id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210202.2N.13 Rolnummer: P.20.1191.N Zaak: K. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 1192 - laatst gezien 2026-06-19 05:11 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210216.2N.15 Fiches 1 - 4 Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 425, § 1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, moet ook een partij die zelf advocaat is en zelfs als die houder is van het getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures in strafzaken, een beroep doen op een ander advocaat houder van het bedoelde getuigschrift om cassatieberoep in strafzaken in te stellen en om zijn middelen in een door die advocaat ondertekende memorie aan te voeren aangezien alleen van een dergelijk advocaat kan worden verwacht dat hij, zonder zelf in de zaak enig belang te hebben dat zijn perceptie over de feiten en het recht kan vertekenen, met voldoende afstand en terughoudendheid cassatiemiddelen kan aanvoeren met een redelijke kans op slagen en deze verplichting dient gelet op de bijzondere aard en de rol van het Hof van Cassatie in strafzaken, een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling en die verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doel
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikelen 425, § 1 en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering - Doelstelling - Draagwijdte - Partij die advocaat is - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Partij die advocaat is - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Memorie - Partij die advocaat is - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Cassatieberoep in strafzaken - Partij die advocaat is - Voorziening in cassatie en memorie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 5 - 7 Advocaten bij het Hof, die ministerieel ambtenaar zijn, kunnen in de gevallen waarin hun tussenkomst wettelijk is vereist, cassatieberoepen of daarmee verband houdende geschriften ondertekenen “op vordering en concept”; in strafzaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof niet vereist en is de advocaat geen ministerieel ambtenaar, zodat hij niet de hoedanigheid heeft om een memorie te ondertekenen “op vordering en concept” en de ondertekening van een memorie 'op vordering en concept' door een advocaat bij het Hof voldoet niet aan de door de artikelen 425, §1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering vereiste noodzaak houder te zijn van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken om cassatieberoep in te stellen in strafzaken en middelen aan te voeren in een memorie
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikelen 425, § 1 en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering - Doelstelling - Advocaat bij het Hof - Ondertekening van een memorie op vordering en concept - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Memorie - Advocaat bij het Hof - Ondertekening van de memorie op vordering en concept - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE Vrije woorden: Cassatieberoep in strafzaken - Memorie - Ondertekening van de memorie op vordering en concept - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 425, § 1, en 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 8 Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dient de eiser in cassatie zijn memorie in te dienen binnen twee maanden na het instellen van het cassatieberoep en in elk geval vijftien dagen vóór de rechtszitting en deze termijnen zijn noodzakelijk opdat de tegenpartij verweer zou kunnen voeren, de advocaat-generaal en het Hof voldoende tijd zouden hebben voor het onderzoek van de middelen en het Hof binnen een redelijke termijn uitspraak zou kunnen doen; de termijnbepaling, waarvan de niet-naleving wordt gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de memorie, dient een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling en de verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doel
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Memorie - Doelstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 9 Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken moet worden ingediend binnen de door artikel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen om een memorie in te dienen en die termijnvereiste getuigt niet van een excessief formalisme maar beoogt een efficiënte behandeling binnen een redelijke termijn en is dan ook verantwoord door de eis van een behoorlijke rechtsbedeling
