← België

Z. contra C.

Obsah (6)Art. 215Art. 204Art. 210Art. 162bisArt. 152Art. 235ter

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 De in artikel 215 Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om uitspraak te doen over de zaak zelf is een uitzondering op de devolutieve werking van het hoger beroep, in die zin dat de rechter in hoger beroep hierdoor verplicht is te oordelen over de grond van de zaak zonder dat het beroepen vonnis hierover een beslissing heeft gewezen, maar die verplichting doet geen afbreuk aan de devolutieve werking van het hoger beroep in zoverre de rechter in hoger beroep een vonnis slechts kan tenietdoen en overgaan tot de beoordeling van de grond van de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering ten aanzien van de partijen door of tegen wie hoger beroep werd ingesteld; de beperking van het hoger beroep tot de bij toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering door de partijen aangevoerde grieven en in voorkomend geval de door de rechter in hoger beroep bij toepassing van artikel 210, tweede lid, van datzelfde wetboek ambtshalve op te werpen grieven, begrenst de saisine van de rechter in hoger beroep en impliceert dat de beslissingsonderdelen van het beroepen vonnis waartegen geen grief werd opgeworpen, niet aan het oordeel van de rechter in hoger beroep zijn onderworpen en deze beperking van de devolutieve werking van het hoger beroep door de aldus opgeworpen grieven is niet onverenigbaar met de verplichting tot evocatie bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering, die de rechter in hoger beroep immers verplicht om uitspraak te doen over de grond van de zaak zelf zonder dat hierover in het beroepen vonnis een beslissing werd gewezen, zodat hiertegen ook geen hoger beroep kon worden ingesteld

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Devolutieve werking - Tussenvonnis dat de strafvordering ontvankelijk verklaart, de excepties verwerpt en een onderzoeksmaatregel beveelt - Hoger beroep - Bevestiging van het vonnis wat betreft de ontvankelijkheid van de strafvordering en de verwerping van de excepties - Vernietiging van het vonnis wat de onderzoeksmaatregel betreft - Evocatie - Bevoegdheid van de appelrechters ten opzichte van de partijen door of tegen wie hoger beroep werd ingesteld - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 204

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 210

, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 5 De verplichting voor de rechter in hoger beroep om, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, mede over de zaak zelf te beslissen, vloeit rechtstreeks voort uit de wet, namelijk uit artikel 215 Wetboek van Strafvordering, zodat wanneer hoger beroep wordt aangetekend tegen een vonnis alvorens recht te doen, de partijen in hoger beroep er bijgevolg van op de hoogte zijn dat, wanneer de rechter in hoger beroep dit vonnis tenietdoet of wijzigt, hij zich dient uit te spreken over de grond van de zaak, zodat zij in de gelegenheid zijn hun standpunt over de grond van de zaak uiteen te zetten; die wettelijke verplichting impliceert dat de rechter in hoger beroep, behoudens wanneer hij te kennen zou hebben gegeven dat het debat over de grond van de zaak in voorkomend geval zou worden afgesplitst, na het tenietdoen of wijzigen van een vonnis alvorens recht te doen niet ertoe verplicht is hierover een afzonderlijke beslissing te wijzen en het debat te heropenen teneinde de partijen uit te nodigen zich te verdedigen over de grond van de zaak en de rechter in hoger beroep die niet de heropening van het debat beveelt en zich in dezelfde beslissing uitspreekt over de evocatie en de grond van de zaak, miskent hierdoor niet het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging; de omstandigheid dat de rechter in hoger beroep die een vonnis alvorens recht te doen tenietdoet of wijzigt de mogelijkheid heeft om hierbij het debat te heropenen, evenals de omstandigheid dat dit in een andere zaak voor dezelfde rechtsmacht in hoger beroep ook is gebeurd, doen hieraan geen afbreuk en impliceren niet dat de partijen zouden zijn verschalkt in hun rechtmatige verwachtingen

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Evocatie - Gevolgen - Recht van verdediging - Heropening van de debatten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Hoger beroep - Evocatie - Gevolgen - Heropening van de debatten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Hoger beroep - Evocatie - Gevolgen - Heropening van de debatten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 6 - 10 De in artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om, wanneer hij ambtshalve een grief opwerpt bij toepassing van het tweede lid van die bepaling, de partijen te verzoeken om zich hierover uit te spreken, strekt ertoe het recht van verdediging te vrijwaren van de partijen in hoger beroep aangezien deze niet kunnen voorzien welke grieven in voorkomend geval ambtshalve zullen worden opgeworpen door de rechter in hoger beroep; de situatie van een partij in hoger beroep die wordt geconfronteerd met een bij toepassing van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering door de rechter in hoger beroep ambtshalve opgeworpen grief, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij die bij een hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen ervan op de hoogte is dat, wanneer de rechter in hoger beroep het beroepen vonnis tenietdoet of wijzigt, de grond van de zaak zal worden beoordeeld in hoger beroep, zodat hij hierover verweer kan voeren, zodat de prejudiciële vraag die betrekking heeft op niet-vergelijkbare rechtstoestanden niet dient te worden gesteld

