id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Regelmatigheid van de procedure - Ambtshalve toezicht - Klacht met burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Aannemelijk maken van reële en persoonlijke schade - Klacht over valse verklaringen van derden in een fiscale procedure - Ontbreken van een uitspraak van de belastingadministratie op moment van de uitspraak van het onderzoeksgerecht - Impact van de beweerde valse verklaringen op de uitslag van de fiscale procedure - Bewijswaarde van andere gegevens van het strafdossier - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Ambtshalve toezicht - Klacht met burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Aannemelijk maken van reële en persoonlijke schade - Klacht over valse verklaringen van derden in een fiscale procedure - Ontbreken van een uitspraak van de belastingadministratie op moment van de uitspraak van het onderzoeksgerecht - Impact van de beweerde valse verklaringen op de uitslag van de fiscale procedure - Bewijswaarde van andere gegevens van het strafdossier - Invloed Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 63- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.20.1234.N KNAPEN METAAL nv, met zetel te 3700 Tongeren, Prinsenweg 33, burgerlijke partij, eiseres, met als raadslieden mr. Tom Bauwens en mr. Margot Vandebeek, advocaten bij de balie Brussel, tegen
- A. H. A. S., inverdenkinggestelde,
- J. A. S., inverdenkinggestelde,
- W. E. M. N., inverdenkinggestelde, verweerders, met als raadsman mr. David Thoeng, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest verklaart het incidenteel beroep van de verweerder 1 met betrekking tot de kosten voor een afschrift van het strafdossier en de incidentele beroepen van de verweerders 1 en 3 met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg ongegrond. In zoverre gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat uit geen enkel stuk blijkt dat er een causaal verband bestaat tussen de schade van de eiseres en de door haar aangeklaagde strafbare feiten, met andere woorden dat geen stuk een verband aantoont tussen de fiscale administratieve procedure en de door de eiseres opgestarte strafprocedure; het arrest laat echter na te verwijzen naar de bewoordingen van de door de eiseres bijgebrachte e-mails van de belastingadministratie van 3 december 2018 en 20 april 2020, die het aanhaalt; uit die e-mails blijkt wel degelijk het bestaan van dat oorzakelijk verband; bijgevolg miskent het arrest de bewijskracht van die e-mails.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat, die er wel in voorkomt, kortom wanneer hij het geschrift doet liegen.
- De enkele omstandigheid dat de rechter uit een stuk dat hij vermeldt niet hetzelfde gevolg afleidt als een partij, houdt echter nog geen miskenning van de bewijskracht van dat stuk in.
- Het arrest (p. 12) leidt uit de vermelde e-mails af dat de taxaties, belastingverhogingen en nalatigheidsinteresten, die de beweerde schade van de eiseres ingevolge de aan de verweerders verweten verklaringen uitmaken, thans nog steeds het voorwerp zijn van betwisting door de eiseres. Daarmee doet het arrest die e-mails niet liegen en miskent het derhalve niet de bewijskracht ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 127, § 4, en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: met de redenen die het bevat en waarmee het onder meer speculeert over de afloop van de nog hangende fiscale administratieve procedure, beantwoordt het arrest niet het met stukken gestaafde verweer van de eiseres dat haar klacht met burgerlijke-partijstelling ontvankelijk is omdat zij wel degelijk een oorzakelijk verband aantoont tussen de valse verklaringen van de verweerders aan de belastingadministratie en haar schade bestaande in bijkomende belastingschulden; het arrest verwijst enkel naar de documenten van de belastingadministratie en neemt geen standpunt in over eiseres' verweer over schade en oorzakelijk verband; aldus laat het niet toe de beslissing te begrijpen, noch verantwoordt het de beslissing naar recht.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op het onderzoeksgerecht dat op grond van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de strafvordering. In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Hij die beweert door een misdaad of een wanbedrijf te zijn benadeeld, kan zich op grond van artikel 63 Wetboek van Strafvordering voor de bevoegde onderzoeksrechter burgerlijke partij stellen, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, haar omvang en het oorzakelijk verband ervan met het desbetreffende misdrijf. Evenwel moet de beweerde benadeelde, wil zijn burgerlijke-partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering over de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, aannemelijk maken.
