id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 2 Indien het vonnisgerecht, naast de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties opgeworpen door de erin vermelde partijen, zelf procedurele middelen opwerpt zoals de onontvankelijkheid van het hoger beroep van een partij of de nietigheid wegens schending van de Taalwet Gerechtszaken van een conclusie van een beklaagde waarin een procedurele exceptie wordt opgeworpen, en het vonnisgerecht die zelf opgeworpen middelen eerst moet onderzoeken en beoordelen alvorens de door de vermelde partijen aangevoerde procedurele excepties nuttig te kunnen onderzoeken en beoordelen, dan belet dit niet dat de verjaring van de strafvordering is geschorst bij toepassing van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Opwerping en behandeling van procedurele middelen door het vonnisgerecht zelf - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 3 Er is volgens artikel 24, tweede lid, tweede zin, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geen schorsing van de verjaring indien de beslissing over de daarin bedoelde exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd en de beslissing over deze excepties wordt bij de zaak zelf gevoegd en de verjaring van de strafvordering is niet geschorst indien het vonnisgerecht deze excepties beoordeelt met dezelfde beslissing als deze waarbij uitspraak wordt gedaan over de schuld van de beklaagden; de omstandigheid dat een zaak in zijn geheel wordt behandeld op een rechtszitting houdt niet in dat het vonnisgerecht de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties bij de zaak zelf heeft gevoegd
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Voeging van de beslissing over de exceptie bij de grond van de zaak - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 4 De omstandigheid dat de beslissing waarin de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties worden verworpen, tevens uitspraak doet over andere middelen dan procedurele excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid, zoals de aanneming van verzachtende omstandigheden met betrekking tot een telastlegging, de vaststelling van de verjaring van de strafvordering met betrekking tot een bepaalde telastlegging of het bepalen van de incriminatieperiode van een telastlegging, maar geen uitspraak doet over de schuld van de beklaagde, belet niet dat de verjaring van de strafvordering is geschorst bij toepassing van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing tot verwerping - Uitspraak in diezelfde beslissing over andere middelen dan de procedurele excepties - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 5 - 8 Het vonnisgerecht oordeelt onaantastbaar in het belang van een goede rechtsbedeling of het de beslissing over de door artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde excepties bij de zaak zelf voegt dan wel dat zij dat niet doet en er dus uitspraak over doet op een vroeger tijdstip dan de beslissing over de schuld en zij moet die beslissing niet bijzonder met redenen omkleden.; dat die beslissing, waaraan altijd een exceptie als bedoeld door artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, opgeworpen door een in die bepaling bedoelde partij, ten grondslag ligt, een impact kan hebben op de verjaring van de strafvordering, zoals overigens elke handeling van een met vervolging en berechting belaste overheid die krachtens de wet een daad van stuiting of schorsing van de verjaring van de strafvordering oplevert, maakt die beslissing niet willekeurig en houdt evenmin een schending in van de artikelen 6 en 13 EVRM
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafvordering - Schorsing - Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Impact op de verjaring van de strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Behandeling door het vonnisgerecht van een door partijen opgeworpen exceptie - Beslissing over de exceptie - Impact op de verjaring van de strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek
Art. 24
, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6 en 13 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 10 Artikel 43quater, § 4, Strafwetboek bepaalt dat het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet worden verbeurdverklaard, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw; uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever er een bijzondere toepassing in zag van artikel 42, 1°, Strafwetboek, dat de verplichte verbeurdverklaring voorschrijft van de misdrijfinstrumenten en met dit artikel 43quater, § 4, Strafwetboek dit begrip wilde verbijzonderen tot alle activa, waarvan het duidelijk is dat zij bestemd zijn om te dienen voor de activiteiten van een criminele organisatie, zodat deze verbeurdverklaring betrekking heeft op elk goed dat ter beschikking staat van de criminele organisatie voor de uitoefening van haar activiteiten en deze verbeurdverklaring niet beperkt is tot vermogensvoordelen uit een misdrijf
(1).