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Saisine van de appelrechter - Grieven - Ambtshalve grief opgeworpen door de appelrechter - Artikel 210 Wetboek van Strafvordering - Gevolg - Verzoek aan de partijen om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen grieven - Doelstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Hoger beroep - Saisine van de appelrechter - Grieven - Ambtshalve grief opgeworpen door de appelrechter - Verzoek aan de partijen om zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen grieven - Doelstelling - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Evocatie - Gevolgen - Recht van verdediging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Hoger beroep - Evocatie - Gevolgen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudicieel geschil - Hof van Cassatie - Verplichting - Grenzen - Niet-vergelijkbare rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 11 De in artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om, wanneer hij ambtshalve een grief opwerpt bij toepassing van het tweede lid van die bepaling, de partijen te verzoeken om zich hierover uit te spreken, strekt ertoe het recht van verdediging te vrijwaren van de partijen in hoger beroep aangezien deze niet kunnen voorzien welke grieven in voorkomend geval ambtshalve zullen worden opgeworpen door de rechter in hoger beroep; de situatie van een partij in hoger beroep die wordt geconfronteerd met een bij toepassing van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering door de rechter in hoger beroep ambtshalve opgeworpen grief, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij die bij een hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen ervan op de hoogte is dat, wanneer de rechter in hoger beroep het beroepen vonnis tenietdoet of wijzigt, de grond van de zaak zal worden beoordeeld in hoger beroep, zodat hij hierover verweer kan voeren, zodat de prejudiciële vraag die betrekking heeft op niet-vergelijkbare rechtstoestanden niet dient te worden gesteld .

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting - Grenzen - Niet-vergelijkbare rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 210

, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 12 Uit artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering volgt dat wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van een burgerlijke partij, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij, ook al zijn de beklaagden hoofdelijk gehouden tot vergoeding van dezelfde schade; de omstandigheid dat een in het gelijk gestelde burgerlijke partij slechts de hoofdelijke veroordeling of een in solidum-veroordeling vordert van de in het ongelijk gestelde beklaagden of de veroordeling van de ene bij gebreke aan de andere, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Strafzaken - Meerdere beklaagden - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek

Art. 162bis

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 13 - 14 Uit de enkele omstandigheid dat de rechter in hoger beroep de beslissing van de eerste rechter vernietigt, de zaak tot zich trekt en zelf uitspraak doet over de grond van de zaak, kan geen schending van artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM worden afgeleid; de omstandigheid dat België bij de goedkeuring en de bekrachtiging van artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM geen voorbehoud heeft geformuleerd met betrekking tot de in artikel 215 Wetboek van Strafvordering bedoelde evocatie, doet hieraan geen afbreuk

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Evocatie - Gevolgen - Zevende aanvullend protocol EVRM - Recht op hoger beroep - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende Aanvullend Protocol - Artikel 2 - Recht op hoger beroep - Evocatie - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Protocol nr. 7 bij het Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden - 22-11-1984 - Art. 2 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Wetboek

Art. 215

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 15 - 17 Een conclusie over de strafvordering die werd neergelegd of meegedeeld na het verstrijken van de bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering vastgelegde conclusietermijnen, kan niet zonder het akkoord van alle partijen en van het openbaar ministerie in het debat worden behouden.; de enkele omstandigheid dat de rechter, na te hebben vastgesteld dat het openbaar ministerie weigert akkoord te gaan met de laattijdige neerlegging van de conclusie van een partij, die conclusie uit het debat weert terwijl eerder in de procedure een laattijdig neergelegde conclusie van een andere partij met het akkoord van alle partijen wél in het debat werd behouden, levert geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces en op gelijkheid van wapens

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Vaststelling van conclusietermijnen - Neerlegging van een conclusie na verstrijken van de conclusietermijnen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vaststelling van conclusietermijnen - Neerlegging van een conclusie na verstrijken van de conclusietermijnen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Wapengelijkheid - Vaststelling van conclusietermijnen - Neerlegging van een conclusie na verstrijken van de conclusietermijnen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 152

, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 18 - 20 De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering over het toezicht op de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie is bindend voor de vonnisrechter; wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling naar aanleiding van dit toezicht een bij conclusie aangevoerd verweer beantwoordt over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode, is de rechter ten gronde aan wie datzelfde verweer wordt voorgelegd, niet gehouden hierop te antwoorden

(1).
(1)Zie concl. "in hoofdzaak" OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bijzondere opsporingsmethoden - Observatie - Controle bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Bijzondere opsporingsmethoden Vrije woorden: Observatie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Bijzondere opsporingsmethode - Observatie - Controle door de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 235ter

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 21 - 22 Behoudens uitzonderingen die de wet bepaalt, kan het openbaar ministerie in beginsel hoger beroep aantekenen tegen elk in eerste aanleg gewezen vonnis in strafzaken, waaronder een vonnis alvorens recht te doen waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen; uit de omstandigheid dat het openbaar ministerie een onderzoeksmaatregel laat uitvoeren die inhoudelijk overeenkomt met de in een vonnis alvorens recht te doen bevolen onderzoeksmaatregel, kan niet worden afgeleid dat het door het openbaar ministerie tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep geen belang of geen voorwerp meer zou hebben

