← België

A. contra IVERLEK C.V.B.A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 47o

cties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Ontvankelijkheid - Beoordeling van het provocatieverweer - Bijzondere opsporingsmethoden - Infiltratie - Geluidsopname van de contacten van de undercoveragent - Recht van verdediging - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47o

cties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Infiltratie - Geluidsopname van de contacten van de undercoveragent - Recht van verdediging - Beoordeling van het provocatieverweer - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47o

cties - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 8 Uit de bepaling van artikel 47novies, § 2, tweede tot en met vierde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat moet worden aangenomen dat de bedoelde processenverbaal een waarheidsgetrouwe weergave bevatten van de verschillende fasen van de infiltratie, onverminderd het wettelijk verbod om gegevens te vermelden als bedoeld door artikel 47novies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en de in artikel 47octies, § 3, 6°, Wetboek van Strafvordering bedoelde officier van gerechtelijke politie, dit is de officier die de leiding heeft over de uitvoering van de infiltratie, alsook het openbaar ministerie, worden geacht daarbij loyaal op te treden; het komt de partijen toe aannemelijk te maken dat de officier die de leiding heeft over de uitvoering van de infiltratie en het openbaar ministerie niet alle voor de partijen in het strafproces relevante informatie hebben opgenomen of laten opnemen in deze processen-verbaal en dat hierdoor het recht van verdediging is miskend en de rechter oordeelt daarover onaantastbaar waarbij het Hof nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)H. BERKMOES en J. DELMULLE, De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, Politeia, Editie 2011, inz. pp. 671-726. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Vrije woorden: Infiltratie - Artikelen 47novies en 47octies Wetboek van Strafvordering - Uitvoering van de infiltratie - Processen-verbaal - Optreden van de officier van gerechtelijke politie en van het openbaar ministerie - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47o

cties, § 3, 6° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47n

ovies, § 2, tweede, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Infiltratie - Artikelen 47novies en 47octies Wetboek van Strafvordering - Uitvoering van de infiltratie - Processen-verbaal - Inhoud - Optreden van de officier van gerechtelijke politie en van het openbaar ministerie - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47o

cties, § 3, 6° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47n

ovies, § 2, tweede, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Bijzondere opsporingsmethoden - Infiltratie - Artikelen 47novies en 47octies Wetboek van Strafvordering - Uitvoering van de infiltratie - Processen-verbaal - Inhoud - Optreden van het openbaar ministerie - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47o

cties, § 3, 6° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47n

ovies, § 2, tweede, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Gerechtelijke onderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Infiltratie - Artikelen 47novies en 47octies Wetboek van Strafvordering - Uitvoering van de infiltratie - Processen-verbaal - Optreden van de officier van gerechtelijke politie en van het openbaar ministerie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47o

cties, § 3, 6° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47n

ovies, § 2, tweede, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Bijzondere opsporingsmethoden - Infiltratie - Artikelen 47novies en 47octies Wetboek van Strafvordering - Uitvoering van de infiltratie - Processen-verbaal - Optreden van de officier van gerechtelijke politie en van het openbaar ministerie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 47o

cties, § 3, 6° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 47n

ovies, § 2, tweede, derde en vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 9 - 11 Wanneer het opzet om het misdrijf te plegen is ontstaan buiten enig optreden van de politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, deze zich heeft beperkt tot het scheppen van de gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen in zodanige omstandigheden dat hij de uitvoering ervan kan vaststellen en aan de dader ruimte gelaten wordt om vrij met zijn misdadig voornemen te breken, is er geen sprake van provocatie in de zin van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; de rechter oordeelt onaantastbaar of het optreden van de politieambtenaar of de derde handelend op verzoek van deze ambtenaar aan de oorsprong ligt van het misdadige voornemen van de dader of deze heeft aangemoedigd, dan wel slechts de gelegenheid was om vrij een strafbaar feit te plegen in omstandigheden waarin de dader steeds vrij met dit voornemen kon breken waarbij het Hof nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord

