← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.6 Rolnummer: P.20.1040.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Arbeidsrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 1117 - laatst gezien 2026-06-18 20:13 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Artikel 2.

  1. Zevende Aanvullend Protocol EVRM verbiedt niet dat tijdens de procedure in hoger beroep bijkomend onderzoek wordt gevoerd en dat het openbaar ministerie, net als elke andere partij, in hoger beroep aanvullende stukken bijbrengt betreffende de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een beklaagde; uit de omstandigheid dat tijdens de behandeling in hoger beroep van een strafzaak bijkomend onderzoek is gevoerd en nieuwe stukken worden overgelegd kan geen schending van artikel 6.1 of 6.3 EVRM of een miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Recht op dubbele aanleg - Bijkomend onderzoek - Invloed Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende aanvullend protocol EVRM - Artikel 2.1 - Vereiste van dubbele aanleg - Bijkomend onderzoek tijdens de procedure in hoger beroep - Invloed Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Bijkomend onderzoek tijdens de procedure in hoger beroep - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bijkomend onderzoek tijdens de procedure in hoger beroep - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Bijkomend onderzoek tijdens de procedure in hoger beroep - Gevolg Fiches 6 - 7 Uit de bepalingen van artikel 3, b), Richtlijn 2002/15/EG en artikelen 3.2.
  2. en 3.2.
  3. CAO 27 januari 2005 volgt dat de tijd die een tweede bestuurder van een voertuig doorbrengt tijdens de rit naast de bestuurder of in de slaapcabine, waardoor hij op elk ogenblik beschikbaar is om het besturen van een voertuig over te nemen, voor zover hem dat met inachtneming van de verplichte rij- en rusttijdens is toegestaan, en de tijd dat hij tijdens die verplichte rusttijden naast een andere chauffeur van een voertuig aanwezig moet zijn, geen tijd is waarover die bestuurder vrij beschikt en evenmin tijd die hij zichzelf toe-eigent. Thesaurus CAS: ARBEID - ARBEIDSTIJDEN EN RUSTTIJDEN Vrije woorden: Mobiele werkzaamheden in het wegvervoer - Beschikbaarheidstijd - Tweede bestuurder - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen - 11-03-2002 - Art. 3 - 46 Link Justel databank 20020311-46 Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Mobiele werkzaamheden in het wegvervoer - Arbeidstijd - Beschikbaarheidstijd - Tweede bestuurder - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen - 11-03-2002 - Art. 3 - 46 Link Justel databank 20020311-46 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1040.N
  4. R. V. R. beklaagde,
  5. TRANSPORT V. R. nv, met zetel te 3078 Kortenberg, Ballingstraat 1, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Philip Kempeneers, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 november 2016 (hierna het arrest I) en 22 september 2020 (hierna het arrest II). De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiseres 2
  6. Het arrest II oordeelt dat de eiseres 2 niet burgerrechtelijk aansprakelijk kan worden verklaard voor de aan de eiser 1 opgelegde geldboete. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep van de eiseres 2 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM en artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM: de arresten I en II oordelen ten onrechte dat het recht op een eerlijk proces van de eisers niet is miskend; het auditoraat-generaal heeft in hoger beroep de kans gekregen een nieuw onderzoek te voeren; bijkomend onderzoek werd gevoerd en bijkomende stukken werden neergelegd; de eisers werden in hoger beroep geconfronteerd met een volledig nieuw dossier bestaande uit 631 bijkomende pagina's; aldus verliezen de eisers hun recht op een eerlijk proces en hun recht op de behandeling door een hoger gerecht; het arrest oordeelt ten onrechte dat geen miskenning van het eerlijk proces en het recht van verdediging kan worden aangenomen; niet alle partijen hebben immers tijdig kennis gekregen van de bijgebrachte stukken en hebben hun verweer op die stukken niet zowel in eerste aanleg als voor het hof van beroep kunnen voeren.
  8. Het arrest I oordeelt niet zoals het middel aanvoert. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.
  9. In zoverre het middel aanvoert dat niet alle partijen tijdig kennis hebben gekregen van de voorgebrachte stukken, vereist het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  10. Artikel 2.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, het recht heeft om zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.
  11. Die verdragsbepaling verbiedt niet dat tijdens de procedure in hoger beroep bijkomend onderzoek wordt gevoerd en dat het openbaar ministerie, net als elke andere partij, in hoger beroep aanvullend stukken bijbrengt betreffende de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een beklaagde.