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Openbaar ministerie - Draagwijdte Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Hoger beroep - Strafzaken - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.20.1057.N I, II en III
  1. L. Z., beklaagde,
  2. R. K., beklaagde, eisers, met als raadslieden mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, en mr. Christophe Marchand, advocaat bij de balie Brussel, het cassatieberoep I tegen
  3. SIBELGA cv, met zetel te 1000 Brussel, Werkhuizenkaai 16, burgerlijke partij,
  4. ORES ASSETS cv, met zetel te 1348 Louvain-la-Neuve, Avenue Jean Monnet 2, burgerlijke partij, met als raadslieden mr. Marc Uyttendaele en mr. Fanny Vansiliette, advocaten bij de balie Brussel, verweersters. IV A. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sven De Baere, advocaat bij de balie Brussel, tegen
  5. SIBELGA cv, reeds vermeld,
  6. ORES ASSETS cv, reeds vermeld, burgerlijke partijen, verweersters. V M. I. J. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. VI J. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I van de eisers I.1 en I.2, IV, V en VI zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 september 2020 (hierna "arrest I"). Het cassatieberoep II van de eiser I.1 is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 juni 2015 (hierna "arrest II") en van 26 juli 2017 (hierna "arrest III"). Het cassatieberoep III van de eiseres I.2 is gericht tegen het arrest II. De eiser I.1 doet afstand van het cassatieberoep II in zoverre het betrekking heeft op het arrest II. De eiseres I.2 doet afstand van het cassatieberoep III. De eisers I.1 en I.2 voeren in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectievelijk drie en vijf middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers V en VI voeren geen middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. Voor de eisers I.1 en I.2 werden op 25 februari 2021 ter griffie twee door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noten ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen I, IV, V en VI
  7. Het arrest I verklaart: - de telastleggingen E.6 en E.7 zonder voorwerp ten aanzien van de eiser I.1; - de telastlegging A gedeeltelijk zonder voorwerp en voor het overige niet bewezen ten aanzien van de eiser V; - de telastlegging B en de telastlegging G.2 voor de periodes tussen 31 juli 2013 en 15 februari 2014 en tussen 23 juni 2014 en 7 maart 2015 niet bewezen ten aanzien van de eiser VI.
  8. In zoverre tegen die beslissingen van het arrest I gericht, zijn de cassatieberoepen van de desbetreffende eisers, elk voor wat hem of haar betreft, bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eisers I.1 en I.2 Eerste middel van de eerste memorie Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 215 Wetboek van Strafvordering: na het beroepen vonnis te hebben bevestigd in zoverre het de strafvordering ontvankelijk verklaart en in zoverre het de door de eisers I.1 en I.2 opgeworpen excepties verwerpt, beslissen de appelrechters tot evocatie van de zaak en doen ze uitspraak over de grond van de zaak; de strafrechter mag echter niet overgaan tot evocatie wanneer hij de beroepen beslissing gedeeltelijk bevestigt en slechts gedeeltelijk tenietdoet; daar de appelrechters het beroepen vonnis gedeeltelijk hebben bevestigd en in dit verband zelfs de motieven ervan hebben overgenomen, konden ze niet naar recht beslissen om de zaak voor het overige te evoceren.
  10. Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, het hof mede over de zaak zelf beslist. Wanneer hoger beroep wordt ingesteld tegen een vonnis dat geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering maar alvorens recht te doen een onderzoeksmaatregel beveelt, is de rechter in hoger beroep die dat vonnis tenietdoet of wijzigt, bij toepassing van die bepaling ertoe verplicht de zaak aan zich te trekken en te beslissen over de grond van de zaak. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het beroepen vonnis ook reeds oordeelt over bepaalde aspecten van de ontvankelijkheid of regelmatigheid van de strafvordering en de rechter in hoger beroep die beslissing, al dan niet met overname van de redenen ervan, bevestigt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - enerzijds de eisers V en VI werden vervolgd wegens telastleggingen met betrekking tot cocaïnehandel en anderzijds alle andere beklaagden, waaronder de eisers I.1 en I.2, wegens telastleggingen met betrekking tot cannabisteelt en - verkoop; - het beroepen vonnis de strafvordering tegen de eisers V en VI afsplitst en hierover ten gronde uitspraak doet door die eisers vrij te spreken, en wat de strafvordering tegen de overige beklaagden betreft, waaronder de eisers I.1 en I.2, de opgeworpen excepties in verband met de regelmatigheid van het onderzoek en de ontvankelijkheid van de strafvordering, evenals de vraag tot het horen van getuigen verwerpt, de strafvordering ontvankelijk verklaart en alvorens recht te doen een deskundigenonderzoek beveelt met betrekking tot de THC-waarde van de cannabisplanten; - tegen dit vonnis hoger beroep werd ingesteld door het openbaar ministerie en dit tegen alle beklaagden, waaronder de eisers I.1 en I.2, waarbij in het grievenschrift van het openbaar ministerie grieven werden aangeduid met betrekking tot de procedure, namelijk de beslissing alvorens recht te doen tot aanstelling van een gerechtsdeskundige, en met betrekking tot de schuld, namelijk de beslissing tot vrijspraak van de eisers V en VI; - ook door sommige beklaagden hoger beroep tegen dit vonnis werd aangetekend, waaronder door de eisers I.1 en I.2 en door de eiser IV, die in hun grievenformulieren de grief "procedure" aanduidden met betrekking tot de excepties in verband met de regelmatigheid van het onderzoek, de ontvankelijkheid van de strafvordering en de vraag tot het horen van getuigen; - het arrest I, na de hogere beroepen ontvankelijk te hebben verklaard, ten gronde oordeelt over de strafvordering tegen de eisers V en VI, met betrekking tot de strafvordering tegen de overige beklaagden, waaronder de eisers I.1 en I.2, het beroepen vonnis bevestigt en de redenen ervan overneemt in zoverre de excepties in verband met de regelmatigheid van het onderzoek, de ontvankelijkheid van de strafvordering en de vraag tot het horen van getuigen worden verworpen, en voor het overige het beroepen vonnis tenietdoet en bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering ten gronde oordeelt over de strafvordering en de burgerlijke rechtsvorderingen. Aldus verantwoordt het arrest I naar recht de beslissing om over de zaak zelf te beslissen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 210, tweede lid, en 215 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters trekken de zaak aan zich en doen ten gronde uitspraak over de strafvordering hoewel de beroepsgrief van het openbaar ministerie ten aanzien van de eisers I.1 en I.2 beperkt was tot de aanstelling van een deskundige en de beroepsgrieven van de eisers I.1 en I.2 slechts betrekking hadden op de ontvankelijkverklaring van de strafvordering en de afwijzing van de door hen opgeworpen excepties; de devolutieve werking van het hoger beroep wordt sinds de invoering van het grievenstelsel beperkt door de grieven die de appellanten opwerpen in hun grievenschrift en de eventueel door de rechter ambtshalve op te werpen grieven, die echter slechts mogelijk zijn binnen de saisine in hoger beroep zoals afgebakend door de opgeworpen grieven van de appellanten; gelet op de door die grieven aldus beperkte devolutieve werking van het hoger beroep is het grievenstelsel niet verenigbaar met de toepassing van de evocatie. Minstens dient aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: "Schendt artikel 215 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheidsbeginsel) doordat het tot gevolg heeft dat de beklaagde die hoger beroep aantekent tegen een vonnis alvorens recht te doen zijn hoger beroep niet kan beperken tot bepaalde grieven tegen het beroepen vonnis, terwijl de beklaagde die hoger beroep aantekent tegen een eindvonnis dat wel kan overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering?"
  13. De in artikel 215 Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om uitspraak te doen over de zaak zelf is een uitzondering op de devolutieve werking van het hoger beroep, in die zin dat de rechter in hoger beroep hierdoor verplicht is te oordelen over de grond van de zaak zonder dat het beroepen vonnis hierover een beslissing heeft gewezen. Die verplichting doet echter geen afbreuk aan de devolutieve werking van het hoger beroep in zoverre de rechter in hoger beroep een vonnis slechts kan tenietdoen en overgaan tot de beoordeling van de grond van de strafvordering en de burgerlijke rechtsvordering ten aanzien van de partijen door of tegen wie hoger beroep werd ingesteld.
  14. De beperking van het hoger beroep tot de bij toepassing van artikel 204 Wetboek van Strafvordering door de partijen aangevoerde grieven en in voorkomend geval de door de rechter in hoger beroep bij toepassing van artikel 210, tweede lid, van datzelfde wetboek ambtshalve op te werpen grieven, begrenst de saisine van de rechter in hoger beroep en impliceert dat de beslissingsonderdelen van het beroepen vonnis waartegen geen grief werd opgeworpen, niet aan het oordeel van de rechter in hoger beroep zijn onderworpen. De beperking van de devolutieve werking van het hoger beroep door de aldus opgeworpen grieven is niet onverenigbaar met de verplichting tot evocatie bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering, die de rechter in hoger beroep immers verplicht om uitspraak te doen over de grond van de zaak zelf zonder dat hierover in het beroepen vonnis een beslissing werd gewezen, zodat hiertegen ook geen hoger beroep kon worden ingesteld.
  15. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. De appelrechters waren ingevolge het hoger beroep van het openbaar ministerie en de hierbij opgeworpen grieven zoals nader omschreven in het antwoord op het eerste onderdeel, ertoe verplicht om, ongeacht de hogere beroepen van sommige beklaagden, waaronder de eisers I.1 en I.2, uitspraak te doen over de zaak zelf bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering. De voorgestelde prejudiciële vraag heeft geen betrekking op de hypothese van een hoger beroep dat door het openbaar ministerie wordt aangetekend maar louter op een beweerde ongelijke behandeling van beklaagden die hoger beroep aantekenen. Bovendien gaat de voorgestelde prejudiciële vraag er ten onrechte van uit dat een beklaagde die hoger beroep aantekent tegen een vonnis alvorens recht te doen, zijn hoger beroep niet zou kunnen beperken tot bepaalde grieven. De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. Derde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 210, derde lid, en 215 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces: het arrest I beslist tot evocatie en doet uitspraak over de grond van de zaak, zonder in te gaan op het verzoek van de eisers I.1 en I.2 om de zaak opnieuw in staat te stellen met nieuwe conclusietermijnen teneinde hen toe te laten verweer te voeren over de grond van de zaak; hierdoor werden de eisers I.1 en I.2 verschalkt, daar hetzelfde hof van beroep in een andere zaak na een beslissing tot evocatie wél het debat had heropend; hierdoor konden de eisers I.1 en I.2 zich noch voor de eerste rechter, noch voor de appelrechters verdedigen over de grond van de zaak. Minstens dient aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: "Schendt artikel 215 Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 Grondwet (het gelijkheidsbeginsel), in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, doordat het niet voorziet in de verplichting voor de appelrechters die een hoger beroep van het openbaar ministerie tegen een vonnis alvorens recht te doen gegrond verklaren en na evocatie beslissen over de grond van de zaak, om de partijen uit te nodigen om zich uit te spreken over de grond van de zaak, terwijl de appelrechters die op grond van artikel 210 Wetboek van Strafvordering beslissen tot het ambtshalve opwerpen van grieven tegen een beroepen vonnis, wel de verplichting hebben om de partijen uit te nodigen zich uit te spreken over de ambtshalve opgeworpen middelen?"
  18. De verplichting voor de rechter in hoger beroep om, indien het vonnis wordt tenietgedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen, door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, mede over de zaak zelf te beslissen, vloeit rechtstreeks voort uit de wet, namelijk uit artikel 215 Wetboek van Strafvordering. Wanneer hoger beroep wordt aangetekend tegen een vonnis alvorens recht te doen, zijn de partijen in hoger beroep er bijgevolg van op de hoogte dat, wanneer de rechter in hoger beroep dit vonnis tenietdoet of wijzigt, hij zich dient uit te spreken over de grond van de zaak, zodat zij in de gelegenheid zijn hun standpunt over de grond van de zaak uiteen te zetten.