(1).
(1)Cass. 4 maart 2014, AR P.14.0333.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.8, AC 2014, nr. 174; EHRM , Baltins t. Letland, 8 januari 2013, NC 2014, p. 26 met noot van A. DE NAUW, "De formele toets van een provocatieverweer in de rechtspraak van Straatsburg en het Belgische strafprocesrecht"; A. DE NAUW, "La provocation à l'infraction par un agent de l'autorité", RDP 1980, pp. 321-326. Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Provocatie - Begrip Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 30 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Provocatie - Begrip Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 30 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Ontvankelijkheid - Artikel 30 Wetboek van strafvordering - Provocatie - Begrip Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 30 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 12 - 14 Uit het enkele feit dat bepaalde gegevens die nuttig kunnen zijn voor de verdediging van een beklaagde niet of niet langer beschikbaar zijn, volgt niet dat daardoor het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van die beklaagde noodzakelijk zijn miskend; het staat aan de rechter te oordelen of het niet of niet langer beschikbaar zijn van de gegevens daadwerkelijk de uitoefening van de rechten van een beklaagde aantast en daaruit de gepaste gevolgen te trekken voor de beoordeling van de schuld en bij die beoordeling kan de rechter de omstandigheid betrekken dat de met opsporing en vervolging belaste instanties niet verantwoordelijk zijn voor het niet of niet langer beschikbaar zijn van de gegevens waarbij het Hof nagaat of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Niet meer voor de verdediging beschikbare gegevens - Beoordeling door de rechter - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Niet meer voor de verdediging beschikbare gegevens - Beoordeling door de rechter - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Niet meer voor de verdediging beschikbare gegevens - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.1054.N I B L R A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sahil Malik, advocaat bij de balie Antwerpen, II R A, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, III B S, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Gunter Fransis en mr. Nico Vandebroek, beiden advocaat bij de balie Leuven, de cassatieberoepen van de eisers II en III tegen IVERLEK cv, met zetel te 3012 Leuven (Wilsele), Aarschotsesteenweg 58, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 september 2020. De eiser I voert in een geschrift grieven aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het door de eiser I toegestuurde geschrift 1. Uit de bepalingen van artikel 429, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de eiser in cassatie zijn middelen slechts kan aanvoeren in een memorie die is ondertekend door een advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, bedoelde getuigschrift, alsook dat hij na verloop van twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep geen memories of stukken meer mag indienen. 2. Het ter griffie op 18 januari 2021 ontvangen geschrift dat niet is ondertekend door een advocaat die houder is van het in artikel 425, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde getuigschrift, is ingediend meer dan twee maanden na de verklaring van cassatieberoep van de eiser I op 6 oktober 2020. Het geschrift is niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep III 3. Krachtens artikel 427 Wetboek van Strafvordering moet de partij die het cassatieberoep instelt, het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het is gericht. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering. 4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser III zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster. In zoverre het cassatieberoep III ook is gericht tegen de beslissing over de door de verweerster tegen de eiser III gerichte burgerlijke rechtsvordering, is het niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel 5. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.
  1. b)EVRM en artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechters oordelen ten onrechte dat eisers recht op tegenspraak niet werd miskend hoewel hij de gesprekken die in de processen-verbaal van de undercoveragent zijn weergegeven, bij gebrek aan opnames ervan niet op hun waarheidsgetrouwheid heeft kunnen aftoetsen; de eiser II heeft nochtans in zijn conclusie aangevoerd dat hij in deze omstandigheden geen nuttige en effectieve tegenspraak kon voeren omtrent de overeenstemming van voormelde gesprekken in de processen-verbaal met hetgeen er werkelijk gezegd en besproken was met en door de undercoveragent; de vermoede loyaliteit van deze laatste biedt op zichzelf onvoldoende garanties op de eerbiediging van het recht op tegenspraak van de eiser II, aangezien hij een met de eiser II strijdig belang kan hebben. 6. Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel vereist dat een geluidsopname wordt gemaakt van alle contacten die een undercoveragent in het kader van een door artikel 47octies Wetboek van Strafvordering bedoelde infiltratie onderhoudt. Een dergelijke vereiste, die de uitvoering van deze bijzondere opsporingsmethode in de praktijk onmogelijk zou maken, kan evenmin worden afgeleid uit de verplichting voor de rechter om een provocatieverweer dat op een enigszins aannemelijke wijze wordt aangevoerd, te onderzoeken en te beantwoorden. 7. Artikel 47novies, § 2, tweede tot en met vierde lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De officier van gerechtelijke politie, bedoeld in artikel 47octies, § 3, 6°, stelt proces-verbaal op van de verschillende fasen van de uitvoering van de infiltratie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte technische hulpmiddelen en de politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant, de politieambtenaren, belast met de uitvoering van de infiltratie, en de in artikel 47octies, § 1, tweede lid, bedoelde burger, in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het schriftelijk verslag bedoeld in § 1, eerste lid. In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot infiltratie en worden de vermeldingen bedoeld in artikel 47octies, § 3, 1°, 2°, 3°, en 5°, opgenomen. De procureur des Konings bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot infiltratie. De opgestelde processen-verbaal en de in het derde lid bedoelde beslissing worden uiterlijk na het beëindigen van de infiltratie bij het strafdossier gevoegd." 8. Uit deze bepaling volgt dat moet worden aangenomen dat de bedoelde processen-verbaal een waarheidsgetrouwe weergave bevatten van de verschillende fasen van de infiltratie, onverminderd het wettelijk verbod om gegevens te vermelden als bedoeld door artikel 47novies, § 2, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. De in artikel 47octies, § 3, 6°, Wetboek van Strafvordering bedoelde officier van gerechtelijke politie, dit is de officier die de leiding heeft over de uitvoering van de infiltratie, alsook het openbaar ministerie, worden immers geacht daarbij loyaal op te treden. 9. Het komt de partijen toe aannemelijk te maken dat de officier die de leiding heeft over de uitvoering van de infiltratie en het openbaar ministerie niet alle voor de partijen in het strafproces relevante informatie hebben opgenomen of laten opnemen in deze processen-verbaal en dat hierdoor het recht van verdediging is miskend. 10. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Het arrest oordeelt na controle van het tegensprekelijk dossier als volgt: - de verrichtingen van de infiltratie en de daarbij gedane vaststellingen en ver-gaarde bewijselementen zijn op passende en correcte manier weergegeven; - er is geen reden om te betwijfelen dat de politieambtenaar die is opgetreden als infiltrant, deze verrichtingen, vaststellingen en bewijselementen loyaal en waarheidsgetrouw heeft gerapporteerd; - de elementen van het tegensprekelijk dossier en met name van de vermelde processen-verbaal maken niet aannemelijk dat door de infiltrant gevoerde gesprekken werden opgenomen zonder de vereiste machtiging van de onderzoeksrechter, waarbij wordt verwezen naar drie navolgende processen-verbaal; - er valt niet in te zien waarom de infiltrant, die daartoe specifiek werd opgeleid, niet mag worden geacht in staat te zijn om bij de debriefing na afloop van ieder contact de gevoerde gesprekken te laten noteren en te laten verwerken in een proces-verbaal zonder over een opname van het contact te beschikken; - er valt evenmin in te zien waarom de onderzoekers, die onbetwist machtiging van de onderzoeksrechter verkregen om op 22 april 2018, op 11 mei 2018 en op 12 mei 2018 gesprekken op te nemen, op andere momenten gesprekken zouden hebben opgenomen zonder over een machtiging te beschikken; - kwade trouw wordt niet vermoed; - met betrekking tot een welbepaald geval wordt vastgesteld dat de infiltrant op passende en correcte wijze verslag heeft gedaan over een contact dat weliswaar lang heeft geduurd, maar waarover weinig significants te rapporteren valt; - er wordt met betrekking tot de vermelde processen-verbaal vastgesteld dat de infiltrant naar best vermogen, behoudens wat betreft één contact, zonder te beschikken over technische hulpmiddelen zoals een opname, zo goed mogelijk verslag heeft gedaan van de opeenvolgende contacten die hij heeft gehad; - de weergave van de tijdens de contacten vergaarde elementen, waaronder de gesprekken, wordt niet volstrekt onbetrouwbaar door het enkele gegeven dat er geen opnames van bestaan; - geen enkele wetsbepaling voorziet dat van alle contacten die een infiltrant heeft (gemachtigde) opnames worden gemaakt, wat overigens in vele gevallen onuitvoerbaar zou zijn; - de door de eiser II aangeklaagde onnauwkeurigheden en discrepanties met betrekking tot de transcriptie van de opname van een contact op 22 april 2018 zijn niet fundamenteel en geen reden om te betwijfelen dat de politieambtenaar die is opgetreden als infiltrant, zijn verrichtingen loyaal en waarheidsgetrouw heeft gerapporteerd. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de processen-verbaal betreffende de uitvoering van de infiltratie niet alle relevante informatie bevatten ter beoordeling van het provocatieverweer van de eiser II. De beslissing dat er geen reden is om deze processen-verbaal uit het debat te weren, is dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben uit hun feitelijke vaststellingen niet wettig kunnen afleiden dat het voornemen om de telastleggingen H en I te plegen in hoofde van de eiser II niet rechtstreeks is ontstaan of versterkt door de tussenkomst van de infiltrant; de infiltrant heeft zich niet beperkt tot een passief onderzoek naar criminele activiteiten, maar heeft op actieve wijze een misleidende situatie geënsceneerd met de bedoeling de eiser II in de val te lokken, door enerzijds bedrieglijk voor te houden dat hij (via een derde) de onmisbare bijstand zal verlenen die noodzakelijk was voor het kunnen vol-trekken van het misdrijf, en anderzijds de eiser II grotere geldwinsten te beloven dan gebruikelijk. 14. Artikel 30, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat er sprake is van provocatie wanneer door de tussenkomst van een politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, in hoofde van de dader het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan, versterkt of bevestigd terwijl hij dit wilde beëindigen. 15. Wanneer het opzet om het misdrijf te plegen is ontstaan buiten enig optreden van de politieambtenaar of van een derde handelend op het uitdrukkelijk verzoek van deze ambtenaar, deze zich heeft beperkt tot het scheppen van de gelegenheid om vrij een strafbaar feit te plegen in zodanige omstandigheden dat hij de uitvoering ervan kan vaststellen en aan de dader ruimte gelaten wordt om vrij met zijn misdadig voornemen te breken, is er geen sprake van provocatie in de zin van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. 16. De rechter oordeelt onaantastbaar of het optreden van de politieambtenaar of de derde handelend op verzoek van deze ambtenaar aan de oorsprong ligt van het misdadige voornemen van de dader of deze heeft aangemoedigd, dan wel slechts de gelegenheid was om vrij een strafbaar feit te plegen in omstandigheden waarin de dader steeds vrij met dit voornemen kon breken. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 17. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 15-20) en met eigen redenen verwerpt het arrest (p. 23-27) het provocatieverweer van de eiser II. Het arrest (p. 27-28) besluit dat oordeel als volgt: "Uit de eigen verklaringen van [de eiser II] en uit de overige elementen van het strafdossier blijkt overduidelijk dat eerstgenoemde zich - reeds vóór de periode waarin de infiltratie plaatsvond - intensief inliet met het inrichten en uitbaten van cannabisplantages, en dat hij ook tijdens de bedoelde periode, samen met derden, een andere cannabisplantage inrichtte en uitbaatte dan die welke hij samen met de infiltrant inrichtte en uitbaatte; tevens blijkt dat het idee om zich ook in te laten met cocaïnesmokkel uitging van [de eiser II]. Uit de aangehaalde gegevens blijkt niet dat de infiltrant de "aarzelingen" van [de eiser II] heeft "weggewerkt" met beloftes van groot geldgewin of beroep op zijn medeleven; het louter gegeven dat tijdens de contacten onder meer ook gesprekken werden gevoerd over de risico's en de financiële aspecten van cannabisteelt en de cocaïnesmokkel en de infiltrant, om zijn geloofwaardigheid te behouden, hierin meeging, houdt in de gegeven omstandigheden geen provocatie in." 18. Op grond van het geheel van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat blijkt dat de infiltrant het voornemen van de dader om het misdrijf te plegen niet heeft doen ontstaan, noch heeft versterkt, maar enkel de gelegenheid heeft geschapen om vrij een strafbaar feit te plegen in zodanige omstandigheden dat hij de uitvoering ervan kan vaststellen en dat aan de dader steeds de ruimte is gelaten om vrij met zijn misdadig voornemen te breken en aldus het provocatieverweer van de eiser II verwerpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser III Eerste onderdeel 19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: eisers recht van verdediging en recht op een eerlijk proces zijn miskend doordat de geëncrypteerde gegevens op de als overtuigingsstukken neergelegde telefoontoestellen systematisch werden gewist; aldus werd aan de eiser III de mogelijkheid ontnomen om tegenspraak te voeren over de overeenstemming van de inhoud van de via de geëncrypteerde telefoontoestellen gewisselde berichten met de weergave ervan in de processen-verbaal die de verrichtingen van de infiltratie en de daarbij gedane vaststellingen en vergaarde bewijselementen relateren; de eiser III heeft als gevolg hiervan deze gegevens niet kunnen aanwenden in het kader van zijn provocatieverweer. 20. Het arrest weert ter vrijwaring van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de beklaagden een aantal berichten als bewijsmiddel uit het debat, samen met de elementen die er het gevolg van zijn en bepaalt dat deze gegevens rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de schuld van de beklaagden aan de ten laste gelegde feiten, tenzij in hun voordeel. De eiser III heeft geen belang om tegen die beslissing op te komen. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. 