← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.4 Rolnummer: P.20.1254.N Zaak: V. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-02-11 Raadplegingen: 1197 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De verplichting om voorrang te verlenen aan de bestuurder die van rechts komt, behalve indien deze bestuurder op een rotonde rijdt of uit een verboden rijrichting komt, heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers, op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is

(1); de rechter kan aldus de voorrangsplichtige bestuurder enkel van alle aansprakelijkheid ontslaan door vast te stellen dat de gedragingen van de voorrangsgerechtigde bestuurder de voorrangsplichtige in zijn gerechtvaardigde verwachtingen hebben bedrogen en voor hem een onoverkomelijke dwaling hebben veroorzaakt.
(1)Cass. 25 juni 2008, AR P.08.0477.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.7, AC 2008, nr.
  1. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.3 Vrije woorden: Artikel 12.3.1 - Verplichting voorrang te verlenen aan de bestuurder die van rechts komt - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.3.1, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Misdrijf Vrije woorden: Verplichting voorrang te verlenen aan de bestuurder die van rechts komt - Gedragingen van de voorrangsgerechtigde bestuurder - Verwachtingen van de voorrangsplichtige bestuurder - Onoverkomelijke dwaling - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.3.1, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Fiches 3 - 4 Ook de bestuurder die voorrang van rechts geniet, moet de verplichting in acht nemen van het dubbel voorzichtig zijn bij het oprijden van een kruispunt om alle ongevallen te voorkomen; bijgevolg kan deze bestuurder, naargelang de omstandigheden, door het niet naleven van die verplichting bijdragen tot het verkeersongeval of de gevolgen ervan; dergelijke aansprakelijkheid volgt echter nog niet uit het enkele feit dat hij zijn aandacht niet richt op van links komend verkeer en het daarom niet opmerkt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.2 Vrije woorden: Het dubbel voorzichtig oprijden van een kruispunt - Aandacht van de bestuurder die voorrang van rechts dient te verlenen - Opmerken van het van links komend verkeer - Grenzen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.2 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - DAAD - Misdrijf Vrije woorden: Het dubbel voorzichtig oprijden van een kruispunt - Aandacht van de bestuurder die voorrang van rechts dient te verlenen - Opmerken van het van links komend verkeer - Grenzen Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 12.2 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1254.N I
  2. J V D B, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Ayla Louwet, advocaat bij de balie Limburg,
  3. I J, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Sam Vanparijs, advocaat bij de balie Limburg,
  4. J V D B, in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon J V D B, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Ayla Louwet, advocaat bij de balie Limburg,
  5. I J, reeds vermeld, in haar hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon L C, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Sam Vanparijs, advocaat bij de balie Limburg, eisers, II
  6. J V D B, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  7. J V D B, reeds vermeld, in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van zijn minderjarige zoon J V D B, burgerlijke partij, eisers, beiden met als raadsman mr. Ayla Louwet, advocaat bij de balie Limburg, alle cassatieberoepen tegen C D, beklaagde, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 7 oktober
  8. De eiser I.1, I.3, II.1 en II.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres I.2 en I.4 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  9. Artikel 419 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat niemand een tweede maal cassatieberoep kan instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet.
  10. Het cassatieberoep II, ingesteld na het cassatieberoep I, is niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I.1 en I.3 Eerste middel
  11. Het middel voert miskenning aan van het recht van verdediging en de motiveringsplicht: het bestreden vonnis oordeelt dat de berekening van de snelheid van de verweerster in het verslag van de door het openbaar ministerie aangestelde verkeersdeskundige problematisch is op grond van de volgende reden: "Bij consultatie van terzake geldende vakliteratuur stelt de rechtbank vast dat wanneer er bij een ongeval sprake is van een projectie van een slachtoffer, dit betekent dat het aanrijdend voertuig al aan het remmen was op het ogenblik van de aanrijding. Bij afwezigheid van projectie van het slachtoffer, doet zich de situatie voor dat het slachtoffer gedragen wordt door het aanrijdend voertuig en er afrolt bij het inzetten van het remmen"; deze vakliteratuur heeft geen voorwerp uitgemaakt van een tegensprekelijk debat; evenmin kon de eiser zich daaraan verwachten of kon van hem worden verwacht over deze kennis te beschikken, temeer daar zelfs niet geweten is welke vakliteratuur wordt bedoeld; het enkele artikel dat het bestreden vonnis verderop vermeldt, komt niet in aanmerking als vakliteratuur; ook de verweerster zelf heeft het voormelde argument niet aangevoerd.