  19. Die wettelijke verplichting impliceert dat de rechter in hoger beroep, behoudens wanneer hij te kennen zou hebben gegeven dat het debat over de grond van de zaak in voorkomend geval zou worden afgesplitst, na het tenietdoen of wijzigen van een vonnis alvorens recht te doen niet ertoe verplicht is hierover een afzonderlijke beslissing te wijzen en het debat te heropenen teneinde de partijen uit te nodigen zich te verdedigen over de grond van de zaak. De rechter in hoger beroep die niet de heropening van het debat beveelt en zich in dezelfde beslissing uitspreekt over de evocatie en de grond van de zaak, miskent hierdoor niet het recht op een eerlijk proces of het recht van verdediging.
  20. De omstandigheid dat de rechter in hoger beroep die een vonnis alvorens recht te doen tenietdoet of wijzigt de mogelijkheid heeft om hierbij het debat te heropenen, evenals de omstandigheid dat dit in een andere zaak voor dezelfde rechtsmacht in hoger beroep ook is gebeurd, doen hieraan geen afbreuk en impliceren niet dat de partijen zouden zijn verschalkt in hun rechtmatige verwachtingen.
  21. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht.
  22. De in artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering aan de rechter in hoger beroep opgelegde verplichting om, wanneer hij ambtshalve een grief opwerpt bij toepassing van het tweede lid van die bepaling, de partijen te verzoeken om zich hierover uit te spreken, strekt ertoe het recht van verdediging te vrijwaren van de partijen in hoger beroep. Die laatsten kunnen immers niet voorzien welke grieven in voorkomend geval ambtshalve zullen worden opgeworpen door de rechter in hoger beroep.
  23. De situatie van een partij in hoger beroep die wordt geconfronteerd met een bij toepassing van artikel 210, derde lid, Wetboek van Strafvordering door de rechter in hoger beroep ambtshalve opgeworpen grief, valt niet te vergelijken met de situatie van een partij die bij een hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen ervan op de hoogte is dat, wanneer de rechter in hoger beroep het beroepen vonnis tenietdoet of wijzigt, de grond van de zaak zal worden beoordeeld in hoger beroep, zodat hij hierover verweer kan voeren. Het in de voorgestelde prejudiciële vraag aangevoerde verschil in behandeling heeft betrekking op niet-vergelijkbare rechtstoestanden, zodat de prejudiciële vraag niet wordt gesteld. Tweede middel van de eerste memorie
  24. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: na de aanvullende conclusie die de eisers I.1 en I.2 op de rechtszitting van 29 januari 2020 hebben neergelegd, uit het debat te hebben geweerd, doet het arrest I bij wijze van evocatie uitspraak over de grond van de zaak; op de rechtszitting van 27 november 2019 heeft de raadsman van de eisers I.1 en I.2 opgeworpen dat in geval van evocatie er een nieuwe instaatstelling diende te gebeuren, waarbij in de aanvullende conclusie werd gesteld dat het verzoek van de appelrechters om ook een standpunt in te nemen over de grond van de zaak als een nieuw feit moet worden beschouwd, te meer daar de appelrechters niet antwoorden op het feitelijke verweer dat de eiseres I.2 voor de eerste rechter had gevoerd; de appelrechters oordelen niet naar recht dat de gevolgen die artikel 215 Wetboek van Strafvordering verbindt aan de vernietiging van een vonnis alvorens recht te doen, geen nieuw en ter zake dienend feit is dat nieuwe conclusies rechtvaardigt.
  25. Zoals blijkt uit het antwoord op het derde onderdeel van het eerste middel is een partij in geval van hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te doen er in beginsel van op de hoogte dat, wanneer de rechter in hoger beroep het beroepen vonnis tenietdoet of wijzigt, de grond van de zaak zal worden beoordeeld in hoger beroep, zodat hij hierover verweer kan voeren.
  26. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, waaronder het proces-verbaal van de rechtszitting van 3 april 2019, waarop er conclusietermijnen werden vastgelegd en een rechtsdag werd bepaald, blijkt niet dat de appelrechters te kennen zouden hebben gegeven dat het debat werd beperkt tot de beoordeling van het vonnis alvorens recht te doen en dat, in geval van evocatie, het debat zou worden heropend. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de eisers I.1 en I.2 eerst op de rechtszitting van 27 november 2019 ervan op de hoogte waren dat zij zich ook over de grond van de zaak dienden te verweren, mist het middel feitelijke grondslag.
  27. De verplichting voor de rechter in hoger beroep om bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering mede over de zaak zelf te beslissen en het daarmee gepaard gaande debat over de grond van de zaak in hoger beroep, kunnen op zichzelf niet worden beschouwd als een nieuw en ter zake dienend feit in de zin van artikel 152, § 2, Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dat dit wordt betwist in een conclusie, impliceert niet dat die conclusie niet uit het debat mag worden geweerd wanneer blijkt dat ze werd neergelegd na het verstrijken van de bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  28. Het middel preciseert niet op welk feitelijk verweer van de eiseres I.2 door de appelrechters niet zou zijn geantwoord. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Derde middel van de eerste memorie
  29. Het middel voert schending aan van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het verbod uitspraak te doen over niet gevorderde zaken of meer toe te kennen dan is gevraagd (beschikkingsbeginsel): na de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweersters 1 en 2 tegen de eisers I.1 en I.2 ontvankelijk en gegrond te hebben verklaard, veroordeelt het arrest I de eiser I.1 tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro en de eiseres I.2 tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 2.400,00 euro aan de verweerster 1, en veroordeelt het de eiser I.1 tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding van 2.400,00 euro en de eiseres I.2 tot het betalen van eenzelfde rechtsplegingsvergoeding aan de verweerster 2; in haar appelconclusie vorderde de verweerster 1 om de beklaagden, waaronder de eisers I.1 en I.2, hoofdelijk, in solidum of de ene bij gebreke van de andere, te betalen tot de kosten van het geding, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro, terwijl de verweerster 2 in haar appelconclusie vorderde om de beklaagden, waaronder de eisers I.1 en I.2, hoofdelijk te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding van 2.400,00 euro (lees: 3.000,00 euro).