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Termijn - Doelstelling Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 10 - 11 De vereiste van de tussenkomst van een gespecialiseerde advocaat voor het instellen van cassatieberoep in strafzaken en het indienen van memories, gelet op het technisch en specifiek karakter van de procedure voor het Hof, geldt ook voor een valsheidsvordering die ter gelegenheid van een cassatieberoep in strafzaken wordt ingesteld en een dergelijke vordering is dan ook slechts ontvankelijk als ze is ondertekend door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures; de ondertekening van een valsheidsvordering door een advocaat bij het Hof “op vordering en concept” voldoet niet aan de vereiste van ondertekening door een advocaat houder van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Ondertekening op vordering en concept door een advocaat bij het Hof - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Ondertekening op vordering en concept door een advocaat bij het Hof - Draagwijdte - Gevolg Fiche 12 Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken is slechts ontvankelijk wanneer de van valsheid betichte stukken niet van valsheid konden worden beticht voor de feitenrechter in hoogste aanleg en ze is evenmin ontvankelijk indien de valsheidsvordering werd voorgelegd aan de feitenrechter in hoogste aanleg die ze heeft beoordeeld; deze voorwaarden getuigen niet van een excessief formalisme maar houden verband met de bijzondere rol van het Hof van Cassatie als instantie wiens wezenlijke taak bestaat in de beoordeling van de wettigheid van in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissingen en die niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt en zij zijn verantwoord door de eis van een behoorlijke rechtsbedeling
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: BETICHTING VAN VALSHEID Vrije woorden: Indiening van een valsheidsvordering als incident bij een cassatieberoep - Ontvankelijkheid - Voorwaarden - Voorlegging aan de feitenrechter in hoogste aanleg - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.1191.N A. A. J. G. K., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Willy Huber, advocaat bij de balie Antwerpen, tevens vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen K. V.B., burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8700 Tielt, Hoogstraat 34, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 november 2020, gewezen op verwijzing bij arrest van het Hof van 12 maart 2019. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Zij heeft tevens een geschrift met als titel "memorie van wederantwoord" ingediend. De eiseres heeft op 1 februari 2021 een akte houdende valsheidsvordering neergelegd ter griffie van het Hof. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiseres heeft op 4 februari 2021 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot, met als titel "memorie van antwoord op de mondelinge conclusie van (
- de)advocaat-generaal" ingediend. Op de rechtszitting van 9 februari 2021 heeft de eiseres een akte van wraking ingediend tegen advocaat-generaal Alain Winants. Dit wrakingsverzoek werd bij arrest van het Hof van 16 februari 2021 verworpen. Op de rechtszitting van 16 februari 2021 werd de eiseres gehoord in haar toelichting bij de door haar op 4 februari 2021 ingediende noot en in haar opmerkingen betreffende de conclusie van de advocaat-generaal. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot 1. Uit artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, dat volgens artikel 432 Wetboek van Strafvordering van toepassing is in strafzaken, volgt dat de eiser in cassatie in een noot kan reageren op de conclusie van het openbaar ministerie. Die noot mag geen nieuwe middelen bevatten. Een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot kan dus geenszins dienen om middelen die zijn opgenomen in een memorie die onontvankelijk is, alsnog ter beoordeling aan het Hof voor te leggen. 2. In zoverre de antwoordnoot van de eiseres middelen bevat die de grenzen van een antwoord op de mondelinge conclusie van de advocaat-generaal te buiten gaan, is ze niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 3. De verweerster werpt op dat het cassatieberoep van de eiseres niet ontvankelijk is omdat de eiseres geen advocaat meer is. 4. Volgens artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering moet het cassatieberoep in strafzaken behoudens in hier niet toepasselijke gevallen worden ingesteld door het afleggen van een verklaring ter griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III, van het Wetboek van Strafvordering. 5. Uit de verklaring van cassatieberoep blijkt dat het cassatieberoep namens de eiseres is ingesteld door mr. Willy Huber, advocaat bij de balie Antwerpen, houder van een getuigschrift van een opleiding van cassatieprocedures in strafzaken, zoals vereist door artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering. Dat de memorie met de cassatiemiddelen niet is ondertekend door een advocaat, houder van het bedoelde getuigschrift, belet niet dat aan de vereiste van artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering voor het instellen van het cassatieberoep is voldaan. Het cassatieberoep is ontvankelijk. 