← België

JAN DE NUL nv contra BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210226.1N.7 Rolnummer: C.17.0582.N Zaak: JAN DE NUL nv contra BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-03-18 Raadplegingen: 1625 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een loutere indiening van een vorderingsstaat door de aannemer levert niet het bewijs op van het verschuldigd zijn van het bedrag dat hiermee wordt geëist en dat er voor de procedure tot verificatie van de vorderingsstaat geen vervaltermijn wordt opgelegd.

(1)Art. 15, § 1 AVV, bijlage bij KB 26 september 1996. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Vrije woorden: Indienen van een vorderingsstaat - Bewijs - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken - 26-09-1996 - Art. 15, § 1 - 46 Link Justel databank 19960926-46 Fiche 2 De omstandigheid dat de overheid niet onverwijld overgaat tot de verificatieprocedure voor de vorderingsstaat of nalaat om de ingediende vorderingsstaat te betwisten binnen de in artikel 15, § 1, 3° Algemene Aannemingsvoorwaarden bepaalde betalingstermijnen leidt niet van rechtswege tot het verval van het recht op verificatie in hoofde van de overheid of tot een stilzwijgende aanvaarding van de vorderingsstaat door de overheid.
(1)Art. 15, § 1, 3° AVV, bijlage bij KB 26 september 1996. Thesaurus CAS: OVERHEIDSOPDRACHTEN (WERKEN. LEVERINGEN. DIENSTEN) Vrije woorden: Indienen van een vorderingsstaat - Gebrek aan onmiddellijke verificatie door de overheid - Gevolg Wettelijke bepalingen: Algemene aannemingsvoorwaarden voor de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en voor de concessies voor openbare werken - 26-09-1996 - Art. 15, § 1, 3° - 46 Link Justel databank 19960926-46 Fiches 3 - 4 Inzake de verjaring van vorderingen tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zijn tot 1 januari 2006 de bepalingen van de Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing en zijn pas vanaf 1 januari 2006 de gemeenrechtelijke termijnen van de nieuwe wet van toepassing op toekomstige en lopende termijnen. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST Vrije woorden: Schuldvordering - Vordering tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Verjaring - Termijnen - Toepasselijke wet - Toepassing in de tijd Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten - 16-01-1989 - Artt. 50, § 2, en 71, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989021010 Wet 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof - 16-05-2003 - Art. 15 - 50 ELI link Pub nr 2003003343 KB 18 maart 2004 houdende, voor wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, uitstel van de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor ... - 18-03-2004 - Art. 1 - 36 ELI link Pub nr 2004003139 Thesaurus CAS: VERJARING - ALGEMEEN Vrije woorden: Schuldvordering - Vordering tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Verjaring - Termijnen - Toepasselijke wet - Toepassing in de tijd Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten - 16-01-1989 - Artt. 50, § 2, en 71, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1989021010 Wet 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof - 16-05-2003 - Art. 15 - 50 ELI link Pub nr 2003003343 KB 18 maart 2004 houdende, voor wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, uitstel van de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor ... - 18-03-2004 - Art. 1 - 36 ELI link Pub nr 2004003139 Fiches 5 - 6 Voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave uitmaken, dient de belanghebbende, om de betaling van de vordering te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening over te leggen, waarbij de verjaringstermijn van vijf jaar geldt voor de schuldvorderingen die door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST Vrije woorden: Schuldvordering op de Staat, gemeenschappen en gewesten - Andere dan vaste uitgave - Wet Rijkscomptabiliteit - Verjaring - Termijnen Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 KB 10 december 1868 houdende algemeen reglement op Rijkscomptabiliteit - 10-12-1868 - Artt. 68 en 100 - 01 Link Justel databank 18681210-01 Thesaurus CAS: VERJARING - ALGEMEEN Vrije woorden: Schuldvordering op de Staat, gemeenschappen en gewesten - Andere dan vaste uitgave - Wet Rijkscomptabiliteit - Verjaring - Termijnen Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 KB 10 december 1868 houdende algemeen reglement op Rijkscomptabiliteit - 10-12-1868 - Artt. 68 en 100 - 01 Link Justel databank 18681210-01 Fiches 7 - 8 Een schuldvordering op de Staat, gemeenschappen en gewesten, die wegens het verstrijken van de termijnen bedoeld in artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit is verjaard, is voorgoed vervallen en tenietgegaan en geeft bijgevolg geen aanleiding tot het ontstaan van een natuurlijke verbintenis in hoofde van de overheidsinstantie; evenmin laat het openbare orde karakter van artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit toe dat de overheid afstand doet van de ingetreden verjaring en de definitief vervallen vordering laat herleven. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAP EN GEWEST Vrije woorden: Schuldvordering op de Staat, gemeenschappen en gewesten - Andere dan vaste uitgave - Wet Rijkscomptabiliteit - Verjaring - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Thesaurus CAS: VERJARING - ALGEMEEN Vrije woorden: Schuldvordering op de Staat, gemeenschappen en gewesten - Andere dan vaste uitgave - Wet Rijkscomptabiliteit - Verjaring - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Fiche 9 Wanneer een vordering reeds verjaard is volgens de oude wet, blijft deze ook na de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet verjaard, ook al zou de vordering bij toepassing van de nieuwe wet nog niet verjaard zijn, zijn de nieuwe verjaringsregels die worden ingevoerd door de nieuwe wet, niet van toepassing op een schuldvordering waarvan de verjaring is verworven onder de oude wet en die niet blijft verder bestaan als een natuurlijke verbintenis, en moet de rechtsgeldigheid van de afstand aan de definitief verworven verjaring van die vordering beoordeeld worden volgens de oude wet, zelfs indien de afstand zou worden afgeleid uit feiten die dateren van na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Schuldvordering - Verjaring volgens de oude wet - Inwerkingtreding van de nieuwe wet - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 2 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 10 De nieuwe verjaringsregels doen geen afbreuk aan het karakter van openbare orde van artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Schuldvordering - Artikel 100 wet Rijkscomptabiliteit - Openbare ordeee - Inwerkingtreding van nieuwe verjaringsregels - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof - 16-05-2003 - Artt. 15 en 16 - 50 ELI link Pub nr 2003003343 Wet 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat - 22-05-2003 - Artt. 113 tot 116 - 41 ELI link Pub nr 2003003367 Tekst van de beslissing Nr. C.17.0582.N J. D. N. nv, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST, voor wie optreedt de minister van Mobiliteit en Openbare Werken, met kabinet te 1030 Brussel, Koning Albert II-laan 37, 12de verdieping, eerste verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eerste verweerder woonplaats kiest, 2. BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen, met kabinet te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, tweede verweerder, In aanwezigheid van: 1. APRO nv, met zetel gevestigd te 9280 Lebbeke, D'Helst 16, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0446.774.476, 2. AQUARECH bv, met zetel te 3080 Tervuren (Duisburg), Hulststraat 128, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0466.082.228, partijen opgeroepen tot bindend verklaring van het tussen te komen arrest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 15 mei 2017. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel 1. Artikel 15, § 1, Algemene Aannemingsvoorwaarden, zoals toepasselijk in dit geval, luidt als volgt : "1° Zowel voor de betalingen in mindering als voor de betaling van het saldo of van de enige betaling van de aannemingssom, is de aannemer verplicht een gedagtekende en ondertekende schuldvordering over te leggen die steunt op een gedetailleerde staat van de werken, welke zijns inziens, de gevraagde betalingen rechtvaardigen. Deze gedetailleerde staat kan omvatten:
  1. a)de hoeveelheden uitgevoerd boven de vermoedelijke hoeveelheden die voorkomen in de posten van de prijslijst;
  2. b)de bijwerken uitgevoerd op schriftelijk bevel van de leidend ambtenaar;
