id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.2 Rolnummer: C.20.0095.N Zaak: MISSIONARISSEN VAN HET HEILIG HART vzw contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-12-17 Raadplegingen: 1124 - laatst gezien 2026-06-16 04:11 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.2 Fiche De ontvankelijkheid van een vordering inzake pacht en het recht van voorkoop is afhankelijk van een voorafgaande poging tot minnelijke schikking die ertoe strekt procedures te vermijden, zodat een louter verzoek tot oproeping met het oog op een minnelijke schikking niet volstaat en de eiser het resultaat van de poging tot minnelijke schikking dient af te wachten vooraleer tot dagvaarding over te gaan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Begrip. Aard van wetgeving Vrije woorden: Vordering inzake pacht en het recht van voorkoop - Verplichte voorafgaande oproeping met oog op een minnelijke schikking - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1345, eerste, tweede en derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor agrarisch recht [T.Agr.R.] - 2021, nr. 2, p. 99-
- - MEERSMAN, Jacqueline; Noot onder cassatie. Tekst van de beslissing Nr. C.20.0095.N MISSIONARISSEN VAN HET HEILIGE HART vzw, met zetel te 2140 Borgerhout, Te Boelaarlei 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0410.279.613, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen H. V. D. B., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerder woonplaats kiest. in aanwezigheid van STAD BREE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met zetel te 3960 Bree, Vrijthof 10, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0207.471.617, tot bindendverklaring opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, van 21 oktober
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 7 december 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF
- Krachtens artikel 1345, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt onder meer inzake pacht en het recht van voorkoop geen enkele vordering in rechte toegelaten indien de eiser niet vooraf aan de rechter een schriftelijk of mondeling verzoek heeft gedaan om de toekomstige verweerder op te roepen met het oog op een minnelijke schikking. Krachtens het tweede lid van dit artikel heeft dit verzoek, wat betreft de bij wet verleende termijnen, de gevolgen van een dagvaarding, op voorwaarde dat zij wordt uitgebracht binnen een maand na de datum van het proces-verbaal waaruit blijkt dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen. Krachtens het derde lid van dit artikel kan de rechter, gedurende de voorafgaande poging tot minnelijke schikking, op eigen initiatief of op verzoek van de partijen, het advies inwinnen van een technisch adviseur. Het in het eerste lid bepaalde voorschrift strekt ertoe procedures te vermijden. Uit voormelde bepalingen en de wetsgeschiedenis volgt dat de ontvankelijkheid van een vordering inzake pacht en het recht van voorkoop afhankelijk is van een voorafgaande poging tot minnelijke schikking. Een louter verzoek tot oproeping met het oog op een minnelijke schikking volstaat niet. De eiser dient het resultaat van de poging tot minnelijke schikking af te wachten vooraleer tot dagvaarding over te gaan.
- De appelrechter stelt vast dat: - op 20 februari 2003 de verweerder een verzoekschrift ter griffie van de vrederechter neerlegde om de eiseres op te roepen met het oog op een minnelijke schikking, gelet op de beweerde miskenning van zijn recht van voorkoop; - op 24 februari 2003 de verweerder om dezelfde reden is overgegaan tot dagvaarding van de eiseres teneinde te verschijnen op de inleidingszitting van de vrederechter op 3 april 2003; - op 28 februari 2003 de griffie van de vrederechter de eiseres heeft opgeroepen met het oog op een minnelijke schikking; - op 20 maart 2003 de poging tot minnelijke schikking heeft plaatsgevonden voor de vrederechter, met vermelding in het proces-verbaal dat de partijen niet tot een minnelijke schikking zijn gekomen.
- De appelrechter die vervolgens oordeelt dat de bij dagvaarding van 24 februari 2003 ingeleide vordering van de verweerder ontvankelijk is gelet op het in artikel 1345 Gerechtelijk Wetboek bedoelde voorafgaande verzoek tot oproeping met het oog op een minnelijke schikking, zonder vast te stellen dat ook de poging tot minnelijke schikking voorafgaandelijk heeft plaatsgevonden, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 12 februari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div