← België

N.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.16 Rolnummer: P.21.0175.N Zaak: N. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-05 Raadplegingen: 557 - laatst gezien 2026-06-18 14:16 Versie(s): Vertaling FR Fiche Bij toepassing van artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank bij een herroeping van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht dat de periode die de veroordeelde in beperkte detentie was of onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen; die bepaling verplicht de strafuitvoeringsrechtbank niet om de datum van het strafeinde van de veroordeelde te bepalen

(1).
(1)In geval van herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (art. 68§5, tweede lid, Wet Strafuitvoering) beschikt de strafuitvoeringsrechtbank wel over een beoordelingsmarge bij het bepalen van het resterende gedeelte van de vrijheidsstraf, en moet dit resterende gedeelte in het vonnis van herroeping wel worden bepaald (Cass. 19 januari 2021, AR P.20.1314.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.5, AC 2021, nr. 38) BDS Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Herroepen van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht - Aftrok van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraf - Datum van het strafeinde - Vermelding in het vonnis - Grens Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 68, § 5, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0175.N A. N., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, van 29 januari
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering en artikel 795 Gerechtelijk Wetboek: door zich onbevoegd te verklaren om te oordelen over de datum van het strafeinde van de eiser schendt de strafuitvoeringsrechtbank de verplichting om bij een herroeping van de strafuitvoeringsmodaliteit het resterende gedeelte van de terug te activeren vrijheidsstraffen te bepalen en bijgevolg ook om te bepalen wanneer die straffen eindigen; de strafuitvoeringsrechtbank is wettelijk verplicht zich uit te spreken over het strafeinde en dienvolgens ook over eisers verzoek tot verbetering van de in het vonnis tot herroeping vermelde datum van het strafeinde.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de strafuitvoeringsrechtbank bij vonnis van 18 oktober 2019 aan de eiser de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht heeft toegekend; - het elektronisch toezicht door de strafuitvoeringsrechtbank werd herroepen bij vonnis van 30 oktober 2020, waarin tevens werd bepaald dat de dagen die de eiser doorbracht onder het regime van het elektronisch toezicht in mindering komen op het strafrestant en dat de eiser een nieuw verzoek kan indienen vanaf 23 april 2021; - in de redenen van het vonnis van 30 oktober 2020 werd vermeld dat de eiser vijf titels in uitvoering heeft wegens diefstallen, al dan niet met verzwarende omstandigheden, en dat zijn strafeinde is voorzien op 2 februari 2022; - de eiser bij gerechtsdeurwaardersexploot van 15 januari 2021 een vordering tot verbetering van het vonnis van 30 oktober 2020 heeft ingesteld in zoverre het strafeinde daarin werd bepaald op 2 februari 2022, waarbij die datum volgens hem moet worden verbeterd tot 2 februari 2021; de eiser hierbij voorhoudt dat hij van de griffie van de gevangenis het bericht heeft gekregen dat de detentiefiche inderdaad niet correct is en dat het strafeinde moet worden bepaald op 22 januari 2022; - het bestreden vonnis oordeelt dat er geen sprake is van een materiële vergissing in het vonnis van 30 oktober 2020 omdat volgens de opsluitingsfiche van 30 oktober 2020 als strafeinde de datum van 2 februari 2022 was vermeld, en zich onbevoegd verklaart om te oordelen over de datum van het strafeinde van de eiser.
  4. Bij toepassing van artikel 68, § 5, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank bij een herroeping van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht dat de periode die de veroordeelde in beperkte detentie was of onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen. Die bepaling verplicht de strafuitvoeringsrechtbank niet om de datum van het strafeinde van de veroordeelde te bepalen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Aan de bepaling van de datum van het strafeinde in het vonnis van 30 oktober 2020 tot herroeping van het elektronisch toezicht worden geen rechtsgevolgen verbonden. De eiser heeft er geen belang bij om een vordering tot verbetering van die datum in te stellen. In zoverre is het middel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.