  3. c)de werken uitgevoerd tegen de door de aannemer voorgestelde en door de aanbestedende overheid nog niet aanvaarde eenheidsprijzen. 2° De aanbestedende overheid ziet de ingediende staat van werken na en brengt er eventueel verbeteringen in aan; wanneer er niet tussen de partijen overeengekomen eenheidsprijzen in voorkomen, stelt ze de prijzen ambtshalve vast met behoud van alle rechten van de aannemer; Na ontvangst van elke verklaring van schuldvordering maakt ze onverwijld een proces-verbaal op met vermelding van het bedrag dat ze werkelijk verschuldigd acht te zijn en geeft de aannemer schriftelijk kennis van de staat van de werken die aldus voor betaling zijn aanvaard. Terzelfdertijd verzoekt de aanbestedende overheid de aannemer, binnen de vijf kalenderdagen, een factuur in te dienen voor hetzelfde bedrag. 3° De betaling van de aan de aannemer verschuldigde sommen, geschiedt binnen de zestig kalenderdagen vanaf de dag waarop de aanbestedende overheid de verklaring van schuldvordering heeft ontvangen. In geval van eindvereffening van de aanneming of van enige betaling, wordt deze termijn op negentig kalenderdagen gebracht. De voormelde termijnen van zestig en negentig kalenderdagen worden verlengd naar rato van de overschrijding van de termijn van vijf dagen die in het 2° aan de aannemer wordt verleend om zijn factuur in te dienen. Deze termijnen mogen in het bestek niet worden verlengd en iedere hiermee tegenstrijdige bepaling wordt als niet bestaande beschouwd tenzij in de gevallen van opdrachten gegund bij onderhandelingsprocedure". 2. Uit het geheel van die bepalingen volgt dat de loutere indiening van een vorderingsstaat door de aannemer niet het bewijs oplevert van het verschuldigd zijn van het bedrag dat hiermee wordt geëist en dat er voor de procedure tot verificatie van de vorderingsstaat geen vervaltermijn werd opgelegd. Hieruit volgt tevens dat de omstandigheid dat de overheid niet onverwijld overgaat tot de verificatieprocedure voor de vorderingsstaat of dat de overheid nalaat om de ingediende vorderingsstaat te betwisten binnen de in artikel 15, § 1, 3°, Algemene Aannemingsvoorwaarden bepaalde betalingstermijnen niet van rechtswege leidt tot het verval van het recht op verificatie in hoofde van de overheid of tot een stilzwijgende aanvaarding van de vorderingsstaat door de overheid. 3. In zoverre het middel aanvoert dat het niet-tijdig betwisten van de door de aannemer ingediende vorderingsstaat binnen de in artikel 15, § 1, 3°, Algemene Aannemingsvoorwaarden bepaalde betalingstermijnen geldt als stilzwijgende aanvaarding in hoofde van de aanbestedende overheid, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting en faalt het naar recht. 4. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 101 Wet Rijkscomptabiliteit is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 15, § 1, Algemene Aannemingsvoorwaarden en mitsdien niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Krachtens artikel 50, § 2, Financieringswet 1989 bepaalt de wet de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de begrotingen en de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook op de organisatie van de controle uitgeoefend door het Rekenhof. Artikel 71, § 1, van dezelfde wet bepaalt dat tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel 50, § 2, de vigerende bepalingen inzake onder meer de Rijkscomptabiliteit van overeenkomstige toepassing zijn op de gemeenschappen en de gewesten. De wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, heeft uitvoering gegeven aan artikel 50, § 2, Financieringswet 1989. Artikel 15 van deze wet van 16 mei 2003 bepaalt dat, onverminderd het bepaalde in artikel 16 dat betrekking heeft op salarissen en toebehoren, de verjaringsregels van het gemeen recht van toepassing zijn op de gemeenschappen en de gewesten bedoeld in artikel 2. Krachtens artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 maart 2004 houdende, voor wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, uitstel van de inwerkingtreding van de wet van 16 mei 2003, werd de inwerkingtreding van deze wet uitgesteld tot 1 januari 2006. 6. Uit het geheel van alle voorgaande bepalingen volgt dat inzake de verjaring van vorderingen tegen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, tot 1 januari 2006 de bepalingen van de Wet Rijkscomptabiliteit van toepassing zijn en dat pas vanaf 1 januari 2006 de gemeenrechtelijke termijnen van de nieuwe wet van toepassing zijn op toekomstige en lopende termijnen. 