  30. Uit artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en artikel 162bis Wetboek van Strafvordering volgt dat wanneer meerdere beklaagden in het ongelijk zijn gesteld ten aanzien van een burgerlijke partij, de strafrechter ambtshalve elke beklaagde moet veroordelen tot een rechtsplegingsvergoeding aan de burgerlijke partij, ook al zijn de beklaagden hoofdelijk gehouden tot vergoeding van dezelfde schade. De omstandigheid dat een in het gelijk gestelde burgerlijke partij slechts de hoofdelijke veroordeling of een in solidum-veroordeling vordert van de in het ongelijk gestelde beklaagden of de veroordeling van de ene bij gebreke aan de andere, doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Eerste middel van de tweede memorie
  31. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 152, § 2, 204, 210 en 215 Wetboek van Strafvordering: door het vonnis alvorens recht te doen teniet te doen en bij wijze van evocatie te oordelen over de grond van de zaak, miskent het arrest I het recht op een dubbele aanleg; de saisine in hoger beroep was beperkt door de devolutieve werking van de grieven die tegen het vonnis alvorens recht te doen waren opgeworpen; na het tenietdoen van het tussenvonnis dienden de appelrechters dan ook het debat te heropenen, gelet op hun discretionaire bevoegdheid in dit verband, en dienden ze de zaak opnieuw in staat te stellen ten aanzien van alle partijen, met inbegrip van de burgerlijke partijen.
  32. Artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt : "
  33. Eenieder die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, heeft het recht zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. De uitoefening van dit recht, met inbegrip van de gronden waarop het kan worden uitgeoefend, wordt bij de wet geregeld.
  34. Op dit recht zijn uitzonderingen mogelijk met betrekking tot lichte overtredingen, zoals bepaald in de wet, of in gevallen waarin de betrokkene in eerste aanleg werd berecht door het hoogste gerecht of werd veroordeeld na een beroep tegen een vrijspraak."
  35. Uit de enkele omstandigheid dat de rechter in hoger beroep de beslissing van de eerste rechter vernietigt, de zaak tot zich trekt en zelf uitspraak doet over de grond van de zaak, kan geen schending van de voormelde verdragsbepaling worden afgeleid. De omstandigheid dat België bij de goedkeuring en de bekrachtiging van artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM geen voorbehoud heeft geformuleerd met betrekking tot de in artikel 215 Wetboek van Strafvordering bedoelde evocatie, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre faalt het middel naar recht.
  36. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters ingevolge de devolutieve werking van de grieven tegen het vonnis alvorens recht te doen het debat hadden moeten heropenen en de zaak opnieuw in staat hadden moeten stellen, moet het om de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel en het derde onderdeel van het eerste middel van de eerste memorie worden verworpen.
  37. De enkele omstandigheid dat de rechter in hoger beroep die een vonnis alvorens recht te doen tenietdoet of wijzigt, de mogelijkheid maar niet de verplichting heeft om, alvorens hij zich uitspreekt over de grond van de zaak, het debat te heropenen, leidt niet tot rechtsonzekerheid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  38. Ingevolge het hoger beroep van het openbaar ministerie tegen het vonnis alvorens recht te doen, dienden ook de burgerlijke partijen, waaronder de verweersters 1 en 2, in de procedure voor de appelrechters te worden betrokken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
  39. Het Zestiende Aanvullend Protocol EVRM is in België nog niet in werking getreden. In zoverre het middel verzoekt om toepassing te maken van die bepaling, faalt het naar recht. Tweede middel van de tweede memorie
  40. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eisers I.1 en I.2 eerst op de rechtszitting van 29 januari 2020 een conclusie, door hen "aanvullende conclusie" genoemd, hebben neergelegd, miskent het arrest I de bewijskracht van de stukken 29 en 30 van het strafdossier; de eisers hadden met het akkoord van het openbaar ministerie en van de andere partijen om een verlenging van de conclusietermijn verzocht, waarna zij op 7 november 2019 elk ter griffie een appelconclusie hebben neergelegd (stukken 29 en 30 van het strafdossier); hiervan werd ook geen melding gemaakt op het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 november
  41. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en van gelijkheid van wapens en de motiveringsplicht: het arrest I aanvaardt niet de conclusies die de eisers I.1 en I.2 op 7 november 2019 hebben neergelegd, maar behoudt met akkoord van de partijen en van het openbaar ministerie wél de conclusies die de elfde medebeklaagde op diezelfde datum heeft neergelegd; aldus behandelen de appelrechters de partijen niet op een gelijke wijze.
  42. Het arrest I beantwoordt, zowel met eigen redenen (p. 70-71, nr. 4.23) als met de gedeeltelijke overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 19-22, nrs. 2-10 en p. 23-28, nrs. 12-23), de middelen die werden ontwikkeld in de appelconclusies die de eisers I.1 en I.2 op 7 november 2019 ter griffie hebben neergelegd. Het middel is in zijn beide onderdelen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel van de tweede memorie
  43. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en op gelijkheid van wapens en de motiveringsplicht: het arrest I weert de appelconclusie die de eisers I.1 en I.2 op de rechtszitting van 29 januari 2019 hebben neergelegd uit het debat, maar oordeelt naar aanleiding van de heromschrijving van de telastlegging K dat de aangepaste zittingsnota die de verweerster 2 op 25 november 2019 heeft ingediend, wél mocht worden neergelegd: aldus schept het arrest I een ongelijkheid tussen de partijen.
