id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210226.1N.6 Rolnummer: C.20.0411.N Zaak: B. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-07-02 Raadplegingen: 730 - laatst gezien 2026-06-16 04:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche De regel dat het verzet tegen de bevoorrechte overdracht, in geval van meerdere verpachters, door alle verpachters moet worden gedaan, houdt niet in dat, wanneer tot staving van het verzet het voornemen tot exploitatie wordt aangevoerd, elk van de verpachters het voornemen moet hebben tot exploitatie van zijn deel van het verpachte goed door de in artikel 37, §1, 2°, Pachtwet aangeduide persoon; Het is voldoende dat één van de verpachters dat voornemen heeft opdat de bevoorrechte pachtoverdracht met betrekking tot het gehele pachtgoed geen pachtvernieuwing doet ontstaan. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Onderverhuring en overdracht van huur Vrije woorden: Meerdere verpachters - Verzet - Voornemen tot exploitatie - Pachtvernieuwing - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen - 04-11-1969 - Artt. 30, eerste lid, 34, eerste lid, 35, eerste lid, 36, eerste lid, en 37, §§ 1, 2°, en 2 - 30 ELI link Pub nr 1969110401 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0411.N
- E. B.,
- R. D.,
- A. B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
- J. B.,
- D. B.,
- C. B., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 13 november
- Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 30, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de pachter van landeigendommen, in afwijking van artikel 1717 Oud Burgerlijk Wetboek en onder voorbehoud van het daarna bepaalde, zijn pacht niet geheel of ten dele aan anderen kan overdragen zonder toestemming van de verpachter. Artikel 34, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de pachter, zonder toestemming van de verpachter, zijn pacht geheel kan overdragen aan de in deze bepaling aangeduide personen. Artikel 35, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat, op voorwaarde dat de pachter binnen drie maanden na de ingenottreding van de overnemer aan de verpachter kennis geeft van de pachtoverdracht die de pachter heeft gedaan aan de bedoelde personen en hem daarbij de namen, voornamen en het adres van de overnemer of de overnemers meedeelt, van rechtswege pachtvernieuwing ten hunne voordele ontstaat bij gebreke van geldig verklaard verzet van de verpachter. Artikel 36, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de verpachter aan wie tijdig kennis is gegeven van de overdracht, kan opkomen tegen de pachtvernieuwing door de vroegere en de nieuwe pachter, op straffe van verval, binnen drie maanden na de kennisgeving van de overdracht, voor de vrederechter te dagvaarden, teneinde zijn verzet geldig te horen verklaren. Artikel 37, § 1, 2°, Pachtwet bepaalt dat als ernstige reden van verzet kan worden aanvaard het voornemen van de verpachter om het verpachte goed binnen een termijn van minder dan vijf jaar zelf te exploiteren of de exploitatie ervan over te dragen aan de in deze bepaling aangeduide personen. Krachtens artikel 37, § 2, Pachtwet kan de pachtovernemer, indien het verzet werd toegelaten op grond van de redenen bepaald in 2° van § 1, de pachtvernieuwing vragen zonder dat een nieuw verzet, gegrond op dezelfde reden, mogelijk is, indien de persoonlijke exploitatie door degene die in het verzet van de verpachter is aangewezen niet is verwezenlijkt binnen de termijn die in het verzet is bepaald. Hiertoe moeten de pachtovernemer of zijn rechtverkrijgenden een nieuwe kennisgeving van de pachtoverdracht doen binnen drie maanden na afloop van die termijn, op straffe van verval. Indien de pachtvernieuwing tot stand komt, gaat de nieuwe pachtperiode in op de verjaardag van de ingenottreding van de overnemer, volgend op bedoelde kennisgeving.
- De bevoorrechte overdracht, bepaald in voormeld artikel 35, is onsplitsbaar, zodat het op artikel 36 gegronde verzet tegen die overdracht, in geval van meerdere verpachters, door alle verpachters moet worden gedaan. Die regel houdt niet in dat, wanneer tot staving van het verzet het voornemen tot exploitatie wordt aangevoerd, elk van de verpachters het voornemen moet hebben tot exploitatie van zijn deel van het verpachte goed door de in artikel 37, § 1, 2°, Pachtwet aangeduide personen. Het is voldoende dat één van de verpachters dat voornemen heeft opdat de bevoorrechte pachtoverdracht met betrekking tot het gehele pachtgoed geen pachtvernieuwing doet ontstaan.
- Het bestreden vonnis stelt vast en oordeelt dat: - de eerste eiser en de verweerders ingevolge het openvallen van de nalatenschap van hun ouders mede-eigenaars zijn geworden van een aantal percelen lande-rijen die sinds 1 juli 1978 verpacht zijn aan de eerste en de tweede eisers; - de eerste en de tweede eisers aan de derde eiser een bevoorrechte pacht-overdracht hebben gedaan; - de verweerders zich daartegen verzet hebben; - de verweerders zich in de huidige stand van de procedure nog slechts op één reden van verzet beroepen, namelijk het voornemen van exploitatie door de dochter en schoonzoon van de eerste verweerder van het pachtgoed; - gezien de eisers niet langer betwisten dat de dochter en schoonzoon van de eerste verweerder landbouwers zijn en de exploitatie van een (deel van het) pachtgoed kunnen realiseren, en de vereffening-verdeling met de vraag tot gevoeglijke verdeling in natura nog hangende is, het voornemen van de eerste verweerder als ernstig en gegrond moet worden beschouwd; - deze gegrondverklaring van het verzet tegen de bevoorrechte pachtoverdracht maakt dat er geen sprake is van een pachtvernieuwing in hoofde van de derde eiser als pachter; - in tegenstelling tot de opzeg die voorwaardelijk kan worden gegeven omdat de mede-eigenaar overeenkomstig artikel 883 Oud Burgerlijk Wetboek geacht wordt alleen en onmiddellijk eigenaar te zijn geweest van het goed dat hij uit de nalatenschap haalt, de pachtvernieuwing niet voorwaardelijk of ten aanzien van slechts een deel van de mede-eigenaars kan gelden omdat de pachtovereenkomst ondeelbaar is en er geen sprake kan zijn van een bevoorrechte pacht-overdracht ten aanzien van de tweede en de derde verweerster, terwijl dat niet het geval zou zijn ten aanzien van de eerste verweerder.
- Door aldus te oordelen, is het bestreden vonnis naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 821,67 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 26 februari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210226.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div