id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.5 Rolnummer: P.20.1097.N Zaak: S. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 957 - laatst gezien 2026-06-17 17:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De artikelen 15 en 813 Gerechtelijk Wetboek zijn in de regel niet van toepassing voor de strafrechter. Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: Strafzaken - Vrijwillige of gedwongen tussenkomst - Toepasselijke wetsbepalingen - Draagwijdte Fiche 2 In strafzaken is de vrijwillige of gedwongen tussenkomst van een derde voor de strafrechter alleen ontvankelijk op voorwaarde dat een bijzondere wet zulks uitdrukkelijk bepaalt of dat de wet de strafrechter uitzonderlijk bevoegd maakt om een veroordeling, sanctie of enige andere maatregel tegen een derde uit te spreken
(1); uit geen enkele wetsbepaling volgt dat een tussenkomst in strafzaken mogelijk is op basis van een onderling afgesloten beheersovereenkomst.
(1)Cass. 14 december 2010, AR P.10.622.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.6, AC 2010, nr.
- Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: Strafzaken - Vrijwillige of gedwongen tussenkomst - Onderling afgesloten beheersovereenkomst - Ontvankelijkheid - Voorwaarde Tekst van de beslissing Nr. P.20.1097.N I K. S., vrijwillig tussengekomen partij, eiser, met als raadsman mr. Joost Peeters, advocaat bij de balie Antwerpen, II V. M. E. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joost Peeters, advocaat bij de balie Antwerpen, beide cassatieberoepen tegen
- E. V. O., burgerlijke partij,
- C. T., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep Brussel, correctionele kamer, van 13 oktober
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan, die gelijkluidend zijn met de laatste zes middelen van de eiser I. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
- Artikel 416 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat partijen slechts cassatieberoep kunnen instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang hebben.
- Een cassatieberoep kan enkel worden ingesteld door een procespartij en dit tegen de beschikkingen van de bestreden beslissing die op haar betrekking hebben. Hieruit volgt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep I een onderzoek van het eerste middel van de eiser I vereist. Ontvankelijkheid stukken
- De stukken ontvangen ter griffie van het Hof op 15, 18, 20, 22 en 26 januari 2021, die geen akte van afstand of van hervatting van het geding zijn, noch akten waaruit blijkt dat het cassatieberoep zonder voorwerp is geworden of noten als bedoeld in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek, zijn ingediend buiten de termijn bepaald in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en dus niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 15 en 813, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de tussenkomst van de eiser I ten onrechte niet ontvankelijk; de eiser I is door een familiale beheersovereenkomst aangesteld om het vermogen van de eiser II te beheren, zodat een veroordeling van de eiser II eveneens ten aanzien van hem wordt uitgesproken; aldus heeft de eiser I hoedanigheid en belang om tussen te komen in de procedure teneinde de rechten van de eiser II te beschermen.
- De artikelen 15 en 813 Gerechtelijk Wetboek zijn in de regel niet van toepassing voor de strafrechter. In zoverre het middel schending van die bepalingen aanvoert, faalt het naar recht.
- In strafzaken is de vrijwillige of gedwongen tussenkomst van een derde voor de strafrechter alleen ontvankelijk op voorwaarde dat een bijzondere wet zulks uitdrukkelijk bepaalt of dat de wet de strafrechter uitzonderlijk bevoegd maakt om een veroordeling, sanctie of enige andere maatregel tegen een derde uit te spreken.
- Uit geen enkele wetsbepaling volgt dat een tussenkomst in strafzaken mogelijk is op basis van een onderling afgesloten beheersovereenkomst. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De eiser I beschikt niet over de vereiste hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen tegen het arrest, dat zijn tussenkomst terecht niet ontvankelijk verklaart. Het cassatieberoep I is niet ontvankelijk. Overige middelen van de eiser I
- De middelen die geen verband houden met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep I, behoeven geen antwoord. Middelen van de eiser II Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 71 Strafwetboek: de appelrechters motiveren niet waarom zij van oordeel zijn dat er geen sprake is van dwang als schulduitsluitingsgrond, zoals aangevoerd door de eiser II.
