← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.12 Rolnummer: P.20.0983.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 760 - laatst gezien 2026-06-18 17:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter oordeelt in elke zaak afzonderlijk en aan de hand van de bijzondere omstandigheden ervan of er binnen een redelijke termijn is beslist over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging en bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde overheden, alsook het belang van de zaak voor die partijen

(1); wanneer de strafvervolging betrekking heeft op de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening, het milieu- of omgevingsrecht en de huisvesting, waar de herstelvordering een onderdeel is van de strafvordering in de ruime zin, kan de strafrechter bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de strafvervolging rekening houden met de mogelijkheden die aan de beklaagde werden toegekend om vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie van de wederrechtelijke toestand en behoudens wanneer de beklaagde ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven niet vrijwillig tot herstel of regularisatie te zullen overgaan, houdt dit geen miskenning in van het recht van de beklaagde om niet mee te werken aan zijn vervolging, noch van zijn recht om niet vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie zolang hij niet definitief is veroordeeld.
(1)J. MEESE, "Redelijke termijn in strafzaken", Comm. Straf.,pp. 7-
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Stedenbouw - Vrijwillig herstel of regularisatie van de wederrechtelijke toestand - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Artikel 6, EVRM - Recht op een eerlijk proces - Redelijke termijn - Vrijwillig herstel of regularisatie van de wederrechtelijke toestand - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.20.0983.N B C, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 9 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis in zoverre het de eiser vrijspreekt van de telastlegging in de mate dat deze betrekking heeft op de opslag voor landbouwtuigen en in zoverre de op dit onderdeel van de telastlegging gebaseerde herstelvordering ongegrond wordt verklaard. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de eiser meerdere kansen kreeg om vrijwillig tot herstel over te gaan, met op 17 juli 2017 een laatste controle voor de dagvaarding, beslist het arrest niet naar recht dat de redelijke termijn van de strafvervolging niet is overschreden; het aanvangstijdstip voor de beoordeling van de redelijke termijn moet worden gesitueerd op 3 augustus 2015, tevens het eindpunt van de incriminatieperiode, terwijl het openbaar ministerie, aan wie de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur bij brief van 10 juni 2016 zijn herstelvordering had meegedeeld, eerst op 10 januari 2019 overging tot dagvaarding van de eiser voor de correctionele rechtbank; dat de eiser niet vrijwillig tot herstel is overgegaan hoewel hij daartoe de mogelijkheid had, kan niet als een dilatoire proceduretechniek worden beschouwd, aangezien de eiser zijn verdediging mag organiseren zoals hij dat wenst en niet verplicht is om tot herstel over te gaan; bovendien kon de omstandigheid dat de eiser in de mogelijkheid was om tot herstel over te gaan en er in dit verband op 17 juli 2017 nog een controle is geweest, het openbaar ministerie niet beletten om tot dagvaarding over te gaan, daar het misdrijf reeds op 3 augustus 2015 voltooid was; in elk geval was er minstens tussen 17 juli 2017 en 10 januari 2019 sprake van een periode van inactiviteit.
  5. Uit de door de eiser neergelegde appelconclusie blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat er bij de beoordeling van de redelijke termijn specifiek rekening moet worden gehouden met een periode van inactiviteit tussen 17 juli 2017 en 10 januari
  6. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat er bij de beoordeling van de redelijke termijn specifiek rekening moet worden gehouden met een periode van inactiviteit tussen 17 juli 2017 en 10 januari 2019, berust het op een onjuiste lezing van die appelconclusie en mist het feitelijke grondslag.
  7. De rechter oordeelt in elke zaak afzonderlijk en aan de hand van de bijzondere omstandigheden ervan of er binnen een redelijke termijn is beslist over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde overheden, alsook het belang van de zaak voor die partijen.
  8. Wanneer de strafvervolging betrekking heeft op de regelgeving betreffende de ruimtelijke ordening, het milieu- of omgevingsrecht en de huisvesting, waar de herstelvordering een onderdeel is van de strafvordering in de ruime zin, kan de strafrechter bij de beoordeling van de redelijkheid van de termijn van de strafvervolging rekening houden met de mogelijkheden die aan de beklaagde werden toegekend om vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie van de wederrechtelijke toestand. Behoudens wanneer de beklaagde ondubbelzinnig te kennen heeft gegeven niet vrijwillig tot herstel of regularisatie te zullen overgaan, houdt dit geen miskenning in van het recht van de beklaagde om niet mee te werken aan zijn vervolging, noch van zijn recht om niet vrijwillig over te gaan tot herstel of regularisatie zolang hij niet definitief is veroordeeld. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Met eigen motieven en door de overname van de motieven van het beroepen vonnis op strafgebied stelt het arrest vast dat: - de incriminatieperiode loopt tot 3 augustus 2015 en er door het openbaar ministerie inderdaad pas werd overgegaan tot rechtstreekse dagvaarding van de beklaagde op 10 januari 2019, maar dat tegelijk moet worden vastgesteld dat de eiser in de tussentijd meerdere kansen kreeg om vrijwillig tot herstel over te gaan, met een laatste controle voor dagvaarding op 17 juli 2017; - de eiser initieel zijn schuld niet heeft betwist voor wat betreft het tuinhuis, de constructie voor de pauwen en de mestvaalt, waarbij hij zich in zijn verhoor van 8 september 2016 bereid verklaarde dit binnen de maand te herstellen; - de behandeling van de zaak, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, geen onverantwoorde vertragingen kende. Met die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de redelijke termijn bij de strafvervolging niet werd overschreden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 159 Grondwet, artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 6.1.41, zoals van toepassing vóór de opheffing van die bepaling door het decreet van 25 april 2014, en 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest verantwoordt de veroordeling van de eiser tot het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand binnen een termijn van twaalf maanden vanaf het in kracht van gewijsde gaan van het arrest niet naar recht; de overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de strafvordering tast immers ook de wettigheid aan van de beslissing over de herstelvordering.
  11. Het onderdeel is in zijn geheel afgeleid met de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211019.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.