6. Daaruit volgt dat het Hof voor wat betreft de beslissing op de strafvordering en dit ongeacht de ontvankelijkheid van de door de eiseres ingediende geschriften, ambtshalve zal onderzoeken of de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing overeenkomstig de wet is gewezen. Ontvankelijkheid van de door of namens de eiseres ingediende geschriften 7. De eiseres heeft een door haar zelf ondertekend geschrift met als titel "memorie" ter griffie van het Hof ingediend (hierna memorie). De memorie werd ontvangen ter griffie van het Hof op 11 januari 2021. 8. Het Hof meent uit de memorie te kunnen begrijpen dat de eiseres betreffende de ontvankelijkheid ervan samengevat het volgende aanvoert: - zij is van beroep advocaat en zij treedt namens zichzelf op en heeft deze me-morie ondertekend bij toepassing van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 11 februari 2014 in de zaak van Masirevic tegen Servië. Zij leidt uit dat arrest af dat zij wel degelijk in haar eigen zaak mag optreden en dat anders een schending voorligt van artikel 6.1 EVRM; - zij is sinds februari 1999 advocaat aan de balie Brussel en werd zonder kennisgeving, onderzoek of proces in februari 2014 van het tableau geschrapt. Een advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie zou hebben bevestigd dat zij haar beroepstitel zou mogen blijven gebruiken; - uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de toegang tot de rechter niet mag worden belemmerd door overdreven formalisme en door regels die niet kunnen worden verantwoord door de vereiste van rechtszekerheid en behoorlijke rechtsbedeling; - zij beroept zich op het principe "nood breekt wet", alsook op het proportionaliteitsbeginsel: uit de door haar ingediende strafklacht BR.53.98.1592-17/D1 blijkt dat zij alles heeft gedaan om een advocaat te vinden, maar dat advocaten die haar willen verdedigen worden afgedreigd om dit niet te doen. 9. Ter griffie van het Hof is op 29 januari 2021 een geschrift met als titel "memorie van wederantwoord" ontvangen (hierna memorie van wederantwoord). Volgens de memorie van wederantwoord wordt de eiseres bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof. Hij blijkt de memorie van wederantwoord te hebben ondertekend "op vordering en concept". In de memorie van wederantwoord zijn de zes middelen die de eiseres in de memorie heeft aangevoerd opgenomen en bovendien is een afschrift van deze memorie als bijlage gevoegd. In de memorie van wederantwoord herhaalt de eiseres haar standpunt betreffende ontvankelijkheid van de door haar of namens haar ingediende geschriften. Zij voert ook aan dat mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof, bereid is gevonden de memorie van wederantwoord op vordering en concept te ondertekenen, waardoor de in de memorie opgenomen middelen worden geregulariseerd en het Hof verplicht is ze te beantwoorden. 10. Volgens de artikelen 425, § 1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan het cassatieberoep in strafzaken, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, slechts worden ingesteld door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III van het Wetboek van Strafvordering en kan de eiser in cassatie zijn middelen slechts aanvoeren in een memorie die door een dergelijke advocaat is ondertekend. 11. Met die verplichting wilde de wetgever vermijden dat cassatieberoepen in strafzaken te lichtzinnig zouden worden ingesteld en memories met cassatiemiddelen te lichtzinnig zouden worden ingediend. Van een advocaat, houder van het getuigschrift, wordt verwacht dat hij de partijen die cassatieberoep in strafzaken wensen in te stellen en die een memorie wensen in te dienen, wijst op het specifieke karakter van het cassatieberoep en de bijzondere taak die de grondwetgever aan het Hof van Cassatie heeft opgedragen als instantie die de wettigheid van de bestreden rechterlijke beslissing toetst zonder in de beoordeling van de feiten zelf te treden. Er werd beoogd dat aan het Hof enkel goed gestructureerde en juridisch onderbouwde cassatiemiddelen zouden worden voorgesteld en het Hof zich niet zou moeten inlaten met quasi kansloze cassatiemiddelen. 12. Ook een partij die zelf advocaat is en zelfs als hij houder is van het bedoelde getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures in strafzaken, moet een beroep doen op een ander advocaat houder van het bedoelde getuigschrift. Alleen van een dergelijk advocaat kan worden verwacht dat hij, zonder zelf in de zaak enig belang te hebben dat zijn perceptie over de feiten en het recht kan vertekenen, met voldoende afstand en terughoudendheid cassatiemiddelen kan aanvoeren met een redelijke kans op slagen. 