  12. Uit de omstandigheid dat tijdens de behandeling in hoger beroep van een strafzaak een bijkomend onderzoek is gevoerd en nieuwe stukken worden overgelegd kan geen schending van artikel 6.1 of 6.3 EVRM of een miskenning van het recht van verdediging worden afgeleid.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Tweede middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en de artikelen 22, 28bis en 28quater Wetboek van Strafvordering: uit de appelconclusie van het auditoraat-generaal van 31 mei 2016 blijkt dat er geen degelijk onderzoek is gebeurd; aldus heeft het auditoraat-generaal erkend dat uit de dagvaarding niet blijkt waarom gelijkaardige situaties in 2008 en 2013 verschillend worden beoordeeld; in die appelconclusie stelt het auditoraat-generaal vast dat het strafdossier het niet mogelijk maakt om te begrijpen waarom in 2008 slechts een zeer beperkt deel van de rijtijd als beschikbaarheidstijd werd beschouwd; door uitdrukkelijk te bevestigen dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is, heeft het auditoraat-generaal erkend dat er geen opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden vooraleer tot vervolging over te gaan en aldus dat het strafdossier onvoldoende elementen bevatte die wezen op enige schuld van de eisers; bijgevolg oordelen de appelrechters ten onrechte dat het recht op een eerlijk proces van de eisers niet werd miskend.
  15. In zoverre het middel is gericht tegen het handelen van het openbaar ministerie en dus niet tegen de arresten I en II, is het niet ontvankelijk.
  16. Uit de omstandigheid dat het auditoraat-generaal van oordeel was dat bijkomend onderzoek nodig was, volgt niet dat het recht van de eisers op een eerlijk proces werd miskend.
  17. Uit de omstandigheid dat volgens het openbaar ministerie in hoger beroep op het ogenblik van het inleiden van de strafvordering de schuld van een beklaagde niet of onvoldoende vaststaat en dat die beoordeling navolgend onderzoek vereist, het appelgerecht vervolgens de zaak uitstelt om dit bijkomend onderzoek te laten uitvoeren en ten slotte op basis van dit navolgend onderzoek beslist tot de schuld van de beklaagde, kan geen miskenning worden afgeleid van het vermoeden van onschuld of van het recht op een eerlijk proces.
  18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Derde middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM: de appelrechters oordelen ten onrechte dat de eisers niet ertoe waren gehouden het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven van de werknemers te beschermen; zij konden geen beperkingen opleggen aan het gezinsleven die hun werknemers in het bijzonder de chauffeurskoppels, wensten te leiden door samen verplaatsingen uit te voeren; uit het strafdossier blijkt dat de werknemers niet werden verhoord over de wijze waarop zij het recht op hun privé- en gezinsleven wensten uit te oefenen.
  20. Het arrest I oordeelt niet zoals het middel aanvoert. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.
  21. In zoverre het middel aanvoert dat de werknemers niet werden verhoord over de wijze waarop zij het recht op hun privé- en gezinsleven wensten uit te oefenen, is het niet gericht tegen het arrest II en bijgevolg niet ontvankelijk.
  22. Het arrest II oordeelt niet dat de eisers niet ertoe waren gehouden het recht op privéleven en gezinsleven van de werknemers te eerbiedigen of te beschermen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest II en mist het feitelijke grondslag.
  23. Het arrest II stelt niet vast dat de eisers beperkingen zouden opleggen aan het gezinsleven van de werknemers, maar stelt enkel vast dat beide partners tijdens de gezamenlijke ritten hun arbeidsovereenkomst met de eiseres 2 uitvoerden. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest II en mist het feitelijke grondslag. Vierde middel
  24. Het middel voert schending aan van artikel 3, § 1, b), van het IAO-Verdrag 81 van 11 juli 1947 betreffende de arbeidsinspectie in de industrie en de handel, artikel 6, § 1, b), van het IAO-Verdrag 129 van 25 juni 1969 betreffende de arbeidsinspectie in de landbouw, artikel 21, eerste lid, 1°, Sociaal Strafwetboek en artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur: uit het strafdossier valt niet uit te maken waarom de sociale inspectie in 2013 is afgeweken van haar eerdere interpretatie op grond waarvan de eisers zijn overgegaan tot regularisatie; de appelrechters oordelen ten onrechte dat geen enkel stuk voorligt op basis waarvan moet worden aangenomen dat tussen de sociaal inspecteur en de eisers werd afgesproken of overeengekomen dat de inhoud van de regularisatie van 31 december 2008, in de zin dat een derde van de beschikbaarheidstijd wordt beschouwd als rijtijd, naar de toekomst verder mocht worden gehanteerd; de appelrechters oordelen ten onrechte dat uit niets blijkt dat de regularisatie van 31 december 2008 zou gelden als advies aan de eisers om in die zin te handelen naar de toekomst.
  25. Het arrest I oordeelt niet zoals het middel aanvoert. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.
  26. Artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is vreemd aan de aangevoerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  27. In zoverre gericht tegen de handelwijze van de sociale inspectie en dus niet tegen het arrest II, is het middel niet ontvankelijk.
