id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 322
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 323
- 01 ELI link Pub nr 1867060850
Art. 324
- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 3 Het recht om als verdachte van een strafbaar feit niet te worden gedwongen een verklaring af te leggen, zoals dit voortvloeit uit artikel 6 EVRM en artikel 47bis, § 2, 2), Wetboek van Strafvordering, belet niet dat opsporingsambtenaren aan een verdachte vragen mogen stellen; uit het enkele feit dat een opsporingsambtenaar aan een verdachte die zich reeds op het zwijgrecht heeft beroepen, alsnog één of meerdere vragen stelt, volgt geen miskenning van zijn rechten. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Zwijgrecht - Vraag van een opsporingsambtenaar - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 2, 2) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Verhoor van de verdachte - Zwijgrecht - Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering - Vraag van een opsporingsambtenaar - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 2, 2) - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1067.N I E T, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Anna Segers, advocaat bij de balie Antwerpen. II M D O, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 30 september
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest steunt eisers veroordeling voornamelijk op een subjectieve beoordeling en het niet-relevant verklaren van relevante objectieve elementen van het dossier; verder is deze motivering tegenstrijdig doordat de eiser I schuldig wordt verklaard op grond van de aanwezigheid in het voertuig van een kniptang, terwijl deze schuldigverklaring in strijd is met de vaststellingen en veronderstellingen van de politie; het arrest lijkt aan te nemen dat de eiser I het hek heeft opengeknipt terwijl de politie heeft vastgesteld dat het hek niet de avond dat de eiser I in de omgeving aanwezig was, werd opengeknipt; het arrest motiveert subjectief, omheen al het objectief bewijs.
- Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde beslissing die elkaar opheffen of tenietdoen. Een strijdigheid tussen enerzijds redenen of beschikkingen van een rechterlijke beslissing en anderzijds gegevens van het strafdossier levert geen motiveringsgebrek op in de zin van artikel 149 Grondwet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter in strafzaken beoordeelt onaantastbaar de bewijswaarde van alle hem regelmatig overgelegde en aan tegenspraak onderworpen stukken en feitelijke gegevens.
- In zoverre het middel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 322, 323, eerste lid, en 324, eerste en de tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest stelt niet afdoende vast dat de eiser I een deelnemer was aan een vereniging die in de nacht van 1 op 2 maart 2019 drugs aan het uithalen was in de haven van Antwerpen; het arrest laat het bewijs à décharge buiten beschouwing of verklaart het niet relevant; er is geen link bewezen tussen de eiser I en de uithaler van de drugs; uit niets blijkt dat de eiser I de bewuste wil had om van een bende lid te zijn en dat die vereniging drugmisdrijven pleegde of wilde plegen; het arrest vermeldt niet welke taakverdeling in de vereniging was overeengekomen en oordeelt dat uit niets is gebleken dat de eiser I daadwerkelijk en eigenhandig uit de haven van Antwerpen een partij verdovende middelen heeft gehaald; deze motivering is tegenstrijdig.
- Het bij artikel 322 Strafwetboek bepaalde misdrijf van een vereniging met het oogmerk om een aanslag te plegen op personen of op eigendommen bestaat door het enkele feit van het inrichten der bende. De artikelen 323 en 324 Strafwetboek maken vervolgens naar strafbaarheid een onderscheid tussen, aan de ene kant, de aanstokers tot die vereniging, de hoofden van die bende en degenen die daarin enig bevel hebben gevoerd en, aan de andere kant, de anderen. Een schuldigverklaring als persoon die deel uitmaakt van de bende, zonder aanstoker, hoofd of bevelvoerder te zijn, vereist niet noodzakelijk dat de rechter een exacte taakverdeling tussen de leden van de vereniging preciseert en dat hij aanduidt welke de precieze taak is van elk lid van de bende. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige heeft het middel eenzelfde strekking als het eerste middel en is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat middel te verwerpen. Middelen van de eiser II Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 747 Gerechtelijk Wetboek en artikel 152 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat er geen miskenning is van eisers recht van verdediging door de wering door het beroepen vonnis van zijn conclusie en doordat de precisering van de incriminatieperiode op de rechtszitting in eerste aanleg waarop de zaak werd behandeld ter kennis van de eiser II werd gebracht met het verzoek zich hierop te verdedigen.
