id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.14 Rolnummer: P.21.0151.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-02-11 Raadplegingen: 514 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien een inverdenkinggestelde bij toepassing van artikel 35 Voorlopige Hechteniswet in vrijheid wordt gesteld onder de voorwaarde tegen een bepaalde datum een bepaalde handeling te stellen, dan belet het gegeven dat deze voorwaarde niet werd opgeheven of gewijzigd binnen de termijn om die handeling te stellen, het onderzoeksgerecht aan wie wordt gevraagd de voorwaarde alsnog op te heffen of te wijzigen geenszins om van die vordering kennis te nemen; de voorwaarde, voor zover de geldigheidsduur ervan tijdig werd verlengd, blijft immers, ook als de erin opgelegde handeling door de inverdenkinggestelde niet is verricht, bestaan en behoudt haar uitwerking
(1)Eiser heeft op 6 januari 2021 bij de raadkamer een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zes voorwaarden die hem werden opgelegd op 27 oktober 2020, voor een periode van drie maanden, in het kader van een gerechtelijk onderzoek wegens mensenhandel en inbreuken op het Sociaal Strafwetboek. De onderzoeksrechter had eiser in vrijheid gesteld mits naleving van zes voorwaarden, waarvan de eerste twee voorwaarden (over regularisatie van sociale verplichtingen) op een specifieke datum moesten vervuld zijn (op verschillende data begin november 2020). Eiser voerde in beroepsconclusie onder meer aan dat hij de eerste twee opgelegde voorwaarden onmogelijk kon naleven, om reden dat hij voor bepaalde vennootschappen geen beslissing kon nemen. Het bestreden arrest stelde dat eiser alleen de opheffing, wijziging of vrijstelling van vrijheid onder voorwaarden kon vragen binnen de termijn die was gesteld voor de naleving ervan. Bij niet-naleving van die verstreken voorwaarden dient de onderzoeksrechter volgens het arrest het gevolg te bepalen, overeenkomstig artikel 38 Wet Voorlopige Hechtenis. Ook de overige vier voorwaarden konden volgens het arrest niet meer worden opgeheven, omdat ze onlosmakelijk samenhangen met de eerste twee voorwaarden. Artikel 36, §1 Wet Voorlopige Hechtenis bepaalt dat de onderzoeksrechter ?in de loop van het gerechtelijk onderzoek' één of meer nieuwe voorwaarden kan opleggen of reeds opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk kan opheffen, wijzigen of verlengen, of ervan vrijstelling kan verlenen (M. FRANCHIMONT, A. MASSET en A. JACOBS, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 729; Ph. DAENINCK, "Praktische gids voorlopige hechtenis", Kluwer, 2020, 121; M. DECRAMER, "Vrijheid onder voorwaarden", in Handboek voor de advocaat-stagiair 2019-20, Kluwer, 2020, 62-64). Bovendien kan de verdachte opheffing, vrijstelling of wijziging van nog geldende voorwaarden vragen bij verzoekschrift aan de raadkamer (art. 36, §1, vierde lid, Wet Voorlopige Hechtenis) of, zonder enig rechtsmiddel, aan de onderzoeksrechter. De wet bepaalt niet dat op het moment van zijn verzoekschrift de verdachte nog in staat moet zijn aan de opgelegde voorwaarde(n) te voldoen. De vaststelling dat een opgelegde voorwaarde is miskend, tijdens de maximale termijn van drie maanden (verlengbaar), kan voor de onderzoeksrechter of het onderzoeksgerecht een reden zijn om een aanhoudingsbevel uit te vaardigen (art. 38, §2 Voorlopige Hechteniswet, zie S. SNACKEN, "La liberté sous conditions", in La détention préventive (ed. B. DEJEMEPPE), Brussel, Larcier, 1992, 38; S. DE MOOR, "De vrijheid onder voorwaarden", in De voorlopige hechtenis, (ed. B. DEJEMEPPE en D. MERCKX), Diegem, Kluwer, 2000, 275; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 1235; Ph. DAENINCK, Praktische gids voorlopige hechtenis, Kluwer, 2020, 123; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2021, 1142) of om de voorwaarde te evalueren, in die zin dat de maatregel in de loop van het gerechtelijk onderzoek wordt opgeheven, aangepast of dat daarvan vrijstelling wordt verleend, overeenkomstig art. 36, §1 Wet Voorlopige Hechtenis (In die zin R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 647). Deze herzieningsbevoegdheid van een reeds verstreken voorwaarde, binnen de geldigheidsduur van andere na te leven voorwaarden, wordt in het arrest verduidelijkt. (BDS) Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verzoek tot opheffing van een reeds verstreken voorwaarde - Uitwerking van de voorwaarde - Beoordeling door het onderzoeksgerecht Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 35 en 36, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Verzoek tot opheffing van een reeds verstreken voorwaarde - Uitwerking van de voorwaarde - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 35 en 36, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0151.N M V S, inverdenkinggestelde, eiser, met als raadsman mr. Hans Van Bavel, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 35, § 1, § 2, § 3, en § 5, en 36, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser slechts de mogelijkheid had om de opheffing, wijziging of vrijstelling van de eerste en tweede opgelegde voorwaarde te vragen binnen de termijn die was gesteld voor de naleving ervan en dat de kamer van inbeschuldigingstelling deze voorwaarden door het verstrijken van deze termijn niet meer kan opheffen.
- Indien een inverdenkinggestelde bij toepassing van artikel 35 Voorlopige Hechteniswet in vrijheid wordt gesteld onder de voorwaarde tegen een bepaalde datum een bepaalde handeling te stellen, dan belet het gegeven dat deze voorwaarde niet werd opgeheven of gewijzigd binnen de termijn om die handeling te stellen, het onderzoeksgerecht aan wie wordt gevraagd de voorwaarde alsnog op te heffen of te wijzigen geenszins om van die vordering kennis te nemen. De voorwaarde, voor zover de geldigheidsduur ervan tijdig werd verlengd, blijft immers, ook als de erin opgelegde handeling door de inverdenkinggestelde niet is verricht, bestaan en behoudt haar uitwerking. Het arrest dat anders oordeelt is niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet tot cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing betreffende de eerste en de tweede voorwaarde leidt tot de vernietiging van de beslissing betreffende de overige voorwaarden, gelet op het nauw verband tussen beide beslissingen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot een tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 168,69 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 9 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div