  12. Het bestreden vonnis verwerpt de bewijswaarde van het deskundigenverslag in zijn geheel omdat dit verslag meerdere onjuistheden bevat, waaronder de problematische aard van de snelheidsberekeningen, die het bestreden vonnis onder meer afleidt uit de door de appelrechters geconsulteerde vakliteratuur.
  13. Vervolgens bevestigt het bestreden vonnis op basis van de gegevens van het strafdossier, waarvan het oordeelt dat die absoluut voldoende toereikend, gedetailleerd en omstandig zijn om de beoordeling te maken, op burgerrechtelijk gebied de vrijspraak van de verweerster voor de feiten van de telastleggingen A (onopzettelijke doding verkeer) en B (snelheidsovertreding bedoeld in artikel 10.1.1°, Wegverkeersreglement) op grond van onder meer de volgende redenen: - de verkeerssituatie ter plaatse wordt geregeld door artikel 12.3.1, eerste lid, Wegverkeersreglement en dit betekent dat de verweerster voorrangsgerechtigd en het slachtoffer voorrangsplichtig was. Het slachtoffer kon enkel worden ont¬heven van deze voorrangsplicht indien de komst van de verweerster voor hem onvoorzienbaar was; - elke bestuurder had vóór het ongeval over een ruime afstand een nagenoeg onbelemmerd zicht op het kruispunt en op de weg waarop de andere bestuurder het kruispunt naderde; - de rechtbank leidt uit de gegevens van het strafdossier, de beschrijving van de plaatsgesteldheid door de verbalisanten en de aan het strafdossier gevoegde foto's af dat de verweerster in geen enkel geval onzichtbaar en onvoorzienbaar kon zijn voor het slachtoffer, zelfs niet indien zij een te hoge en dus onaangepaste snelheid zou hebben gevoerd; - ook de door de verweerster gevoerde snelheid leidde voor het slachtoffer niet tot een plots en onverwacht opdagen van haar voertuig; - de verweerster naderde het kruispunt waar zij zelf voorrangsplichtig was ten aanzien van het van rechts komende verkeer en zij diende dus ook de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen teneinde deze voorrangsplicht te kunnen vervullen; - uit de schadelokalisatie aan het voertuig van de verweerster leidt de rechtbank bovendien af dat de eerste impact van de aanrijding zich links vooraan aan dat voertuig situeerde, wat eens te meer bevestigt dat de verweerster al zichtbaar en voorzienbaar het kruispunt was genaderd en dat het slachtoffer het voertuig van de verweerster heeft aangereden en niet omgekeerd; - de conclusie van de deskundige dat het slachtoffer reeds het kruispunt zou zijn overgestoken indien de verweerster de toegelaten snelheid van 70 km/u had gerespecteerd, holt de voorrangsregel van artikel 12.3.1, eerste lid, Wegverkeersreglement uit aangezien de voorrangsplicht geldt ongeacht de rijwijze van de voorranghebbende tenzij zijn komst onvoorzienbaar is, wat niet het geval was. Op grond van die zelfstandige redenen, waartegen het middel niet opkomt, is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  14. Het middel voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het bestreden vonnis oordeelt dat er, anders dan vermeld door de deskundige, geen haag was die het wederzijdse zicht van de bestuurders vóór het ongeval belemmerde omdat de haag zich aan de overkant van het kruispunt bevindt; dat oordeel is gebaseerd op een verkeerde haag en dus manifest in strijd met de materialiteit van de feiten.
  15. Het middel dat formeel een motiveringsgebrek aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen het onaantastbare oordeel van het bestreden vonnis over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 12.2 Wegverkeersreglement, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: met de redenen over het voldoen aan de voorrangsplicht door de verweerster beantwoordt het bestreden vonnis niet eisers aanvoering dat de verweerster niet heeft voldaan aan haar verplichting het kruispunt met de nodige voorzichtigheid te naderen; die verplichting is ruimer dan enkel de mogelijkheid om aan de eigen voorrangsplicht te voldoen en zichtbaar dan wel voorzienbaar een kruispunt te naderen; die verplichting impliceert eveneens dat aandacht wordt geschonken aan al het verkeer, ook aan het verkeer vanuit een rijrichting waaraan in principe geen voorrang dient te worden verleend.