21. Uit het enkele feit dat bepaalde gegevens die nuttig kunnen zijn voor de verdediging van een beklaagde niet of niet langer beschikbaar zijn, volgt niet dat daardoor het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van die beklaagde noodzakelijk zijn miskend. 22. Het staat aan de rechter te oordelen of het niet of niet langer beschikbaar zijn van de gegevens daadwerkelijk de uitoefening van de rechten van een beklaagde aantast en daaruit de gepaste gevolgen te trekken voor de beoordeling van de schuld. Bij die beoordeling kan de rechter de omstandigheid betrekken dat de met opsporing en vervolging belaste instanties niet verantwoordelijk zijn voor het niet of niet langer beschikbaar zijn van de gegevens. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 23. Het arrest oordeelt als volgt: - de infiltrant kreeg eerst in oktober 2017 een geëncrypteerd telefoontoestel ter beschikking, dit is ruim na de aanvang van de incriminatieperiode voor de vermelde telastleggingen; - de argumentatie over het wissen van berichten heeft geen weerslag op de regelmatigheid van eerder verzamelde bewijs noch op de regelmatigheid van het later verzamelde bewijs dat niet steunt op de gewiste berichten; - de eiser II heeft zelf systematisch alle gegevens op zijn eigen geëncrypteerde telefoontoestellen gewist en hij heeft tevens op 3 november 2017 en op 7 april 2018 ook alle gegevens op het aan de infiltrant ter beschikking gestelde geëncrypteerde telefoontoestel gewist en hij kan dan ook niet ernstig voorhouden dat zijn recht van verdediging daardoor is miskend; - er is a priori geen reden om eraan te twijfelen dat de infiltrant de relevant geachte geëncrypteerde berichten die hij verkreeg loyaal en waarheidsgetrouw heeft weergegeven in de processen-verbaal over de infiltratie. Op grond van die redenen kan het arrest wettig beslissen dat het uitwissen van de andere berichten, dan die welke de appelrechters als bewijsmiddel hebben geweerd, het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser III niet heeft miskend. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 30 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de undercoveragent heeft zich niet beperkt tot het op een passieve wijze onderzoeken van misdrijven. 25. Het onderdeel dat dezelfde strekking heeft als het eerste en het tweede middel van de eiser II moet om de in het antwoord op die middelen vermelde redenen worden verworpen. Derde onderdeel 26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser III een daad van deelneming heeft gesteld; hij heeft enkel zijn woning ter beschikking gesteld en geen hulp verleend wat betreft de verkoop van cannabis. 27. Strafbare deelneming als bedoeld in artikel 66 Strafwetboek vereist dat de mededader een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan een misdaad of een wanbedrijf verleent, weet dat hij zijn medewerking aan een bepaalde misdaad of een bepaald wanbedrijf verleent en het opzet heeft aan die misdaad of dat wanbedrijf zijn medewerking te verlenen. 28. De rechter oordeelt onaantastbaar of de als mededader vervolgde beklaagde aan die voorwaarden voldoet. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 29. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen oordeelt het arrest als volgt: - de eiser III offerde twee kamers op de eerste verdieping en de zolderverdieping van zijn woning op om er cannabisplanten in onder te brengen; dit was duidelijk met de bedoeling hier financieel beter van te worden; - de eiser III heeft minstens de planten aan de eiser II voor verkoop afgeleverd en is bijgevolg mededader aan de verkoop van cannabis in het kader van een vereniging; - de overige gegevens van het onderzoek, waaronder deze van de infiltratie en de resultaten van het telefonie-onderzoek, de afgeluisterde gesprekken, de observaties, de huiszoekingen en de afgelegde verklaringen, laten geen twijfel bestaan dat de eiser III wetens rechtstreeks heeft meegewerkt en noodzakelijke hulp heeft verleend, zowel aan en bij het opzetten en het uitbaten van de cannabisplantage, als aan en bij de verkoop van de cannabis; - het argument dat de eigenlijke verkoop van de cannabis niet door de eiser III, maar door de eiser II werd verricht, doet geen afbreuk aan het gegeven dat zonder zijn hulp en medewerking, geen verkoop van cannabis had kunnen plaatsvinden; - een deel van de verkoopopbrengst werd bij de eiser III aangetroffen; - de diefstal van elektriciteit gebeurde ook met zijn noodzakelijke hulp en rechtstreekse medewerking. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser III op een bij de wet bepaalde wijze heeft deelgenomen aan de hem ten laste gelegde feiten en dit met het vereiste deelnemingsopzet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers I, II en III elk tot één derde van de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 286,62 euro, waarvan door elke eiser 95,54 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.4 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250624.2N.45 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140304.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240903.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.