- De enkele omstandigheid dat de belastingadministratie wacht met de behandeling van het bezwaarschrift van een belastingplichtige over verschuldigde vennootschapsbelastingen totdat de strafrechter zich heeft uitgesproken over een klacht met burgerlijke-partijstelling van de belastingplichtige tegen derden die valse verklaringen zouden hebben afgelegd, die een impact zouden kunnen hebben op de betwisting over de verworpen beroepskosten van die belastingplichtige, verplicht het onderzoeksgerecht niet ervan uit te gaan dat die verklaringen bepalend zijn voor de uitslag van de fiscale administratieve betwisting.
- Evenmin belet de omstandigheid dat de belastingadministratie nog geen uitspraak heeft gedaan over het bezwaarschrift van de belastingplichtige, dat het onderzoeksgerecht op grond van de aan dat gerecht voorgelegde gegevens oordeelt dat de klager geen reële en persoonlijke schade ingevolge de aangeklaagde valsheden aannemelijk maakt omdat het onwaarschijnlijk is dat die valsheden de beoordeling van het fiscale geschil zullen beïnvloeden. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het onderzoeksgerecht oordeelt in beginsel onaantastbaar of de schade die de benadeelde beweert te hebben geleden als gevolg van het door hem aangeklaagde feit aannemelijk is. Het Hof gaat na of het onderzoeksgerecht met de gevolgen die het uit zijn vaststellingen afleidt, de begrippen schade en oorzakelijk verband niet miskent.
- Het arrest oordeelt dat de eiseres geen reële en persoonlijke schade ingevolge de aangeklaagde feiten aannemelijk maakt op grond van de volgende redenen: - de eiseres heeft klacht met burgerlijke-partijstelling neergelegd lastens de verweerders wegens feiten voorlopig gekwalificeerd als fiscale valsheid in geschriften, minstens valsheid in geschriften, en gebruik van valse stukken; - deze feiten hebben betrekking op de leugenachtige verklaringen van de verweerders aan de bijzondere belastinginspectie, waarbij zij valselijk bepaalde leveringen van materialen aan de eiseres hebben betwist; - de eiseres beweert dat ingevolge die verklaringen haar aankoopkosten voor die leveringen zijn verworpen en zij daardoor zware schade lijdt wegens het verschuldigd zijn van bijkomende vennootschapsbelastingen, belastingverhogingen en nalatigheidsinteresten; - tijdens een controlebezoek stelden de ambtenaren van de bijzondere belastinginspectie blijkbaar vast dat een aantal van de door de eiseres voorgelegde aankoopborderellen onvoldoende gegevens bevatten om de leveranciers van de oude metalen te kunnen identificeren, waarna aan de eiseres een vraag tot inlichtingen werd gericht; - uit de berichten van wijziging blijkt dat op basis van de nummerplaat vermeld op de borderellen wel de verweerders konden worden geïdentificeerd als mogelijke leveranciers van de eiseres, dat de verweerders door de bijzondere belastinginspectie werden gecontacteerd en dat zij hun thans aangeklaagde verklaringen hebben afgelegd; - uit het voorgaande blijkt dat de bijzondere belastinginspectie zich reeds vóór het afleggen van de bewuste verklaringen door de verweerders vragen stelde bij de bewijskrachtigheid van de administratie, boekhouding of documentatie van de eiseres met betrekking tot de aankopen van particuliere leveranciers, die hoofdzakelijk lijkt te bestaan uit de door de eiseres voorgelegde aankoopborderellen of -bonnen; - de bijzondere belastinginspectie heeft in de berichten van wijziging meermaals verwezen naar het feit dat het aan de eiseres is om de echtheid en het bedrag van haar fiscaal aftrekbare aankoopkosten te bewijzen; - gezien de finaliteit van de berichten van wijziging, met name de verwerping van de door de eiseres in aftrek gebrachte beroepskosten en de hieruit volgende verhoging van haar belastingschuld, is het duidelijk dat de belastingadministratie van oordeel is dat de eiseres niet slaagt in haar bewijslast; - specifiek inzake de leveringen die aan de verweerders zouden kunnen worden gelinkt, stelt de bijzondere belastinginspectie in de berichten van wijziging onder