  44. Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - op de rechtszitting van 3 april 2019 op verzoek van de partijen conclusietermijnen werden bepaald om conclusies neer te leggen ter griffie en mee te delen aan de overige partijen, namelijk uiterlijk op 28 juni 2019 voor de burgerlijke partijen en uiterlijk op 31 oktober 2019 voor de beklaagden; - de verweerster 2 op 25 november 2019 ter griffie een "zittingsnota" heeft ingediend waarin haar schade werd verduidelijkt; - op de rechtszitting van 27 november 2019, waarop ook de raadsman van de eisers I.1 en I.2 aanwezig was, evenals de eiser I.1 in persoon, bijgestaan door een tolk, de partijen akkoord gingen met het behoud van de door de verweerster 2 op 25 november 2019 neergelegde nota; - de raadsman van de eisers I.1 en I.2 op de rechtszitting van 29 januari 2020 een conclusie heeft neergelegd, waarvan het openbaar ministerie om de wering verzocht wegens de laattijdigheid van de mededeling en de neerlegging ervan; - het arrest I de door de eisers I.1 en I.2 op de rechtszitting van 29 januari 2020 neergelegde conclusie ambtshalve uit het debat weert.
  45. Uit de stukken waarop het hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de op de rechtszitting van 29 januari 2020 door de eisers I.1 en I.2 neergelegde conclusie een antwoord inhield op de door de verweerster 2 op 25 november 2019 neergelegde nota. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  46. Een conclusie over de strafvordering die werd neergelegd of meegedeeld na het verstrijken van de bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering vastgelegde conclusietermijnen, kan niet zonder het akkoord van alle partijen en van het openbaar ministerie in het debat worden behouden. De enkele omstandigheid dat de rechter, na te hebben vastgesteld dat het openbaar ministerie weigert akkoord te gaan met de laattijdige neerlegging van de conclusie van een partij, die conclusie uit het debat weert terwijl eerder in de procedure een laattijdig neergelegde conclusie van een andere partij met het akkoord van alle partijen wél in het debat werd behouden, levert geen miskenning op van het recht op een eerlijk proces en op gelijkheid van wapens. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde middel van de tweede memorie
  47. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en van artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële verstrekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke finaliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van strafvordering (hierna: Wet van 9 december 2004): door in het algemeen erop te wijzen dat de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de bijzondere opsporingsmethode van observatie heeft gecontroleerd, er geen grond is om bij toepassing van artikel 189ter van datzelfde wetboek een nieuwe controle te bevelen en er voor het overige geen onregelmatigheden werden begaan bij de bijzondere opsporingsmethode observatie, antwoordt het arrest I niet op het verweer van de eisers I.1 en I.2, ontwikkeld in hun op 7 november 2019 neergelegde appelconclusie; in die appelconclusie hadden de eisers I.1 en I.2 aangevoerd dat de in Nederland uitgevoerde observaties in strijd zijn met het Nederlandse recht zodat er bij toepassing van artikel 13 Wet van 9 december 2004 geen gebruik mag worden van gemaakt; dit kon niet worden beoordeeld door de kamer van inbeschuldigingstelling, die slechts controlebevoegdheid heeft voor observaties die op het Belgische grondgebied zijn uitgevoerd en ook niet de beschikking had over de stukken die pas nadien door het openbaar ministerie aan het dossier werden toegevoegd.
  48. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eisers I.1 en I.2 in hun op 7 november 2019 neergelegde appelconclusie hebben aangevoerd dat diverse processen-verbaal betrekking hebben op observaties met betrekking tot verplaatsingen met een voertuig naar verdachte locaties in België en Nederland in diverse periodes na 1 december 2013, alsook dat deze observaties strijdig zijn met het Nederlandse recht en er bij toepassing van artikel 13 Wet van 9 december 2004 geen gebruik mag worden van gemaakt, daar de Nederlandse autoriteiten slechts toestemming hebben gegeven voor het uitvoeren van observaties op het Nederlandse grondgebied in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 1 december 2013; - de kamer van inbeschuldigingstelling in het arrest II naar aanleiding van de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode van observatie bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering onder meer heeft geoordeeld dat de Nederlandse autoriteiten conform artikel 40 Schengenovereenkomst expliciete toestemming hebben verleend voor grensoverschrijdende observaties van personen in de periode van 29 augustus 2013 tot en met 1 december 2013; dat de door de eisers I.1 en I.2 in hun conclusies aangehaalde processen-verbaal geen betrekking hebben op observaties van personen maar op vaststellingen met betrekking tot de plaatsen waarheen de voertuigen waarvoor een machtiging tot observatie bestond, zich verplaatsten naar locaties in België en Nederland en waarvan de route door technische middelen kon worden geregistreerd, waarvoor geen toestemming van de Nederlandse autoriteiten nodig was; dat deze vaststellingen bijgevolg regelmatig zijn en de desbetreffende processen-verbaal niet uit het dossier moeten worden geweerd; - het Hof het onder meer door de eisers I.1 en I.2 tegen het arrest II aangetekende cassatieberoep heeft verworpen bij arrest P.15.0982.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.5 van 1 december
