← België

S. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.10 Rolnummer: P.20.1335.N Zaak: S. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-03-05 Raadplegingen: 1303 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat; dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan

(1); er is bijgevolg geen oorzakelijk verband wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweerder de hem verweten handelwijze correct had uitgevoerd; de rechter moet aldus bepalen wat de verweerder had moeten doen om rechtmatig te handelen; hij moet abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval, zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen, en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan; indien de rechter daarbij vaststelt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan of oordeelt dat zulks onzeker is, is er geen oorzakelijk verband tussen fout en schade; om te besluiten tot een oorzakelijk verband dient de rechter niet alle mogelijke hypothetische gevolgen die tot dezelfde schade hadden kunnen leiden, te vermelden en uit te sluiten.
(1)Cass. 10 november 2020, AR P.20.0659.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9, AC 2020, nr. 688 met concl. OM; Cass. 14 januari 2020, AR P.19.0931.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8, AC 2020, nr. 35, N.C. 2020, 355; Cass. 9 december 2015, AR P.15.0578.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151209.2, AC 2015, nr. 734 met concl. van advocaat-generaal M. PALUMBO, op datum in Pas. Droit Pénal de l'Entreprise, 2016, 149 noot F. LAGASSE; Cass. 20 oktober 2015, AR P.14.0763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.1, AC 2015, nr. 614, R.W. 2016-17, 706; Cass. 29 oktober 2014, AR P.13.0820.F, AC 2014, nr. 644 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 1 februari 2011, AR P.10.1354.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.6, AC 2011, nr. 96, RW 2011-12, 957 noot S. VAN OVERBEKE; Cass. 30 mei 2001, AR P.01.0075.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010530.9, AC 2001, nr. 319; Cass. 15 december 1992, AR 5700, AC 1991-92, nr. 795; Cass. 27 maart 1980, AC 1979-80,
  1. Zie F. VAN VOLSEM, “Culpa in het Belgisch strafrecht: een poging tot synthese”, Preadviezen van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, Boom uitgevers, 2012, 115; S. VAN OVERBEKE, “Onopzettelijke doodslag en onopzettelijke slagen en verwondingen: een algemene strafbaarstelling die een specifieke schade onderstelt”, RW 2011-12, 960; J. ROZIE en T. VANSWEEVELT, “Causaliteit in het Belgische strafrecht. Over de kruisbestuiving tussen het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht en het strafrecht”, N.C. 2014, 433-473; C. IDOMON, “Onopzettelijk doden en onopzettelijk toebrengen van lichamelijk letsel”, in Strafrecht. Duiding, Larcier, 2018, 536; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 315-
  2. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Zeker oorzakelijk verband tussen fout en schade - Rechtmatig handelen van de verweerder - Uitsluiten van alle mogelijke hypothetische gevolgen die tot dezelfde schade hadden kunnen leiden - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Zeker oorzakelijk verband tussen fout en schade - Rechtmatig handelen van de verweerder - Uitsluiten van andere mogelijke hypothetische gevolgen die tot dezelfde schade hadden kunnen leiden - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1335.N
  3. V. S., beklaagde,
  4. IMENA, vennootschap naar Litouws recht, met zetel te 89222 Mazikiai (Litouwen), Draugystes g. 8-10, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, beiden met als raadsman mr. Frederiek Baudoncq, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3001 Leuven (Heverlee), Philipssite 5 bus 2, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
  5. K. H.,
  6. M. R.,
  7. Y. H.,
  8. K. H., burgerlijke partijen, verweerders, allen met als raadsman mr. Inge Gabriels, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 10 september 2020, op verwijzing bij het arrest van 1 oktober 2019 van het Hof. De eisers voeren in een memorie dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van de eerste eiser en het ongeval omdat zij weigeren om uitsluitend het foutieve aspect van zijn handeling weg te denken zonder aan de concrete omstandigheden van het ongeval te raken.
  10. De appelrechters oordelen dat uit de vaststellingen van de deskundige blijkt dat de fatale gevolgen van het ongeval moeten gekoppeld worden aan de insnijding en vervolgens inplooiing van de dakstructuur van het voertuig door de impact met het hoger gelegen laadruimboxgedeelte, zodat de aanwezigheid van de vrachtwagen een noodzakelijke voorwaarde was voor het ontstaan van de schade zoals deze zich heeft gemanifesteerd.
  11. Het onderdeel dat er geheel vanuit gaat dat de appelrechters het oorzakelijk verband tussen de fout van de eerste eiser en het ongeval louter afleiden uit de reden dat het onzeker is dat in afwezigheid van de trekker-oplegger een aanrijding zou hebben plaatsgevonden, minstens dat het niet zeker is dat de schade aan het voertuig zich met dezelfde fatale gevolgen veruitwendigd zou hebben, berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1382 oud Burgerlijk Wetboek: de appelrechters stellen niet wettig het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de fout van de eerste eiser en de schade vast omdat zij niet onderzoeken welke de impact en de gevolgen zouden geweest zijn van een botsing van het voertuig tegen de aanwezige beplanting of betonnen stootrand.
  13. Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan. Er is bijgevolg geen oorzakelijk verband wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweerder de hem verweten handelwijze correct had uitgevoerd. De rechter moet aldus bepalen wat de verweerder had moeten doen om rechtmatig te handelen. Hij moet abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval, zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen, en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan. Indien de rechter daarbij vaststelt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan of oordeelt dat zulks onzeker is, is er geen oorzakelijk verband tussen fout en schade. Om te besluiten tot een oorzakelijk verband dient de rechter niet alle mogelijke hypothetische gevolgen die tot dezelfde schade hadden kunnen leiden, te vermelden en uit te sluiten.
  14. De appelrechters oordelen dat: - de eiser zijn trekker met oplegger op de pechstrook van de autosnelweg had geparkeerd om zijn verplichte rustpauze te nemen en hierdoor een inbreuk be-ging op artikel 21.4.4 Wegverkeersreglement; - volgens de eisers het oorzakelijk verband tussen deze inbreuk en het ongeval onzeker is omdat het, gelet op de plaatselijke gesteldheid, ook zonder de aanwezigheid van de trekker met oplegger niet voldoende zeker zou zijn dat het slachtoffer het ongeval zou overleefd hebben aangezien er zich "mogelijks verschillende opties met potentieel dodelijke afloop" hadden kunnen voordoen; - de enkele vaststelling dat het ongeval in andere omstandigheden mogelijk eveneens een dodelijke afloop zou kunnen hebben gehad, niet volstaat om tot de afwezigheid van een oorzakelijk verband te besluiten; - het onzeker is dat in afwezigheid van de trekker-oplegger een aanrijding zou hebben plaatsgevonden, minstens dat het niet zeker is dat de schade aan het voertuig zich met dezelfde fatale gevolgen veruitwendigd zou hebben; - niet kan worden uitgesloten dat het voertuig alsnog tegen de aanwezige beplanting of betonnen stootrand zou zijn gebotst; - uit de vaststellingen van de deskundige blijkt dat de fatale gevolgen van het ongeval moeten gekoppeld worden aan de insnijding en vervolgens inplooiing van de dakstructuur van het voertuig door de impact met het hoger gelegen laadruimboxgedeelte; - de aanwezigheid van de vrachtwagen aldus een noodzakelijk voorwaarde was voor het ontstaan van de schade zoals deze zich heeft gemanifesteerd.
  15. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat een oorzakelijk verband bestaat tussen de fout van de eerste eiser en het ongeval, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 103,81 euro, waarvan 68,81 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010530.9 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110201.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151020.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151209.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201110.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220512.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.