andere dat niet-ondertekende bonnen die bovendien betwist worden door de betrokken leveranciers, onvoldoende bewijs van levering zijn; - bij nazicht van de bij het strafdossier gevoegde borderellen, bonnen en bankcheques stelt de kamer van inbeschuldigingstelling vast dat de borderellen of bonnen enkel de nummerplaat vermelden van het voertuig waarmee de levering zou zijn gebeurd, datum en uur van de levering, de soort en hoeveelheid metaal, de betalingsvoorwaarden, zijnde steeds contant, en het bedrag dat door de eiseres aan de leverancier zou zijn betaald. Het overgrote deel van de bonnen is niet ondertekend, een beperkt aantal wel en met name de bonnen met vermelding van een welbepaalde nummerplaat. De handtekeningen op deze bonnen die gelinkt zouden worden aan de verweerster 3, lijken prima facie niet steeds dezelfde; - verder kan worden vastgesteld dat de voorliggende afschriften van de bankcheques ten belope van de met bonnen overeenstemmende bedragen nooit op naam werden gesteld van de particuliere leveranciers aan wie de cheque zou kunnen worden uitbetaald; - er wordt in de gegeven omstandigheden niet aannemelijk gemaakt dat de berichten van wijziging met verwerping van de aankoopkosten als beroepskosten en de hieruit volgende taxaties, belastingverhogingen en nalatigheidsintresten, hadden kunnen worden vermeden bij afwezigheid van de aangeklaagde feiten; - de taxaties, belastingverhogingen en nalatigheidsintresten maken thans nog steeds het voorwerp uit van betwisting door de eiseres, zoals onder meer blijkt uit de door haar bijgebrachte e-mails van de belastingadministratie.
- Met deze redenen, die steunen op een eigen onderzoek van de voorliggende gegevens, geeft het arrest te kennen dat de beweerde schade van de eiseres verband houdt met de onvolkomenheid en het daaruit volgend gebrek aan bewijskrachtigheid van haar aankoopboekhouding, dat de verklaringen van de verweerders daarvoor niet bepalend zijn en dat er nog geen schade van de eiseres vaststaat. Daaruit kan het arrest zonder miskenning van de begrippen schade en oorzakelijk verband afleiden dat de eiseres haar schade niet aannemelijk maakt, zodat haar klacht met burgerlijke-partijstelling en de erop gesteunde strafvordering niet ontvankelijk zijn. Aldus neemt het arrest standpunt in over het verweer van de eiseres over zowel de schade als het oorzakelijk verband, beantwoordt het dat verweer en is de beslissing begrijpelijk en naar recht verantwoord, zonder dat nog een specifiek antwoord was vereist op het verder doelloze verweer van de eiseres over de belangstelling van de belastingadministratie voor haar strafklacht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering en artikel 49 WIB92: anders dan het arrest oordeelt, staan de schade van de eiseres en het oorzakelijk verband tussen de aangeklaagde feiten en die schade vast aangezien de belastingadministratie lastens de eiseres beschikt over een uitvoerbare titel; op grond van artikel 49 WIB92 moet de belastingplichtige zijn aftrekbare beroepskosten verantwoorden door bewijsstukken; zonder de verklaringen van de verweerders hadden de bewijsstukken van de eiseres tot bewijs van haar beroepskosten volstaan; met het oordeel dat de verklaringen van de verweerders geen invloed hebben gehad op de geloofwaardigheid van de bewijsstukken, breidt het arrest de bewijslast overeenkomstig artikel 49 WIB92 uit.
- Het arrest oordeelt niet dat de belastingadministratie de verantwoordingsstukken voor door de eiseres voorgehouden aankopen betwist enkel op grond van de aangeklaagde verklaringen van de verweerders. In zoverre het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijk grondslag.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,71 euro, waarvan 12,71 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231128.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240611.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201027.2N.4 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251022.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div