7. Krachtens artikel 100, eerste lid, Wet Rijkscomptabiliteit zijn verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen: 1° de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet is geschied binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan; 2° de schuldvorderingen, die hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd. Uit de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende het algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit, inzonderheid de artikelen 68 en 100, volgt dat voor andere schuldvorderingen dan die welke voor de Staat een vaste uitgave uitmaken, de belanghebbende, om de betaling van de vordering te verkrijgen, een aangifte, staat of rekening dient over te leggen. 8. Artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit dat de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen tot betaling van de schuldvorderingen op de Staat, de gemeenschappen en gewesten vaststelt, regelt de wezenlijke belangen van die overheidsinstanties en raakt derhalve de openbare orde. 9. Uit het voorafgaande volgt tevens dat de verjaringstermijn van vijf jaar bedoeld in artikel 100, eerste lid, 2°, Wet Rijkscomptabiliteit geldt voor de schuldvorderingen die hoewel ze zijn overgelegd binnen de onder 1° bedoelde termijn, door de ministers niet zijn geordonnanceerd binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar gedurende hetwelk ze werden overgelegd. Een schuldvordering op de Staat, gemeenschappen en gewesten, die wegens het verstrijken van de termijnen bedoeld in artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit is verjaard, is voorgoed vervallen en tenietgegaan en geeft bijgevolg geen aanleiding tot het ontstaan van een natuurlijke verbintenis in hoofde van die overheidsinstanties. Het openbare-orde-karakter van artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit laat ook niet toe dat de overheid afstand doet van de ingetreden verjaring en de definitief vervallen vordering laat herleven. 10. Krachtens artikel 2 Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Een nieuwe wet is in de regel niet enkel van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de vroegere wet ontstane toestanden die zich voordoen of die voortduren onder vigeur van de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Hieruit volgt dat wanneer een vordering reeds verjaard is volgens de oude wet, deze ook na de inwerkingtreding van de nieuwe verjaringswet verjaard blijft, ook al zou de vordering bij toepassing van de nieuwe wet nog niet verjaard zijn. Hieruit volgt tevens dat de nieuwe verjaringsregels die worden ingevoerd door de nieuwe wet, niet van toepassing zijn op een schuldvordering waarvan de verjaring is verworven onder de oude wet en die niet blijft verder bestaan als een natuurlijke verbintenis en dat de rechtsgeldigheid van de afstand aan de definitief verworven verjaring van die vordering moet beoordeeld worden volgens de oude wet, zelfs indien de afstand zou worden afgeleid uit feiten die dateren van na de inwerkingtreding van de nieuwe wet. 11. Het onderdeel dat geheel berust op de tegengestelde rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel 12. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit dat de verjaringstermijn van de rechtsvorderingen tot betaling van de schuldvorderingen op de Staat, de gemeenschappen en de gewesten vaststelt, de wezenlijke belangen van die overheidsinstanties regelt en derhalve de openbare orde raakt. De nieuwe verjaringsregels die vervat liggen in de artikelen 15 en 16 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof of in de artikelen 113 tot 116 van de wet van 22 mei 2003 houdende organisatie van de begroting en van de comptabiliteit van de federale Staat doen geen afbreuk aan het karakter van openbare orde van artikel 100 Wet Rijkscomptabiliteit. Het onderdeel dat geheel berust op de tegengestelde rechtsopvatting, faalt naar recht. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.504,83 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 26 februari 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210226.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.