  17. Artikel 12.3.1, eerste lid, Wegverkeersreglement bepaalt dat elke bestuurder voorrang moet verlenen aan de bestuurder die van rechts komt, behalve indien hij op een rotonde rijdt of indien de bestuurder die van rechts komt uit een verboden rijrichting komt. Die verplichting om voorrang te verlenen heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers, op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is. De rechter kan aldus de voorrangsplichtige bestuurder enkel van alle aansprakelijkheid ontslaan door vast te stellen dat de gedragingen van de voorrangsgerechtigde bestuurder de voorrangsplichtige in zijn gerechtvaardigde verwachtingen hebben bedrogen en voor hem een onoverkomelijke dwaling hebben veroorzaakt.
  18. Artikel 12.2 Wegverkeersreglement bepaalt dat de bestuurder die een kruispunt oprijdt dubbel voorzichtig moet zijn ten einde alle ongevallen te voorkomen. Ook de bestuurder die voorrang van rechts geniet, moet die verplichting in acht nemen. Bijgevolg kan deze bestuurder, naargelang de omstandigheden, door het niet naleven van die verplichting bijdragen tot het verkeersongeval of de gevolgen ervan. Dergelijke aansprakelijkheid volgt echter nog niet uit het enkele feit dat hij zijn aandacht niet richt op van links komend verkeer en het daarom niet opmerkt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  19. In hun gezamenlijke appelconclusie hebben de eisers, op grond van het deskundigenverslag, aangevoerd dat de verweerster het kruispunt niet met de nodige voorzichtigheid heeft genaderd omdat zij de van links komende bromfietsers niet heeft opgemerkt ondanks het feit dat zij een onbeperkt zicht naar links had, terwijl het zicht van het van rechts komende verkeer zeer beperkt was.
  20. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel geeft het bestreden vonnis te kennen dat de verweerster niet heeft bijgedragen tot het verkeersongeval door het overtreden van artikel 12.2 Wegverkeersreglement. Aldus beantwoordt het eisers aanvoering en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  21. Het middel voert aan dat de appelrechters in de telastlegging A artikel 419 Strafwetboek verbeteren naar artikel 420 Strafwetboek, terwijl het slachtoffer het leven liet bij de aanrijding; bijgevolg was de oorspronkelijke telastlegging juist en is de verbetering onjuist.
  22. Met de bekritiseerde reden oordeelt het bestreden vonnis enkel dat in de telastlegging A dat de woorden "(art. 418-419 SWB)" dienen te worden verbeterd tot "(art. 418-420 SWB)". Die aanpassing heeft geen impact op de beslissing en kan bijgevolg de eiser niet grieven. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiseres I.2 en I.4 Eerste middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 12.3.1, eerste lid, Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis oordeelt zonder meer dat de voorrang van rechts geldt ongeacht de rijwijze van de voorrangsgerechtigde bestuurder; het beoordeelt niet of de verweerster dubbel voorzichtig was bij het naderen van het kruispunt; de voorrang is ondergeschikt aan de verplichting tot bijzondere voorzichtigheid.
  24. Het bestreden vonnis oordeelt niet dat de voorrang van rechts zonder meer geldt ongeacht de rijwijze van de voorrangsgerechtigde bestuurder. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.
  25. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het derde middel van de eiser en kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Tweede middel
  26. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat de verweerster in strijd met artikel 10.1.1°, Wegverkeersreglement een naar omstandigheden onaangepaste snelheid heeft gevoerd.
  27. Het bestreden vonnis oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel van de eiser en besluit dat er samengevat geen sluitend bewijs voorligt van de snelheid die de verweerster voerde noch van de onaangepastheid ervan waardoor de voorrangsplicht niet kon worden nagekomen. Aldus beantwoordt het bestreden vonnis het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 58,91 euro, waarvan de eisers I 29,46 euro zijn verschuldigd en de eisers II 29,45 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 9 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210209.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080625.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.