(1)Zie concl. “in hoofdzaak” OM. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Criminele organisatie - Doelstelling - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43quater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Straf - Verbeurdverklaring - Doelstelling - Omvang Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 1°, en 43quater, § 4 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2021, nr. 6, p. 503-514. - VERSTRAETEN, Raf; Noot'De schorsing van de verjaring van strafvordering bij het inroepen van een procedurele exceptie' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 18, p. 1715-1721. - VAN DOOREN, Eric; Noot'De lange grijparm van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek' Tekst van de beslissing Nr. P.19.1057.N I 1. A J H B A, beklaagde, 2. H Y L M D V, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE ANTWERPEN, eiser, tegen 1. A A, reeds vermeld, beklaagde, 2. H D V, reeds vermeld, beklaagde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 12 juni 2018 (arrest I), 30 april 2019 (arrest II), 18 september 2019 (arrest III) en 26 september 2019 (arrest IV). Het cassatieberoep II is gericht tegen het arrest IV. De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. Voor de eiser I werd op 4 februari 2021 ter griffie een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I 1. In zoverre de arresten I tot en met IV beschikkingen bevatten die de eisers I niet kunnen grieven, zijn de cassatieberoepen I bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eisers I 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 21 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest II beslist ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering geschorst is met één dag tussen 21 en 22 maart 2016 en vervolgens van 19 december 2017 tot 30 april 2019; het arrest IV beslist ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering nog niet is ingetreden op het ogenblik van de uitspraak; noch de beslissing over de valsheidsvordering, noch de behandeling van het hoger beroep tegen deze beslissing, noch de behandeling van excepties opgeworpen door de eisers I, samen met andere aspecten van de zaak, opgeworpen door de appelrechters en het openbaar ministerie, kunnen doen besluiten tot een schorsing van de verjaring van de strafvordering; wat betreft de valsheidsvordering voorziet artikel 459 Wetboek van Strafvordering niet in een schorsing van de verjaring van de strafvordering, zodat daarvoor geen wettelijke grondslag voorhanden is; uit artikel 460, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de valsheidsvordering de verjaring slechts schorst als deze vordering aanleiding geeft tot een prejudicieel geschil, wat in deze zaak niet het geval was; evenmin vormt de valsheidsvordering een wettelijk beletsel dat de instelling of de uitoefening van de strafvordering verhindert; de beslissing dat de verjaring van de strafvordering is geschorst van 19 december 2017 tot 30 april 2019 is ook niet wettig verantwoord op grond van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; uit deze bepaling volgt immers dat er slechts sprake is van schorsing van de verjaring van de strafvordering indien de rechter enkel moet beslissen over een of meerdere excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid, opgeworpen door een verdachte, een burgerlijke partij of een burgerrechtelijk aansprakelijke partij; van zodra die excepties bij de zaak zelf worden gevoegd, is er geen schorsing van de verjaring; uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de periode tussen 19 december 2017 en 30 april 2019 niet louter het beraad betreft over een of meerdere excepties door de eisers I, maar ook over tal van andere geschilpunten, zoals de door de appelrechters opgeworpen ontvankelijkheid van het hoger beroep van de eisers I tegen het beroepen vonnis van 22 maart 2016, de door de appelrechters opgeworpen nietigheid van de conclusie van een medebeklaagde wegens schending van de Taalwet Gerechtszaken, verzoeken van het openbaar ministerie over onder andere de uitbreiding van diverse incriminatieperiodes, beslissingen over onder andere het aannemen van verzachtende omstandigheden en het al dan niet voorhanden zijn van door het openbaar ministerie aangevoerde schorsingsgronden; hieruit volgt dat de door de eisers I opgeworpen excepties werden gevoegd bij de zaak zelf. 3. Artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, zoals ingevoegd door artikel 48 van de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, bepaalt: “Gedurende de behandeling van een door de verdachte, de burgerlijke partij of de burgerrechtelijk aansprakelijke partij voor het vonnisgerecht opgeworpen exceptie van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid is de strafvordering geschorst. Indien het vonnisgerecht de exceptie gegrond verklaart of indien de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd, is de verjaring niet geschorst.” Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever wilde vermijden dat deze partijen om dilatoire redenen misbruik zouden maken van de in dat artikel opgesomde procedurele middelen. 4. Uit deze bepaling volgt dat er in twee gevallen geen schorsing van de verjaring van de strafvordering is, namelijk wanneer de rechter de exceptie gegrond verklaart en indien de rechter de beslissing over de exceptie bij de zaak zelf voegt. Noch uit de tekst van de bepaling noch uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat er nog gevallen zijn waarin het opwerpen van een dergelijke exceptie door een bedoelde partij niet zou leiden tot een schorsing van de verjaring. 5. Met de woorden “gedurende de behandeling” in artikel 24, tweede lid, eerste zin, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering wordt bedoeld de periode tussen het tijdstip waarop volgens de procedurestukken een partij een dergelijke procedurele exceptie opwerpt en het tijdstip waarop het vonnisgerecht er uitspraak over doet. Tijdens die periode is de verjaring van de strafvordering in beginsel geschorst. 6. Indien het vonnisgerecht, naast de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties opgeworpen door de erin vermelde partijen, zelf procedurele middelen opwerpt zoals de onontvankelijkheid van het hoger beroep van een partij of de nietigheid wegens schending van de Taalwet Gerechtszaken van een conclusie van een beklaagde waarin een procedurele exceptie wordt opgeworpen, en het vonnisgerecht die zelf opgeworpen middelen eerst moet onderzoeken en beoordelen alvorens de door de vermelde partijen aangevoerde procedurele excepties nuttig te kunnen onderzoeken en beoordelen, dan belet dit niet dat de verjaring van de strafvordering is geschorst bij toepassing van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. 7. Er is volgens artikel 24, tweede lid, tweede zin, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geen schorsing van de verjaring indien de beslissing over de daarin bedoelde exceptie bij de zaak zelf wordt gevoegd. De beslissing over deze excepties wordt bij de zaak zelf gevoegd en de verjaring van de strafvordering is niet geschorst indien het vonnisgerecht deze excepties beoordeelt met dezelfde beslissing als deze waarbij uitspraak wordt gedaan over de schuld van de beklaagden. 8. De omstandigheid dat de beslissing waarin de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties worden verworpen, tevens uitspraak doet over andere middelen dan procedurele excepties van onbevoegdheid, onontvankelijkheid of nietigheid, zoals de aanneming van verzachtende omstandigheden met betrekking tot een telastlegging, de vaststelling van de verjaring van de strafvordering met betrekking tot een bepaalde telastlegging of het bepalen van de incriminatieperiode van een telastlegging, maar geen uitspraak doet over de schuld van de beklaagde, belet aldus niet dat de verjaring van de strafvordering is geschorst bij toepassing van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. 9. De omstandigheid dat een zaak in zijn geheel wordt behandeld op een rechtszitting houdt niet in dat het vonnisgerecht de in artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde procedurele excepties bij de zaak zelf heeft gevoegd. 10. Het vonnisgerecht oordeelt onaantastbaar in het belang van een goede rechtsbedeling of het de beslissing over de door artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bedoelde excepties bij de zaak zelf voegt dan wel dat zij dat niet doet en er dus uitspraak over doet op een vroeger tijdstip dan de beslissing over de schuld. Zij moet die beslissing niet bijzonder met redenen omkleden. Dat die beslissing, waaraan altijd een exceptie als bedoeld door artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, opgeworpen door een in die bepaling bedoelde partij, ten grondslag ligt, een impact kan hebben op de verjaring van de strafvordering, zoals overigens elke handeling van een met vervolging en berechting belaste overheid die krachtens de wet een daad van stuiting of schorsing van de verjaring van de strafvordering oplevert, maakt die beslissing niet willekeurig en houdt evenmin een schending in van de artikelen 6 en 13 EVRM. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - op de inleidingszitting van 11 januari 2017 heeft het hof van beroep een conclusiekalender vastgelegd; - op 13 maart 2017 en op 5 mei 2017 hebben de eisers I appelconclusies ingediend, waarin verschillende middelen worden opgeworpen betreffende de onontvankelijkheid van de strafvordering (onder meer wegens gebrek aan bijstand van een advocaat, subjectieve onderzoeksvoering, overschrijding redelijke termijn, miskenning van het recht op een eerlijk proces, miskenning van het vermoeden van onschuld en obscuri libelli inzake de witwashandelingen) en de gegrondheid van die vordering; - op de rechtszitting van 16 mei 2017 zijn de partijen gehoord en bevestigen zij minnelijk te zijn afgeweken van de door de rechter bepaalde termijnen en dat de ingediende appelconclusies in het debat mogen blijven; - op diezelfde rechtszitting vordert het openbaar ministerie de wering van onder meer hoofdstuk K van de syntheseconclusie van de eisers I en worden de raadslieden van de eisers I daarover gehoord; - op die rechtszitting verzoeken de appelrechters het openbaar ministerie om nadere toelichting betreffende de stukken waarop de telastleggingen zijn gestoeld, waarop het openbaar ministerie meedeelt dat de zaak wat haar betreft in staat is; - het hof van beroep stelt niettemin de zaak in voortzetting naar de rechtszitting van 17 mei 2017; - op de rechtszitting van 17 mei 2017 verzoeken de appelrechters het openbaar ministerie om per telastlegging de vindplaats in de stukken van het strafdossier aan te duiden, waarop het openbaar ministerie in algemene termen verwijst naar het motiverend gedeelte van het beroepen vonnis en het syntheseproces-verbaal; - daarop stellen de appelrechters vast dat niet is voldaan aan de concrete vraag van het hof van beroep en dat de zaak niet in staat van wijzen is, waarop het de zaak in voortzetting stelt naar de rechtszitting van 31 oktober 2017; - het Hof vernietigt bij arrest van 5 september 2017 bij toepassing van artikel 441 Wetboek van Strafvordering op vordering van de procureur-generaal die beslissing; - op de rechtszitting van 31 oktober 2017 verhoren de appelrechters een getuige en stellen ze de zaak in voortzetting naar de rechtszitting van 7 november 2017; - op de rechtszitting van 7 november 2017 hoort het hof van beroep het openbaar ministerie in zijn vordering, waarna de appelrechters zijn ingegaan op het verzoek van de raadslieden van de beklaagden om hen een bijkomende conclusietermijn toe te kennen omdat de vordering van het openbaar ministerie in hoger beroep verschilt van die in eerste aanleg; - de zaak wordt dan in voortzetting gesteld naar de rechtszitting van 19 december 2017; - de eisers I vorderen in een antwoordconclusie van 7 december 2017 in hoofdorde dat de strafvordering onontvankelijk wordt verklaard omdat, onder meer, de strafvordering op onvolledige wijze werd uitgeoefend, het strafdossier onvolledig en niet hanteerbaar is, belangrijke stukken niet zijn vertaald, de verhoren zijn afgelegd zonder Salduz-bijstand. Ondergeschikt vorderen de eisers I dat de valsheidsvordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, de vraag tot bijkomend onderzoek wordt ingewilligd en de eisers I worden toegelaten om de getuigen te horen, minstens dat het openbaar ministerie wordt verzocht om daartoe het nodige te doen; - op de rechtszitting van 19 december 2017 is de zaak behandeld, waarbij de appelrechters ambtshalve de volgende vragen in het debat hebben gebracht:
- a)de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzoekschrift van het openbaar ministerie, nu niet bleek tegen wie het grievenformulier is ingediend, en
- b)de vraag naar de nietigheid van de conclusie, die is neergelegd voor beklaagde E.H., die een niet-vertaalde Engelse tekst bevat en waarin in hoofdorde de onontvankelijkheid van de strafvordering is gevorderd omdat de strafvordering door het openbaar ministerie op deloyale wijze is nagestreefd. Daarop is de zaak in beraad genomen en voor uitspraak gesteld op 17 januari 2018; - op 12 juni 2018 is het arrest I geveld, waarbij de hogere beroepen tegen het vonnis van 22 maart 2016 (zaak I – afwijzing valsheidsvordering) en tegen het vonnis van 2 mei 2016 (zaak II – veroordeling van de eisers I) zijn samengevoegd. Tevens is alvorens recht te doen het openbaar ministerie dan wel elke gerede partij gevraagd om navraag te doen wanneer het verzoekschrift van de eisers I in de zaak II is neergelegd ter griffie en is gevraagd aan alle partijen om standpunt in te nemen over de ontvankelijkheid (of het verval) van het hoger beroep van de eisers I in deze zaak II. Het openbaar ministerie is verder verzocht om standpunt in te nemen over de verjaring van de strafvordering en is het debat heropend en wordt de beslissing over de kosten aangehouden; - op de rechtszitting van 19 september 2018 zijn de eisers I verder gehoord in hun middelen van verdediging. Zij verzochten om uitstel van de behandeling van de zaak om de vraag naar de verjaring verder te kunnen uitspitten, waarop de appelrechters, niettegenstaande het verzet van het openbaar ministerie, zijn ingegaan en de zaak in voortzetting is gesteld naar 26 september 2018; - op de rechtszitting van 26 september 2018 is voor de eisers I een conclusie over de verjaring van de strafvordering neergelegd, zijn de partijen en het openbaar ministerie gehoord, waarna de zaak in beraad is genomen en voor uitspraak gesteld op 24 oktober 2018; - op 30 april 2019 is het arrest II geveld, waarbij onder meer uitspraak is gedaan over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen van de eisers I en van het openbaar ministerie en verzachtende omstandigheden zijn aanvaard voor telastlegging F betreffende de eisers I; - met dit arrest II is verder voor recht gezegd dat: ? de beoordeling van de proceduremiddelen niet bij de grond van de zaak wordt gevoegd; ? de door het openbaar ministerie ter rechtszitting van 16 mei 2017 gevorderde wering van hoofdstuk K van de syntheseconclusie van de eisers I zonder voorwerp is; ? de vorderingen van het openbaar ministerie om de incriminatieperiode voor de telastleggingen F, I, J en K aan te vullen ongegrond is en om de incriminatieperiode voor de telastleggingen D, E, G en H te bepalen op 16 juni 2009 in deze stand van de procedure zonder belang is ten aanzien van de eisers I; ? de feiten van telastleggingen L.1-6 niet de uiting zijn van eenzelfde opzet met de andere ten aanzien van de eiser I.1 vervolgde feiten; ? de verjaring van de strafvordering voor telastleggingen L.1-6 is ingetreden op 20 november 2017 om 24u; ? op grond van een prima facie-beoordeling de verjaring van de ten aanzien van de eisers I vervolgde telastleggingen A.1-3, D.1-10, E.1-10, F, G, H, I.1-14, J.1-2 en K begint te lopen vanaf 4 oktober 2010, dat deze verjaring nuttig is gestuit op 19 augustus 2015 en dat de verjaring is geschorst met één dag en vervolgens is geschorst van 19 december 2017 tot 30 april 2019; ? de beoordeling van de feiten van de telastleggingen die in hoofde van de eisers I zijn vervolgd, de eventuele bepaling van de straf en de burgerrechtelijke vordering van de in het arrest opgesomde burgerlijke partijen ten aanzien van de eisers I aan het hof van beroep voorliggen; ? de valsheidsvordering ongegrond is; ? artikel 6 EVRM niet is geschonden en het recht van verdediging niet is miskend, behoudens wat betreft de redelijke termijn van de strafvervolging en het respecteren van de kennisgeving van het zwijgrecht en het recht op bijstand van een advocaat; ? de overschrijding van de redelijke termijn van de strafvervolging en de afwezigheid van de kennisgeving van het zwijgrecht en het recht op bijstand van een advocaat niet de onontvankelijkheid van de strafvordering tot gevolg hebben; ? de essentiële stukken van het strafdossier zijn vertaald; ? het niet nodig is om een dossier van het Comité P bij het