- Het onderdeel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 71 Strafwetboek schendt. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Met verwijzing naar de vaststellingen van de gerechtsdeskundige oordeelt het arrest dat de eiser II op het ogenblik van het plegen van de ten laste gelegde feiten leed aan een persoonlijkheidsstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden ernstig aantastte. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters tevens waarom de eiser II zich in casu niet kan beroepen op dwang of overmacht, zoals bedoeld in artikel 71 Strafwetboek en beantwoorden zij het desbetreffende verweer van de eiser II. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters motiveren niet waarom er zich geen actualisering van het deskundigenverslag conform artikel 5, § 3, Interneringswet opdringt, hoewel de eiser II heeft aangevoerd dat het neergelegde verslag reeds dateert van 15 maart
- De appelrechters oordelen dat de eiser II geen enkel element aanbrengt op basis waarvan aannemelijk wordt gemaakt dat het neergelegde psychiatrisch verslag niet meer actueel zou zijn en zijn mentale toestand is gewijzigd. Zij geven aldus de redenen aan waarom zij een actualisering van dit verslag niet nodig achten en beantwoorden hiermee het voormelde verweer van de eiser II. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; de appelrechters stellen vast dat de eiser II voor de eerste rechter de materialiteit van de feiten van de telastleggingen A.1 en A.2 niet heeft betwist, terwijl het beroepen vonnis bepaalt dat de eiser II de hem ten laste gelegde feiten sub A1 en A2 ten onrechte betwist.
- Er is slechts tegenstrijdigheid van de motivering wanneer de redenen van eenzelfde vonnis of de redenen en het dictum van dat vonnis onderling tegenstrijdig zijn. De tegenstrijdigheid tussen de redenen van onderscheiden vonnissen levert geen tegenstrijdigheid van de motivering op. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de telastleggingen B en C bewezen zijn, maar laat na de hierbij toegepaste wetsbepalingen te vermelden.
- Aan de verplichting van de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering wordt voldaan door de uitspraak in hoger beroep die de aanwijzing van de toepasselijke wetsartikelen vermeld in het beroepen vonnis, overneemt. Geen wetsbepaling vereist dat de voor de bestraffing noodzakelijke aanwijzing van wetsartikelen vervolgens nogmaals in de uitspraak in hoger beroep zelf worden vermeld. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
- Het arrest verwijst uitdrukkelijk naar de wettelijke bepalingen vermeld in het beroepen vonnis. Aldus voldoet het aan de verplichting tot vermelding van de wetsartikelen die de feiten van de telastleggingen B en C strafbaar stellen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 9, § 1, Interneringswet: de appelrechters beoordelen eisers geestestoestand op basis van een psychiatrisch attest van 15 maart 2019; zij oordelen ten onrechte dat dit verslag nog steeds actueel is zodat een nieuw deskundigenonderzoek niet nodig is; uit voormeld artikel 9 volgt dat de beslissing tot internering moet worden gesteund op een actueel deskundigenverslag.
- Wanneer er redenen zijn om aan te nemen dat een persoon zich bevindt in een toestand bedoeld in artikel 9, § 1 Interneringswet, dan verplicht artikel 5, § 1, van die wet de rechter een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek te bevelen teneinde onder meer na te gaan of die persoon op het ogenblik van het deskundigenonderzoek leed aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden heeft tenietgedaan of ernstig heeft aangetast. Artikel 9, § 2, Interneringswet bepaalt dat de rechter beslist tot internering na uitvoering van een dergelijk forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek.
- De rechter die beschikt over een bestaand deskundigenverslag zoals bedoeld in artikel 5 Interneringswet, oordeelt onaantastbaar of dit verslag voldoende actuele informatie bevat om met kennis van zaken de geestestoestand van een inverdenkinggestelde of een beklaagde te beoordelen. Het onderdeel dat opkomt tegen dat onaantastbare oordeel van het arrest, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 9, § 1, Interneringswet, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest miskent het vermoeden van onschuld, ondanks het verweer dat de eiser II hierover in zijn appelconclusie heeft gevoerd.