- Het arrest oordeelt dat de eiser II in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad om zijn verweer in conclusie uiteen te zetten, ter rechtszitting uitvoerig mondeling toe te lichten en dat de inhoud van deze appelconclusie door het hof van beroep in het beraad werd betrokken. Aldus blijkt dat de aangevoerde onwettigheid in hoger beroep is rechtgezet. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 47bis, § 2, 2), Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het zwijgrecht: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers recht op een eerlijk proces niet onherstelbaar werd miskend; de onderzoekers hebben immers, nadat de eiser II zich had beroepen op zijn zwijgrecht, een tweede vraag gesteld over het gsm-toestel dat hij in zijn bezit had; er is dan ook sprake van politionele provocatie; het is nochtans duidelijk dat de agenten zich niet louter wensten te beperken tot het passief vaststellen van een misdrijf, maar hebben geprobeerd toch nog verdere vragen te stellen ondanks de omstandigheid dat de eiser II zich beriep op zijn zwijgrecht; dit leidt tot een definitieve en onherstelbare miskenning van het recht op een eerlijk proces.
- Het recht om als verdachte van een strafbaar feit niet te worden gedwongen een verklaring af te leggen, zoals dit voortvloeit artikel 6 EVRM en artikel 47bis, § 2, 2), Wetboek van Strafvordering, belet niet dat opsporingsambtenaren aan een verdachte vragen mogen stellen. Uit het enkele feit dat een opsporingsambtenaar aan een verdachte die zich reeds op het zwijgrecht heeft beroepen, alsnog een of meerdere vragen stelt, volgt geen miskenning van zijn rechten. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 322, 323 en 324 Strafwetboek en artikel 2bis, § 3, b), Drugwet: uit het arrest blijkt dat de incriminatieperiode en eigenlijk in concreto de telastleggingen pas vaststonden op de rechtszitting van 23 januari 2020, zodat de eiser II zich dan ook hierop niet heeft kunnen verdedigen; de feiten hebben zich voorgedaan op 2 maart 2019 en niet tussen 1 en 2 maart 2019; het arrest blijft verwijzen naar de artikelen 322, 323 en 324 Strafwetboek en omschrijft de feiten als een criminele organisatie; het is onduidelijk of de eiser II wordt veroordeeld als aanstoker, hoofd of helper of deelnemer aan een vereniging; er is helemaal geen vereniging geweest en door het arrest bedoelde ongeoorloofde bedrijvigheid werd niet uitgevoerd.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel, is het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen.
- Het beroepen vonnis heeft de incriminatieperiode van de enige telastlegging gepreciseerd in "in de nacht van 1 maart 2019 op 2 maart 2019". Derhalve wist de eiser wat dit punt betreft waarop hij zich diende te verdedigen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De eiser II wordt vervolgd en het arrest veroordeelt hem voor deelname aan een vereniging opgericht om op personen of eigendommen misdaden te plegen waarop opsluiting van 10 jaar tot 15 jaar of een langere termijn staat, zijnde een inbreuk op de artikelen 322, 323, eerste lid, en 324, eerste en de tweede lid, Strafwetboek. Hij wordt niet vervolgd of veroordeeld als aanstoker tot die vereniging, hoofd van die bende en degene die daarin enig bevel heeft gevoerd en dus niet voor een inbreuk op de artikelen 323, tweede lid, en 324, derde en vierde lid, Strafwetboek, wegens criminele organisatie of wegens een inbreuk op de Drugwet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- De bewezenverklaring van het misdrijf van bendevorming: - is mogelijk, ook al wordt dit feit gesitueerd op één of op twee dagen; - vereist niet dat duidelijk is wie de aanstokers, de hoofden of de bevelhebbers van de bende zijn; - vereist niet dat, indien de vereniging is opgericht om op personen of eigendommen misdaden te plegen waarop opsluiting van 10 jaar tot 15 jaar of een langere termijn staat en meer bepaald op de in artikel 2bis, § 3, b), Drugwet bedoelde misdaad, die misdaad is bewezen. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest vermeldt onder de rubriek 4.4.2 (p. 12-15) de redenen op grond waarvan het de eiser II schuldig verklaart aan de enige telastlegging. Aldus weet de eiser II wat het hof van beroep tot dat oordeel heeft gebracht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- In zoverre het middel voor het overige opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen in zoverre gericht tegen de beslissingen op de strafvordering, verkrijgen deze beslissingen kracht van gewijsde. In zoverre de cassatieberoepen ook gericht zijn tegen de beslissingen waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eisers I en II wordt bevolen, hebben ze geen bestaansreden meer. Eerste middel van de eiser II
- Het middel dat enkel gericht is tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser II is bevolen, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 89,71 euro, waarvan de eiser I 44,85 euro is verschuldigd en de eiser II 44,86 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div