13. De uit de artikelen 425, § 1, en 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting dat elkeen, ook een advocaat indien hij partij en dus belanghebbende is in een strafzaak, zich voor het indienen van een cassatiememorie in strafzaken, moet laten bijstaan door een ander advocaat die houder is van het bedoelde getuigschrift, dient zoals hierboven uiteengezet gelet op de bijzondere aard en de rol van het Hof van Cassatie in strafzaken, een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling. Die verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doel. 14. Advocaten bij het Hof, die ministerieel ambtenaar zijn, kunnen in de gevallen waarin hun tussenkomst wettelijk is vereist, cassatieberoepen of daarmee verband houdende geschriften ondertekenen "op vordering en concept". In strafzaken is de tussenkomst van een advocaat bij het Hof evenwel niet vereist en is de advocaat geen ministerieel ambtenaar, zodat hij niet de hoedanigheid heeft om een memorie te ondertekenen "op vordering en concept". Bovendien wijst de ondertekening "op vordering en concept" erop dat de advocaat de memorie zelf niet heeft opgesteld, zodat niet vaststaat dat hij zich de inhoud ervan eigen heeft gemaakt. Dit is niet bestaanbaar met de voormelde doelstelling van de wet, namelijk dat de ondertekenende advocaat weloverwogen instemt met de inhoud van de memorie en die tot de zijne maakt. 15. Volgens artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dient de eiser in cassatie zijn memorie in te dienen binnen de twee maanden na het instellen van het cassatieberoep en in elk geval vijftien dagen vóór de rechtszitting. Deze termijnen zijn noodzakelijk opdat de tegenpartij verweer zou kunnen voeren, de advocaat-generaal en het Hof voldoende tijd zouden hebben voor het onderzoek van de middelen en het Hof binnen een redelijke termijn uitspraak zou kunnen doen. Deze termijnen zijn dwingend en de partijen in de cassatieprocedure kunnen er niet bij onderling akkoord, dat bovendien in deze zaak niet blijkt, van afwijken. De termijnbepaling, waarvan de niet-naleving wordt gesanctioneerd met de niet-ontvankelijkheid van de memorie, dient een wettig doel, namelijk een behoorlijke rechtsbedeling en de verplichting is niet disproportioneel met het beoogde doel. 16. Uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres op het ogenblik van het indienen van haar memorie de hoedanigheid van advocaat had. Het staat aan de eiseres, indien haar hoedanigheid van advocaat wordt betwist, het bewijs te leveren van die hoedanigheid. Uit de loutere bewering van de eiseres dat zij nog steeds advocaat zou zijn, blijkt het tegendeel niet. 17. Verder volgt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, dat: - de eiseres, die in de voorliggende zaak wordt vervolgd om naar aanleiding van een rechtszaak aan een gerechtsgebouw aan een advocaat opzettelijk slagen te hebben toegebracht, tijdens de diverse fasen van de procedure reeds op meerdere advocaten van verschillende balies een beroep heeft gedaan; - alle door de eiseres gecontacteerde advocaten de verdediging van de eiseres uiteindelijk niet verder wensten op zich te nemen; - ook de raadsman die namens de eiseres het cassatieberoep heeft ingesteld, voor haar geen memorie wenste in te dienen en dit ondanks haar klaarblijkelijk aandringen; - de eiseres tegen talrijke personen - onder meer advocaten, magistraten en politiemensen - die haar eigen lezing en interpretatie van de feiten en het recht niet bijtreden - klacht heeft ingediend en dat aan al die klachten welke volgens de eiseres zouden zijn gegroepeerd in een dossier BR.53.98.1592-17/D1 volgens haar ten onrechte geen gevolg is gegeven. 18. De stelling van de eiseres dat er wel degelijk advocaten zijn die haar willen verdedigen, maar dat zij onder bedreiging dit niet willen doen, blijft beperkt tot een blote bewering waarvoor geen feitelijk gegeven wordt bijgebracht waardoor die bewering ook maar enigszins aannemelijk wordt gemaakt. Het Hof kan dan ook niet anders dan vaststellen dat geen enkele advocaat de verdediging van de eiseres, zoals zij die ziet en met een eigen interpretatie van de feiten en het recht, op zich heeft willen nemen. 19. De door de eiseres voorgehouden onmogelijkheid om een advocaat houder van het bedoelde getuigschrift bereid te vinden om namens haar een memorie in te dienen, is een gevolg van haar eigen handelen en kan in de vermelde omstandigheden dan ook niet worden beschouwd als overmacht. Anders oordelen zou de doelstelling van de wetgever uithollen dat cassatiemiddelen in strafzaken enkel kunnen worden aangevoerd door een advocaat die daartoe een opleiding heeft gevolgd en die in volle onafhankelijkheid de slaagkansen van die middelen heeft beoordeeld. 20. De omstandigheid dat het Hof de door eiseres zelf ingestelde vorderingen tot onttrekking van strafzaken wegens gewettigde verdenking niet ontvankelijk heeft verklaard, laat niet toe anders te oordelen. Voor deze buitengewone procedure heeft de wetgever immers niet de verplichte bijstand van een advocaat houder van een getuigschrift voorgeschreven. 21. De memorie van de eiseres, die enkel door haar is ondertekend en waarvan niet blijkt dat ze is ingediend door een advocaat houder van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures, is niet ontvankelijk. 