  49. De beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling bij toepassing van artikel 235ter Wetboek van Strafvordering over het toezicht op de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie is bindend voor de vonnisrechter. Wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling naar aanleiding van dit toezicht een bij conclusie aangevoerd verweer beantwoordt over de regelmatigheid van de bijzondere opsporingsmethode, is de rechter ten gronde aan wie datzelfde verweer wordt voorgelegd, niet gehouden hierop te antwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  50. Het arrest I (p. 71) oordeelt dat: - de kamer van inbeschuldigingstelling overeenkomstig artikel 235ter Wetboek van Strafvordering de controle heeft uitgeoefend over de regelmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie in de zin van artikel 47sexies van dat wetboek; - bij ontstentenis van concrete gegevens die pas na deze krachtens artikel 235ter Wetboek van Strafvordering uitgevoerde controle aan het licht zouden zijn gekomen, er geen grond is om met toepassing van artikel 189ter Wetboek van Strafvordering de kamer van inbeschuldigingstelling te gelasten om de controle over de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie opnieuw uit te oefenen krachtens artikel 235ter Wetboek van Strafvordering; - na controle van het tegensprekelijk dossier, het hof van beroep vaststelt dat ook voor het overige geen onregelmatigheden werden begaan bij de toepassing van de bijzondere opsporingsmethode observatie. Het arrest I oordeelt aldus dat het bewijs met betrekking tot alle observaties regelmatig is en beantwoordt met die redenen het bedoelde verweer. De appelrechters dienden daarbij niet nader in te gaan op de in de conclusie van de eisers I.1 en I.2 aangevoerde bepaling van artikel 13 Wet van 9 december 2004, die immers betrekking heeft op de hypothese dat bewijsmateriaal op een onregelmatige wijze is verzameld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel van de tweede memorie
  51. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en op gelijkheid van wapens en de motiveringsplicht: het arrest I doet uitspraak over de grond van de zaak zonder acht te slaan op de voor de eiseres I.2 op 7 november 2019 neergelegde appelconclusie; de eiseres I.2 nam in die appelconclusie de argumenten en middelen over van de appelconclusie van de eiser I.1, die zelf verwees naar de voor de eerste rechter neergelegde conclusie.
  52. Het arrest I weert de op 7 november 2019 neergelegde appelconclusie van de eiseres I.2 niet uit het debat en geeft evenmin te kennen dat die appelconclusie wordt genegeerd. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest I en mist het feitelijke grondslag.
  53. De verwijzing naar en de gedeeltelijke overname van de redenen van het beroepen vonnis in het arrest I, heeft louter betrekking op de procedurele excepties. In zoverre het middel uitgaat van een andere lezing van het arrest I, mist het feitelijke grondslag.
  54. Het middel specificeert niet op welke precieze verweermiddelen het arrest niet zou hebben geantwoord, noch op welke wijze haar recht van verdediging zou zijn miskend. In zoverre is het middel bij gebrek aan duidelijkheid niet ontvankelijk. Middelen van de eiser IV Eerste middel Eerste onderdeel
  55. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek en artikel 215 Wetboek van Strafvordering: het arrest I doet op het hoger beroep van het openbaar ministerie het vonnis alvorens recht te doen waarbij een deskundigenonderzoek werd bevolen met betrekking tot de THC-waarde van de cannabisplanten teniet en doet bij wijze van evocatie uitspraak over de grond van de zaak; het openbaar ministerie heeft op 3 oktober 2018 dezelfde gerechtsdeskundigen aangesteld als deze die in het vonnis alvorens recht te doen waren aangesteld met het oog op de bepaling van de THC-waarde van de cannabisplanten, waarna het deskundigenverslag op 7 december 2018 werd meegedeeld aan het openbaar ministerie, die het ter griffie heeft neergelegd; aldus gaf het openbaar ministerie uitvoering aan de onderzoeksmaatregel die in het vonnis alvorens recht te doen was bevolen, waardoor het belang van het openbaar ministerie bij het hoger beroep tegen dit vonnis wegviel en dit hoger beroep zonder voorwerp werd.
  56. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - het vonnis alvorens recht te doen van 13 september 2018 waarbij een deskundigenonderzoek werd bevolen met betrekking tot de THC-waarde van de cannabisplanten, bij voorraad uitvoerbaar werd verklaard; - tegen dit vonnis door het openbaar ministerie op 18 september 2018 hoger beroep werd ingesteld en dit tegen alle beklaagden, waaronder de eiser IV, waarbij in het grievenschrift van het openbaar ministerie onder meer grieven werden aangeduid met betrekking tot de beslissing alvorens recht te doen tot aanstelling van een gerechtsdeskundige; - het openbaar ministerie op 3 oktober 2018 de gerechtsdeskundigen die werden aangesteld in het vonnis alvorens recht te doen, heeft belast met een onderzoek naar de THC-waarde van de cannabisplanten; - het deskundigenverslag op 7 december 2018 aan het openbaar ministerie werd meegedeeld en op 1 februari 2019 aan het dossier werd toegevoegd; - het arrest I (p. 67, nr. 4.18) oordeelt dat een wetenschappelijke analyse van de cannabis niet nodig is en de beslissing tot het bevelen van een deskundigenonderzoek moet worden vernietigd, en uitspraak doet over de grond van de zaak bij toepassing van artikel 215 Wetboek van Strafvordering.
  57. Behoudens uitzonderingen die de wet bepaalt, kan het openbaar ministerie in beginsel hoger beroep aantekenen tegen elk in eerste aanleg gewezen vonnis in strafzaken, waaronder een vonnis alvorens recht te doen waarbij een onderzoeksmaatregel wordt bevolen. Uit de omstandigheid dat het openbaar ministerie een onderzoeksmaatregel laat uitvoeren die inhoudelijk overeenkomt met de in een vonnis alvorens recht te doen bevolen onderzoeksmaatregel, kan niet worden afgeleid dat het door het openbaar ministerie tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep geen belang of geen voorwerp meer zou hebben. Het onderdeel, dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  58. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 203, 204 en 215 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest I doet het vonnis alvorens recht te doen teniet en doet ten gronde uitspraak over de strafvordering hoewel de beroepsgrieven van het openbaar ministerie beperkt waren tot enerzijds de beslissing alvorens recht te doen tot aanstelling van een gerechtsdeskundige en anderzijds de vrijspraak van de eisers V en VI, en de beroepsgrieven van de overige appellanten slechts betrekking hadden op de ontvankelijkverklaring van de strafvordering en de afwijzing van de door hen als beklaagden opgeworpen procedurele excepties; het arrest I overschrijdt aldus de saisine in hoger beroep en laat ten onrechte na het debat te heropenen teneinde de eiser IV uit te nodigen zich ten gronde te verdedigen.
  59. Het onderdeel moet worden verworpen op grond van de redenen vermeld in het antwoord op het tweede en het derde onderdeel van het eerste middel van de eerste memorie van de eisers I.1 en I.
  60. