id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210226.1N.1 Rolnummer: D.18.0013.N Zaak: INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN BELASTIN contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 726 - laatst gezien 2026-06-16 04:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De toepassing van artikel 7 van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten noch de omstandigheid dat deze wet niet in een incidenteel beroep voorziet, is onverenigbaar met artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN Vrije woorden: Beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten - Devolutieve werking - Toepassing Fiche 2 De Raad voert onderzoek en beslist bij het afsluiten van de onderzoeksfase over de verwijzing naar de tuchtcommissie, maar is geen partij in de tuchtprocedure. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - TUCHTZAKEN Vrije woorden: Tuchtprocedure - Raad van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten - Statuut Wettelijke bepalingen: Wet 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten - 22-04-1999 - Art. 5, § 2 - 37 ELI link Pub nr 1999016118 KB 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van de plichtenleer der accountants - 01-03-1998 - Artt. 5, 6 en 7 - 33 ELI link Pub nr 1998016071 Tekst van de beslissing Nr. D.18.0013.N INSTITUUT VAN DE ACCOUNTANTS EN DE BELASTINGCONSULENTEN, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 135/2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0267.309.234, eiser, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- L. V. S.,
- V. S. & C. A. cv, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de Nederlandstalige kamer van de commissie van beroep van het Instituut van de accountants en de belastingconsulenten van 24 september
- Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens artikel 2 Gerechtelijk Wetboek zijn de in dit wetboek bepaalde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van dit wetboek. Krachtens artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek maakt het hoger beroep tegen een eindvonnis of tegen een vonnis alvorens recht te doen het geschil zelf aanhangig bij de rechter in hoger beroep. Krachtens artikel 7, § 1, eerste lid, van de wet van 22 april 1999 betreffende de beroepstucht voor accountants en belastingconsulenten (hierna: de wet van 22 april 1999), wordt hoger beroep tegen de beslissingen van de tuchtcommissie ingesteld bij de commissie van beroep. Krachtens § 2 van dit artikel kunnen de betrokken accountant of belastingconsulent alsook de Raad van het Instituut, de procureur-generaal bij het hof van beroep, de minister van Financiën, wat de activiteiten bedoeld in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen betreft, evenals elke betrokken indiener van de klacht, hoger beroep instellen binnen een maand te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing hen werd betekend.
- Artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek houdt in dat het hoger beroep het volledige geschil met inbegrip van de punten van de vordering waarover nog niet werd geoordeeld, aan de eerste rechter onttrekt en aanhangig maakt bij de rechter in hoger beroep, maar niet dat alle punten van de vordering waarover reeds werd geoordeeld door de eerste rechter, aanhangig worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep aangezien de partij die hoger beroep aantekent, het hoger beroep kan beperken tot een of meer van de punten van de vordering waarover reeds werd geoordeeld. Noch de toepassing van artikel 7 van de wet van 22 april 1999, noch de omstandigheid dat de wet van 22 april 1999 niet in een incidenteel beroep voorziet, is onverenigbaar met de toepassing van artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek. Het middel dat berust op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Krachtens artikel 5, § 2, van de wet van 22 april 1999 kan een klacht tegen een accountant of een belastingconsulent bij de Raad van het Instituut worden ingediend door de procureur-generaal bij het hof van beroep, door de minister van Financiën, met betrekking tot de activiteiten bedoeld in artikel 38 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen, of door een belanghebbende. De Raad van het Instituut onderzoekt de klacht. Indien hij van oordeel is dat er tegen de aangeklaagde accountant of belastingconsulent onvoldoende bezwaren bestaan, verklaart hij dat er geen reden is tot vervolging. Indien hij van oordeel is dat er voldoende bezwaren bestaan, verwijst hij die persoon naar de tuchtcommissie. De Raad van het Instituut kan ook ambtshalve beslissen een accountant of een belastingconsulent naar de tuchtcommissie te verwijzen. Iedere beslissing tot verwijzing bevat een omschrijving van de feiten die aan de accountant of de belastingconsulent ten laste gelegd worden. Ze vermeldt ook de wetsbepalingen, de verordeningsbepalingen of de deontologische regels waarop de tenlastelegging steunt. Ingeval van verwijzing doet de Raad zijn dossier aan de commissie toekomen. Krachtens artikel 5 van het koninklijk besluit van 1 maart 1998 tot vaststelling van het reglement van plichtenleer der accountants (hierna: KB 1 maart 1998) is de accountant lastens wie een tuchtonderzoek wordt gevoerd, ertoe gehouden zijn medewerking te verlenen aan de persoon die door de Raad werd belast met het onderzoek. Deze persoon brengt verslag uit bij de Raad maar neemt niet deel aan zijn bespreking. Krachtens artikel 6 KB 1 maart 1998 deelt de Raad aan de klager het gemotiveerd resultaat van zijn onderzoek mee wanneer bij de Raad een klacht betreffende een accountant wordt ingediend. Krachtens artikel 7 KB 1 maart 1998 kan het verslag van de Raad van het Instituut aan de Tuchtcommissie een uitdrukkelijke vraag bevatten om tijdens de debatten van de vermelde Commissie of, in voorkomend geval, van de Commissie van beroep te worden gehoord. In dit geval zal de Raad één van zijn leden als vertegenwoordiger aanduiden. Dit lid moet op elke zitting worden uitgenodigd. Hij kan vergezeld zijn door een advocaat. De Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep kunnen aan de Raad van het Instituut te allen tijde vragen om een aanvullend verslag, teneinde de feiten uit het oorspronkelijk verslag te verduidelijken. Wanneer het verslag van de Raad zijn oorsprong vindt in een klacht, kunnen de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep beslissen om de aanklager persoonlijk te horen.
- Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de Raad onderzoek voert en bij het afsluiten van de onderzoeksfase beslist over de verwijzing naar de tuchtcommissie, maar niet dat de Raad partij is in de tuchtprocedure. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 941,24 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 26 februari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210226.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div