het bij verstek gewezen vonnis van 12 juni 2019 ten onrechte niet ontvankelijk; geen enkele wetsbepaling verbiedt de eiser om tegen dit vonnis zowel verzet als hoger beroep aan te tekenen; het volstond dat het hoger beroep werd ingesteld binnen de dertig dagen na de betekening van het verstekvonnis aan de eiser of aan zijn woonplaats; de eiser kon op het ogenblik van het aantekenen van het hoger beroep onmogelijk weten dat zijn verzet bij vonnis van 26 augustus 2019 ontvankelijk maar ongedaan zou worden verklaard.
- Uit de vaststellingen van het arrest en de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiser bij verstek werd veroordeeld bij vonnis van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 12 juni 2019; - de eiser, bijgestaan door zijn raadsman, tegen dit verstekvonnis van 12 juni 2019 verzet heeft aangetekend bij gerechtsdeurwaardersexploot van 9 augustus 2019, om te verschijnen op de rechtszitting van de correctionele rechtbank van 19 augustus 2019; - de eiser op de rechtszitting van 19 augustus 2019 niet is verschenen, noch iemand voor hem, waarbij de zaak op die rechtszitting werd behandeld en in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op de rechtszitting van 26 augustus 2019; - de raadsman van de eiser op 20 augustus 2019 hoger beroep heeft aangetekend tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 door een verklaring ter griffie en de neerlegging van een grievenschrift; - bij vonnis op verzet en bij verstek van 26 augustus 2019 werd geoordeeld dat het verzet tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 tijdig werd ingesteld en ontvankelijk is, maar dat dit verzet ongedaan is bij toepassing van artikel 187, § 6, 2°, Wetboek van Strafvordering; - tegen het vonnis van 26 augustus 2019 geen hoger beroep werd aangetekend.
- Artikel 187, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat ten gevolge van het verzet de veroordeling bij verstek voor niet bestaande wordt gehouden, behoudens in de gevallen bedoeld in paragrafen 5 tot
- Paragraaf 6 heeft betrekking op het geval waarin het verzet als ongedaan wordt beschouwd. Wanneer het verzet bij toepassing van artikel 187, § 6, Wetboek van Strafvordering als ongedaan wordt beschouwd, blijft de veroordelende beslissing bij verstek bestaan. Het na het verzet aangetekende hoger beroep tegen die beslissing behoudt dan ook zijn voorwerp, ook al werd dit hoger beroep ingesteld vóór er uitspraak werd gedaan over het verzet.
- Hieruit volgt dat het gerecht in hoger beroep, dat kennisneemt van een regelmatig ingesteld hoger beroep tegen het verstekvonnis waartegen verzet werd aangetekend dat ongedaan werd verklaard, uitspraak moet doen over de zaak zelf binnen de grenzen van de grieven die in het bij artikel 204 Wetboek van Strafvordering bepaalde verzoekschrift worden aangevoerd.
- Door eisers hoger beroep tegen het verstekvonnis van 12 juni 2019 niet ontvankelijk te verklaren omdat de eiser tegen datzelfde vonnis een ontvankelijk verzet had aangetekend dat evenwel ongedaan werd verklaard, verantwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210202.2N.2 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div