22. De namens de eiseres ingediende memorie van wederantwoord, in de mate dat die een herhaling of recuperatie inhoudt van de cassatiemiddelen die de eiseres tegen het arrest heeft aangevoerd in de memorie, is ingediend buiten de door artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen. Zij is dan ook wegens laattijdigheid niet ontvankelijk. 23. Bovendien stelt het Hof vast dat die memorie van wederantwoord ook niet ontvankelijk is aangezien die niet is ondertekend door een advocaat die houder is van het getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken of die geacht wordt daarover te beschikken. De ondertekening door een advocaat bij het Hof "op vordering en concept" is geen ondertekening die voldoet aan die vereiste. De door de eiseres voor het Hof geformuleerde valsheidsvordering 24. De eiseres heeft op 1 februari 2021 ter griffie van het Hof een valsheidsvordering ingediend. De vordering is ondertekend door de eiseres zelf en door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof, die heeft getekend "op vordering en op concept". Deze vordering blijkt op 28 januari 2021 te zijn betekend aan de verweerster. Volgens dit geschrift stelt zij de valsheidsvordering in tegen nader aangeduide stukken in het strafdossier dat heeft geleid tot het arrest waartegen zij cassatieberoep heeft ingesteld en stukken die zij daarmee in verband brengt. 25. Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken moet worden ingediend binnen de door artikel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen om een memorie in te dienen Die termijnvereiste getuigt niet van een excessief formalisme maar beoogt een efficiënte behandeling binnen een redelijke termijn. Ze is dan ook verantwoord door de eis van een behoorlijke rechtsbedeling. 26. De eiseres heeft de valsheidsvordering ingediend buiten die termijn. 27. De vereiste van de tussenkomst van een gespecialiseerde advocaat voor het instellen van cassatieberoep in strafzaken en het indienen van memories, gelet op het technisch en specifiek karakter van de procedure voor het Hof zoals hierboven uiteengezet, geldt ook voor een valsheidsvordering die ter gelegenheid van een cassatieberoep in strafzaken wordt ingesteld. Een dergelijke vordering is dan ook slechts ontvankelijk als ze is ondertekend door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures. 28. De door de eiseres geformuleerde valsheidsvordering is door haarzelf ondertekend, alsook door een advocaat bij het Hof, die ze heeft getekend "op vordering en concept". Zoals hierboven met betrekking tot de memorie van wederantwoord is uiteengezet, voldoet een dergelijke ondertekening niet aan de vereiste van ondertekening door een advocaat houder van een getuigschrift van cassatieprocedures in strafzaken. 29. Een valsheidsvordering die wordt geformuleerd als een incident bij een cassatieberoep in strafzaken is slechts ontvankelijk wanneer de van valsheid betichte stukken niet van valsheid konden worden beticht voor de feitenrechter in hoogste aanleg. Ze is evenmin ontvankelijk indien de valsheidsvordering werd voorgelegd aan de feitenrechter in hoogste aanleg en die ze heeft beoordeeld. Ook die voorwaarden getuigen niet van een excessief formalisme maar houden verband met de bijzondere rol van het Hof van Cassatie als instantie wiens wezenlijke taak bestaat in de beoordeling van de wettigheid van in laatste aanleg gewezen rechterlijke beslissingen en dat niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt. Ook die voorwaarde is verantwoord door de eis van een behoorlijke rechtsbedeling. 30. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar verweer voor het hof van beroep te Antwerpen sommige van de stukken die zij thans van valsheid beticht, ook als vals heeft aangemerkt en dat het door dit hof van beroep gewezen arrest dit verweer heeft ontmoet. 31. Voor de overige stukken die in de voor het Hof geformuleerde valsheidsvordering van valsheid worden beticht, blijkt niet dat de eiseres voor het hof van beroep te Antwerpen een valsheidsvordering heeft ingediend. 32. Het Hof ziet geen redenen waarom de eiseres voor het hof van beroep te Antwerpen deze thans van valsheid betichte stukken, niet van valsheid had kunnen betichten. Haar bewering dat zij deze stukken voor de feitenrechter in hoogste aanleg niet efficiënt kon betwisten omdat haar een onderzoek werd geweigerd door elk parket in het Nederlandstalig taalgebied kan onmogelijk een verantwoording bieden voor de afwezigheid van een valsheidsvordering voor de feitenrechter in hoogste aanleg voor de bedoelde stukken. 33. De valsheidsvordering van de eiseres is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 34. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de valsheidsvordering. Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.15 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210216.2N.15 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210518.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230103.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div