  28. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest II. In zoverre is het middel evenzeer niet ontvankelijk. Vijfde middel
  29. Het middel voert schending aan van artikel 3 Richtlijn 2002/15/EG van 11 maart 2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (hierna Richtlijn 2002/15/EG), artikel 19, tweede lid, Arbeidswet en artikel 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 januari 2005, gesloten in het paritair comité voor het vervoer, tot vaststelling van de arbeidsvoorwaarden en de lonen van het rijdend personeel tewerkgesteld in de ondernemingen van het goederenvervoer ten lande voor rekening van derden, algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 24 september 2006 (hierna CAO 27 januari 2005): de appelrechters oordelen ten onrechte dat de tweede chauffeur die in de cabine is, niet vrij naar eigen inzichten over zijn tijd kan beschikken en nemen zijn aanwezigheid ten onrechte aan als vergoedbare beschikbaarheidstijd; hoewel de tijd waarover de werknemer vrij kan beschikken en de tijd die de werknemer zichzelf toe-eigent, niet worden beschouwd als arbeidstijd hebben de eisers na overleg met sociaal inspecteurs J.M. en M.C., met hen afgesproken om vanaf januari 2009 een derde van de tijd die een meerijdende chauffeur doorbrengt in de cabine te beschouwen als beschikbaarheidstijd; vermits geen enkel chauffeurskoppel werd verhoord bij wie een inbreuk werd vastgesteld, konden de appelrechters onmogelijk beslissen dat de aanwezigheid van de tweede chauffeur diende te worden beschouwd als vergoedbare arbeidstijd.
  30. Het arrest I oordeelt niet zoals het middel aanvoert. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.
  31. Krachtens artikel 3, b), Richtlijn 2002/15/EG wordt onder beschikbaarheidstijd onder meer verstaan voor mobiele werknemers in ploegendienst, de tijd die zij gedurende de rit naast de bestuurder of in een slaapcabine doorbrengen. Krachtens artikel 19, derde lid, 1°, Arbeidswet kan de Koning, op verzoek van het bevoegde paritair comité, de tijd bepalen gedurende welke het personeel ter beschikking van de werkgever is, ten aanzien van de vervoerondernemingen. Krachtens artikel 3.2.1 CAO 27 januari 2005 wordt als beschikbaarheidstijd verstaan onder meer de tijd doorgebracht gedurende de rit naast de bestuurder of in de slaapcabine. Krachtens artikel 3.2.2 van deze CAO worden niet als beschikbaarheidstijd beschouwd: - de tijd gewijd aan de eetmalen; - de tijd die als een onderbreking of als rusttijd wordt beschouwd in de zin van de Verordening nr. 3820/85 (EG) van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer; thans Verordening (EG) 561/2006 van 15 maart 2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad; - de tijd waarover de werknemer vrij kan beschikken; - de tijd die de werknemer zichzelf toe-eigent.
  32. Uit deze bepalingen volgt dat de tijd die een tweede bestuurder van een voertuig doorbrengt tijdens de rit naast de bestuurder of in de slaapcabine, waardoor hij op elk ogenblik beschikbaar is om het besturen van een voertuig over te nemen, voor zover hem dat met in achtneming van de verplichte rij- en rusttijden is toegestaan, en de tijd dat hij tijdens die verplichte rusttijden naast een andere chauffeur van een voertuig aanwezig moet zijn, geen tijd is waarover die bestuurder vrij beschikt en evenmin tijd die hij zichzelf toe-eigent. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  33. Het arrest II oordeelt als volgt: - terecht oordeelt de eerste rechter dat twee werknemers, die dezelfde bekwaamheden hebben en die voor dezelfde werkgever samen een transport uitvoeren, moeten worden beschouwd als een dubbele bemanning, dit op basis van de stukken die thans door het openbaar ministerie in het strafdossier zijn gevoegd; - het werken met een dubbele bemanning is vanwege de eisers een bewuste strategie, met het voordeel dat de ene werknemer-chauffeur op elk ogenblik het stuur van de andere werknemer-chauffeur kan overnemen waardoor geen onderbreking in de rijtijd zich voordoet en de transporttijd aanzienlijk wordt ingekort, van belang voor transport van bederfbare waren; - teneinde dit structureel te kunnen organiseren, hebben de eisers gekozen voor partners-samenwonenden, die allebei zijn gekwalificeerd om internationaal transport van goederen over de weg te verzekeren; - de beschikbaarheid van de tweede chauffeur is nooit rust omdat betrokkene tijdens het transport aanwezig is in de cabine en hij aldus niet over zijn tijd kan beschikken naar eigen inzichten. Met die redenen oordelen de appelrechters naar recht dat de tijd die de tweede chauffeur doorbrengt in de cabine van een voertuig naast de rijdende chauffeur beschikbaarheidstijd is. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  34. Dat bepaalde sociaal inspecteurs in het verleden in strijd met de voormelde rechtsopvatting, hebben aanvaard dat een derde van die tijd wordt aangenomen als beschikbaarheidstijd, creëert voor een vervoerder niet het recht om zich blijvend op die praktijk te beroepen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  35. In zoverre het middel voor het overige verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft of opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het arrest II, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  36. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 16 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210216.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231114.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.