← België

C. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 Rolnummer: C.20.0048.N Zaak: C. contra E. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 2355 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.4 Fiche 1 De rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken of om een tussengeschil omtrent een dergelijke maatregel te regelen, neemt een beslissing alvorens recht te doen, ook al beslecht hij daarbij definitief een betwisting omtrent de voorafgaande maatregel

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Voorafgaande maatregel - Betwisting - Vonnis - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, en 875bis, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 2 - 4 De dwangsom is een indirect executiemiddel dat dient als financiële prikkel tot nakoming van de hoofdveroordeling en kan slechts accessoir aan die hoofdveroordeling worden opgelegd, zodat slechts samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing om accessoir aan een beslissing alvorens recht te doen een dwangsom op te leggen waarover betwisting bestaat
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Voorafgaande maatregel - Accessoir opgelegde dwangsom - Betwisting - Vonnis - Aard - Hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, 875bis, tweede lid, 1050, tweede lid, en 1385bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Voorafgaande maatregel - Accessoir opgelegde dwangsom - Betwisting - Vonnis - Aard - Hoger beroep Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, eerste en derde lid, 875bis, tweede lid, 1050, tweede lid, en 1385bis - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0048.N
  1. F. C.,
  2. I. V., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen O. E., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 november
  3. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 25 januari 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (...) Tweede middel Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.
  5. Artikel 875bis, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, wanneer de ontvankelijkheid van de vordering wordt betwist, een onderzoeksmaatregel slechts kan bevelen nadat de vordering ontvankelijk werd verklaard, behalve wanneer de maatregel betrekking heeft op het vervuld zijn van de aangevoerde ontvankelijkheidsvoorwaarde.
  6. De rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken of om een tussengeschil omtrent een dergelijke maatregel te regelen, neemt een beslissing alvorens recht te doen, ook al beslecht hij daarbij definitief een betwisting omtrent de voorafgaande maatregel.
  7. Artikel 1050, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.
  8. Artikel 1385bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter op vordering van één der partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan, onverminderd het recht op schadevergoeding indien daartoe gronden zijn.
  9. De dwangsom is een indirect executiemiddel dat dient als financiële prikkel tot nakoming van de hoofdveroordeling en kan slechts accessoir aan die hoofdveroordeling worden opgelegd.
  10. Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat slechts samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis hoger beroep kan worden ingesteld tegen een beslissing om accessoir aan een beslissing alvorens recht te doen een dwangsom op te leggen waarover betwisting bestaat.
  11. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eisers zich in hun conclusie voor de eerste rechter verzetten tegen de toekenning van de door de verweerder gevorderde dwangsommen omdat ze "tot op heden steeds uitvoering [hebben] gegeven aan hetgeen partijen zijn overeengekomen en/of door de Voorzitter van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel werd bevolen" en dat een "oneigenlijk gebruik van de figuur van de dwangsom" wordt gemaakt door onder andere de datum van het te vellen vonnis als uitgangspunt van de dwangsommen te nemen, de mededeling van niet nader omschreven stukken te eisen en uitermate korte termijnen op te leggen; - de eerste rechter oordeelt dat de eiser een kopie van elk in het schriftelijk verzoek van de gerechtsdeskundige nader omschreven stuk in verband met de bedoelde gebouwen en werken moet overmaken onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per ontbrekend document, zonder dat dwangsommen kunnen verbeuren boven een bedrag van 100.000 euro. Hieruit blijkt dat de eerste rechter accessoir aan een beslissing alvorens recht te doen een dwangsom oplegt waarover betwisting bestond, zonder dat de betwisting betrekking heeft op de ontvankelijkheid.
  12. De appelrechter die oordeelt dat "de bestreden beslissing in kwestie [...] geen eindbeslissing [is], waartegen hoger beroep is toegelaten" omdat "noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 juni 2019, noch uit de motivering van de bestreden beslissing, noch uit de beslissing zelf kan worden afgeleid dat de eerste rechter zijn rechtsmacht over een bepaald punt uitputte", miskent geen van voormelde wetsbepalingen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 304,28 euro, met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro, en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 12 februari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210212.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210212.1N.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210611.1N.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220916.1N.9 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.7 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260416.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.