- Artikel 9, § 1, Interneringswet omvat geen vermoeden van onschuld. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het onderdeel, dat het arrest geen gebrek aan antwoord op de appelconclusie van de eiser II verwijt, verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest het vermoeden van onschuld miskent. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 444 Strafwetboek.
- Het middel verduidelijkt in geen van zijn onderdelen hoe en waarom het arrest deze bepaling schendt. In zoverre is het middel in al zijn onderdelen onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 442bis, eerste lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat door het louter sturen van brieven de rust van de verweerders op ernstige wijze is aangetast; overlast is hiertoe niet voldoende; bij de beoordeling of er sprake is van een objectieve ernstige verstoring, moeten de appelrechters rekening houden met zowel de "belager" als het "slachtoffer", wat zij nalaten te doen.
- Het arrest oordeelt niet dat belaging kan gebeuren door het louter sturen van brieven, maar wel dat het versturen van brieven een vorm van belaging kan uitmaken wanneer dit herhaaldelijk gebeurt en dit gedrag de rust van het slachtoffer stoort. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 442bis Strafwetboek stelt strafbaar hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren. Deze bepaling bestraft degene die door niet-aflatende of steeds terugkerende gedragingen iemands persoonlijke levenssfeer ernstig aantast door hem op irritante wijze lastig te vallen, daar waar hij dit gevolg van zijn gedrag kende of had moeten kennen. Om als een ernstige verstoring van de rust in de zin van artikel 442bis Strafwetboek te worden aangemerkt, dient de zonder redelijke verantwoording aan het slachtoffer berokkende verstoring objectief als ernstig te worden beschouwd. De rechter mag zijn beoordeling op dit punt niet louter gronden op de gevolgen van het gedrag van de dader zoals die subjectief door het slachtoffer worden ervaren, maar moet rekening houden met de opvattingen ter zake van een normaal, voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden.
- Het staat aan de rechter om in feite te beoordelen of de rust van het slachtoffer door het gedrag van de dader effectief op ernstige wijze aangetast is. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit de door hem gedane vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- De appelrechters oordelen dat: - het herhaaldelijk versturen van brieven een vorm van belaging kan uitmaken wanneer dit de rust van het slachtoffer stoort; - deze ernstige rustverstoring kan worden gerealiseerd door het verspreiden van brieven over de geviseerde personen in hun omgeving, wat volgens de ver-klaringen van de verweerders het geval was; - niet blijkt dat de onsamenhangende brieven en documenten werden verstuurd in het kader van hangende procedures of werden ingegeven door daden van de verweerders; - de verweerders in het verleden al meermaals aan de eiser II hebben laten verstaan dat zijn handelwijze storend was en dat hij diende te stoppen; - de verweerders hiertoe verschillende procedures hebben gevoerd waarin de eiser II ook werd veroordeeld en hem onder meer het verbod werd opgelegd om hen nog enige brief te schrijven; - de eiser II aldus onmogelijk in de onwetendheid kan hebben verkeerd dat zijn gedrag voor overlast zorgde en zeer storend was; - de omstandigheid dat de eiser II in 1938 is geboren hieraan niets af doet en hiervoor geen verantwoording vormt. Met deze redenen oordelen de appelrechters naar recht dat er door het objectief belagend gedrag van de eiser II sprake was van een voldoende ernstige verstoring van de rust van de verweerders. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 442bis, eerste lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de feiten van belaging, vermeld in de telastlegging A, zijn bewezen; de appelrechters gaan enkel na of de rust van de verweerders werd verstoord en niet of de eiser II het besef had of diende te hebben van de gevolgen van zijn gedraging.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt. De appelrechters oordelen tevens dat de eiser II bij arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 februari 2014 reeds voor gelijkaardige feiten ten aanzien van dezelfde verweerders werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden met uitstel, zodat hij onmogelijk in de onwetendheid kan hebben verkeerd dat zijn gedrag voor overlast zorgde en zeer storend was. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; de appelrechters oordelen, enerzijds, dat de telastlegging A is bewezen, wat inhoudt dat de eiser II wist of moest weten dat de belaging de rust van de verweerders verstoorde; zij oordelen, anderzijds, bij de beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering dat toepassing dient te worden gemaakt van artikel 1386bis Oud Burgerlijk Wetboek, wat inhoudt dat de eiser II geen controle had over zijn daden.
- Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de eiser II het vereiste opzet had om het misdrijf van belaging te plegen en, anderdeels, dat hij door zijn geestesstoornis schuldonbekwaam is, met de toepassing van artikel 1386bis Oud Burgerlijk Wetboek tot gevolg. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: ondanks de met toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering opgelegde conclusiekalender, heeft het openbaar ministerie in de procedure voor de eerste rechter geen conclusie neergelegd; door deze weigering om deel te nemen aan een debat op tegenspraak werd tevens de procesgelijkheid en wapengelijkheid miskend.
- Noch artikel 6.1 EVRM noch artikel 152 Wetboek van Strafvordering verplicht het openbaar ministerie of enige andere partij om schriftelijk te concluderen indien een conclusiekalender is opgesteld. Dit houdt geen miskenning in van het recht van verdediging, noch van de wapengelijkheid. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest kent aan de verweerders een schadevergoeding toe zonder dat deze partijen het schadeverwekkend feit hebben bewezen.
- Uit het feit dat de strafrechter de ten laste gelegde feiten bewezen verklaart, volgt dat de schadeverwekkende handelingen waarop de burgerlijke partijen hun burgerlijke rechtsvorderingen steunen, vaststaan. Dit houdt geen schending in van artikel 6.1 EVRM noch miskenning van het vermoeden van onschuld. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 444 Strafwetboek: het arrest acht de telastlegging C ten onrechte bewezen; een loutere belediging valt niet onder het toepassingsgebied van dit artikel; het boek waarvan sprake in de telastlegging en zijn titel voldoen evenmin aan de hierin opgesomde toepassingsvoorwaarden.
- Bij toepassing van artikel 444, vijfde lid, Strafwetboek voldoet het bedoelde misdrijf aan de vereiste openbaarheid indien er sprake is van een gedrukt geschrift met beledigende inhoud dat wordt verspreid of openlijk tentoongesteld. Hierbij volstaat het dat dit document in één exemplaar is opgemaakt en ter kennis is gebracht van een andere persoon.
- De appelrechters die met het oordeel dat de telastlegging C is bewezen, vaststellen dat de eiser II bij het parket van de procureur des konings te Leuven een boek heeft neergelegd waarin de verweerder 2 wordt beledigd als zijnde "niet de hoerezoon van Satan, erger een man zonder ego", verantwoorden hun beslissing dat aan de voormelde openbaarheidsvereiste van artikel 444 Strafwetboek is voldaan, naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling dat de aantijgingen in het geschrift beledigend zijn, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom het de telastlegging C bewezen acht en laat na te antwoorden op de appelconclusie van de eiser II.
- Het onderdeel verduidelijkt niet welk middel van de eiser II het arrest onbeantwoord laat. In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, die de eiser II toelaten de beslissing te begrijpen, motiveren de appelrechters waarom zij de telastlegging C bewezen achten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser II een eerlijk proces heeft gekregen en dat zijn recht van verdediging niet werd miskend; in zijn appelconclusie heeft de eiser II verschillende onregelmatigheden opgesomd, die de vernietiging van het beroepen vonnis en zijn vrijspraak rechtvaardigden.
- In zoverre het middel eenzelfde strekking heeft als het eerste onderdeel van het vierde middel, is het om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit onderdeel te verwerpen.
- In zoverre gericht tegen het opsporingsonderzoek en de behandeling van de zaak door de eerste rechter, is het niet gericht tegen het arrest en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Voor het overige verduidelijkt het middel, dat het arrest geen gebrek aan antwoord op de appelconclusie van de eiser II verwijt, niet hoe en waarom het arrest de ingeroepen verdragsbepalingen schendt. In zoverre is het middel onnauwkeurig en bijgevolg evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 142,51 euro, waarvan eiser I 71,25 euro is verschuldigd, en eiser II 71,26 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 16 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div