id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.14 Rolnummer: P.20.1236.N Zaak: F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 942 - laatst gezien 2026-06-19 05:10 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een inrij van eigendommen in de zin van 25.1.3°, Wegverkeersreglement is elke inrit voor drie- of meerwielige voertuigen die uiterlijk als dusdanig voorkomt en waarneembaar is
(1).
(1)Cass. 16 november 1993, AR nr. 6752, AC 1993, nr.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 25 Vrije woorden: Inrij van eigendommen - Begrip Fiches 2 - 3 Het misdrijf omschreven in artikel 4.4, eerste lid, Wegverkeersreglement dat bepaalt dat elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig dit moet verplaatsen zodra hij daartoe door een bevoegd persoon wordt aangemaand, is een aflopend misdrijf dat is voltrokken indien de bestuurder geen gevolg geeft aan de aanmaning; het misdrijf vereist niet dat meerdere aanmaningen worden gegeven en het strafbaar karakter van het misdrijf verdwijnt niet indien de bestuurder, na eerst te weigeren aan een aanmaning gevolg te geven, alsnog aan de aanmaning voldoet. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 4 Vrije woorden: Bevelen van de bevoegde overheid - Aflopend misdrijf - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Vrije woorden: Artikel 4 Wegverkeersreglement - Bevelen van de bevoegde overheid - Aflopend misdrijf - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.1236.N A. F., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Masson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 9 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM, artikel 12 Grondwet en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis verwerpt ten onrechte eisers middel dat hij door de verbalisanten werd opgesloten zonder de mogelijkheid een raadsman te raadplegen; het oordeelt ten onrechte dat dit middel geen betrekking heeft op de ten laste gelegde feiten; door eisers opsluiting had hij immers geen toegang tot een raadsman en werden hem zijn rechten bepaald in artikel 47bis Wetboek van Strafvordering niet meegedeeld.
- In zoverre het middel opkomt tegen het handelen van de verbalisanten en dus niet tegen het bestreden vonnis, is het niet ontvankelijk.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een vrijheidsberoving van een beklaagde en de daarmee verbonden rechten, verband houden met de feiten van een aangebrachte strafvordering. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Het bestreden vonnis oordeelt met verwijzing naar de gegevens van het strafdossier dat de eiser niet van zijn vrijheid werd beroofd wegens de hem ten laste gelegde verkeersinbreuken, maar bestuurlijk werd aangehouden op grond van openbare dronkenschap, waarbij hij een gevaar voor zichzelf en anderen vormde. Op grond van die redenen kan het bestreden vonnis wettig oordelen dat de aangevoerde miskenning van eisers rechten geen betrekking heeft op de feiten van de telastleggingen die ter beoordeling van de rechtbank voorliggen en kan het dit verweer als niet ter zake dienend afwijzen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 47bis Wetboek van Strafvordering kan slechts zijn geschonden wegens het niet-naleven van de bij een verhoor in acht te nemen formaliteiten, indien een verdachte daadwerkelijk werd verhoord. Indien hij niet werd verhoord, kan deze bepaling niet zijn geschonden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 25.1.3°, Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis stelt vast dat artikel 25.3 Wegverkeersreglement een resem omstandigheden vermeldt, alhoewel die wetsbepaling niet bestaat; het oordeelt ten onrechte dat de inbreuk te parkeren voor een inrit is aangetoond; er bestaat immers betwisting of het wel een inrit was; er is geen nummerplaat aangebracht van een voertuig dat er wel zou mogen staan; het bestreden vonnis is op grond van de politionele vaststellingen onvolledig gemotiveerd, aangezien er geen nazicht is gebeurd of het werkelijk een garage betreft; zelfs het voetpad was niet verlaagd.
- Uit het bestreden vonnis blijkt dat de eiser wordt vervolgd wegens de telastlegging A om als bestuurder van een voertuig te hebben geparkeerd voor de inrij van een eigendom terwijl zijn inschrijvingsteken niet leesbaar op de inrij was aangebracht, zijnde een inbreuk op artikel 25.1.3°, Wegverkeersreglement en artikel 29, § 2, Wegverkeerswet. Het bestreden vonnis veroordeelt hem ook voor de aldus omschreven telastlegging. De vermelding van "Artikel 25.3 Wegcode" bij de bespreking van deze telastlegging in het overwegend gedeelte van het bestreden vonnis betreft een materiële verschrijving, die het Hof vermag te lezen als artikel 25.1.3°, Wegverkeersreglement. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Een inrij van eigendommen in de zin van artikel 25.1.3°, Wegverkeersreglement is elke inrit voor drie- of meerwielige voertuigen die uiterlijk als dusdanig voorkomt en waarneembaar is.
- Het staat aan de rechter te oordelen of op grond van de feitelijke omstandigheden een bestuurder van een voertuig heeft geparkeerd voor een dergelijke inrit. In zoverre het middel opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 29 en 38 Wegverkeerswet en artikel 4.4, eerste lid, Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser ten onrechte voor de telastlegging B, aangezien hij uiteindelijk wel degelijk gevolg heeft gegeven aan het bevel van de verbalisanten.
- Artikel 4.4, eerste lid, Wegverkeersreglement bepaalt dat elke bestuurder van een stilstaand of geparkeerd voertuig dit moet verplaatsen zodra hij daartoe door een bevoegd persoon wordt aangemaand. Dit misdrijf is een aflopend misdrijf dat is voltrokken indien de bestuurder geen gevolg geeft aan de aanmaning. Het misdrijf vereist niet dat meerdere aanmaningen worden gegeven en het strafbaar karakter van het misdrijf verdwijnt niet indien de bestuurder, na eerst te weigeren aan een aanmaning gevolg te geven, alsnog aan de aanmaning voldoet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt als volgt: - volgens de vaststellingen van de verbalisanten hebben zij de eiser herhaaldelijk aangemaand zijn voertuig te laten verplaatsen door een nuchter persoon met een rijbewijs, maar ging de eiser in discussie met de verbalisanten over het al dan niet foutief geparkeerd zijn van zijn voertuig en weigerde hij zijn voertuig te verplaatsen; - hij bleef dit weigeren, zelfs nadat de verbalisanten hem hadden meegedeeld dat zij in dat geval waren gedwongen het voertuig te laten takelen; - uiteindelijk werd er een takelwagen gevorderd, waarop de eiser op intimiderende wijze en met steun van een vriend bleef herhalen dat hij niet zou toestaan dat zijn voertuig zou worden getakeld en dat hij dit niet wilde verplaatsen; - de eiser heeft uiteindelijk zijn voertuig laten verplaatsen door een buurtbewoner, die tussenkwam om de gemoederen te bedaren en op hem had ingesproken om hem tot rede te brengen. Met die redenen verantwoordt het bestreden vonnis de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten van de telastlegging B naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis neemt de grief van het openbaar ministerie in aanmerking alhoewel dat die onnauwkeurig is aangeduid; de eiser werd aldus verschalkt doordat pas op de rechtszitting een strafverzwaring is gevraagd; het is niet de bedoeling van artikel 204 Wetboek van Strafvordering dat partijen elkaar zouden kunnen verschalken met onduidelijke grieven.
- De appelrechters kunnen beslissen zoals met het bestreden vonnis werd beslist op grond van eisers hoger beroep. De aangevoerde onwettigheid van de beslissing over het hoger beroep van het openbaar ministerie kan de eiser dan ook niet grieven. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 16 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div