strafdossier te voegen; ? de persoonlijkheid van één of meerdere van de onderzoekers niet derwijze ingrijpend op het strafonderzoek heeft gewogen dat de beklaagden thans geen eerlijk proces meer kunnen krijgen; ? er geen noodzaak bestaat om de behandeling van het strafdossier onbepaald uit te stellen; ? de appelrechters zich voor de mogelijke bewezenverklaring van de telastleggingen niet op de eigen (incriminerende) verklaringen van de beklaagden tijdens het vooronderzoek, die werden afgelegd zonder in kennis gesteld te zijn van hun zwijgrecht dan wel zonder dat bijstand van een advocaat gebeurde, steunen; ? het strafonderzoek op regelmatige wijze is opgestart; ? er geen sprake is van obscuri libelli wat betreft de vervolgde witwashandelingen; ? de Cel voor financiële informatieverwerking op regelmatige wijze is overgegaan tot een melding aan de procureur des Konings; ? het koninklijk besluit inzake de samenstelling, de organisatie, de werking en de onafhankelijkheid van de Cel voor financiële informatieverwerking op afdoende wijze is gemotiveerd; - met het arrest II zijn verder materiële vergissingen rechtgezet, is kennis gegeven van gebeurlijke heromschrijvingen, preciseringen of verbeteringen, is voor recht gezegd dat de nietigheid van de conclusie van beklaagde E.H. wegens schending van de Taalwet Gerechtszaken niet is uit te spreken, is het debat heropend teneinde de beoordeling ten gronde van de (on)schuld van de beklaagden te verrichten en is de beslissing over de kosten aangehouden. 13. Daaruit volgt dat de behandeling van de door de eisers I opgeworpen excepties van onontvankelijkheid een aanvang heeft genomen op de rechtszitting van 19 december 2017 en dat de door de eisers I opgeworpen excepties betreffende de onontvankelijkheid van de strafvordering niet bij de zaak zelf zijn gevoegd. Bijgevolg is de beslissing dat de strafvordering was geschorst van 19 december 2017 tot 30 april 2019, datum waarop het arrest II deze procedurele excepties van de eisers I heeft verworpen, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 14. Het arrest IV (p. 283-284) oordeelt dat de verjaring van de strafvordering voor de bewezen verklaarde telastleggingen A.3, E, F en I.4, waarvan wordt aangenomen dat die de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, een aanvang heeft genomen op 28 november 2008. Het neemt aan dat de verjaring van de strafvordering nuttig is gestuit op 20 september 2013 door de vordering van de procureur des Konings voor de raadkamer en het door de raadkamer op die dag verleende uitstel. 15. Rekening houdend met de voormelde schorsingsperiode op grond van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en een nuttige stuitingsdaad op 20 september 2013, kan het arrest IV naar recht beslissen dat de verjaring van de strafvordering op de datum van het arrest nog niet is ingetreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 16. In zoverre het middel opkomt tegen de beslissing dat de verjaring van de strafvordering geschorst was met één dag tussen 21 en 22 maart 2016 en dat noch de beslissing over de valsheidsvordering, noch de behandeling van het hoger beroep tegen deze beslissing, konden doen besluiten tot een schorsing van de verjaring van de strafvordering, is het gericht tegen overtollige redenen die de overige zelfstandige redenen, op grond waarvan de strafvordering geschorst was tussen 19 december 2017 en 30 april 2019 op grond van artikel 24, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en de verjaring van de strafvordering voor de bewezen verklaarde telastleggingen A.3, E, F en I.4 aldus nog niet is ingetreden, onaangetast laten en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek: het arrest IV beslist ten onrechte dat het niet kan ingaan op de vordering van de eiser II tot verbeurdverklaring van het vermogen van de criminele organisatie omdat er geen afdoende elementen zijn om een voldoende precieze inschatting te maken van de door de criminele organisatie verworven criminele opbrengsten; met deze reden beperkt het arrest immers het vermogen dat ter beschikking staat van de criminele organisatie tot de illegale vermogensvoordelen die voortvloeien uit de criminele organisatie. 18. Artikel 43quater, § 4, Strafwetboek bepaalt dat het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie moet worden verbeurdverklaard, onder voorbehoud van de rechten van derden te goeder trouw. 19. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de wetgever er een bijzondere toepassing inzag van artikel 42, 1°, Strafwetboek, dat de verplichte verbeurdverklaring voorschrijft van de misdrijfinstrumenten. De wetgever wilde met artikel 43quater, § 4, Strafwetboek dit begrip verbijzonderen tot alle activa, waarvan het duidelijk is dat zij bestemd zijn om te dienen voor de activiteiten van een criminele organisatie. Aldus heeft deze verbeurdverklaring betrekking op elk goed dat ter beschikking staat van de criminele organisatie voor de uitoefening van haar activiteiten en is deze verbeurdverklaring niet beperkt tot vermogensvoordelen uit een misdrijf. 20. Het arrest IV verklaart de eisers I schuldig als deelnemer aan de voorbereiding of uitvoering van een geoorloofde activiteit van een criminele organisatie (telastlegging A.3). Het grondt de afwijzing van de op artikel 43quater, § 4, Strafwetboek gesteunde vordering van het openbaar ministerie tot bijzondere verbeurdverklaring op het gegeven dat onvoldoende informatie beschikbaar is over de opbrengsten van de criminele organisatie en beperkt aldus onwettig het toepassingsgebied van deze bepaling dat immers slaat op het gehele vermogen dat ter beschikking staat van de criminele organisatie. Het onderdeel is gegrond. Tweede middel van de eiser II 21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 197 Strafwetboek en artikel 127, 1°, en 2°, Wetboek van Vennootschappen, thans opgenomen onder de artikelen 3:43 en 3:44, 1°, en 2°, Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen: het arrest IV beperkt de incriminatieperiode van telastlegging F (opmaak en gebruik van valse jaarrekeningen) ten onrechte tot 31 december 2007 en grondt dit oordeel ten onrechte op de doorslaggevende reden dat het openbaar ministerie zelf de faillietverklaring van de betrokken vennootschap heeft gevorderd en dit ook eerder had kunnen doen; het bedrieglijk opzet van deze telastlegging bestaat er immers in om aan de hand van de jaarrekening te kunnen voorhouden dat er werkelijk handel werd gedreven en het nuttig gevolg van deze valse jaarrekening heeft minstens voortgeduurd tot 4 oktober 2010, dit is de datum waarop de betrokken vennootschap failliet werd verklaard; tot die datum werd de buitenwereld immers voorgehouden dat de vennootschap daadwerkelijk de activiteiten ontwikkelde zoals deze werden geboekt en werd aldus de werkelijke situatie verborgen gehouden. 22. Het arrest IV verklaart de eisers I schuldig aan de feiten van de telastleggingen A3, E, F en I.4 (telkens zoals geactualiseerd, gepreciseerd en rechtgezet) en het veroordeelt hen voor die feiten tot straf. De door het middel aangevoerde onwettigheid kan die beslissing niet beïnvloeden. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Omvang van de cassatie 23. De vernietiging van de beslissing over de vordering tot bijzondere verbeurdverklaring bij toepassing van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek ten laste van de eisers I, laat de overige beslissingen van het arrest IV onaangetast. Overige grieven van de eiser II 24. De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie van het arrest IV, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 25. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest IV in zoverre het uitspraak doet over de vordering tot bijzondere verbeurdverklaring bij toepassing van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek lastens de eisers I. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest IV. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers I tot de kosten van de cassatieberoepen I. Laat vier vijfden van de kosten van het cassatieberoep II ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 3.973,56 euro, waarvan de eisers I 3.213,27 euro zijn verschuldigd en de eiser II 760,29 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 februari 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210223.2N.17 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210223.2N.17 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220322.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div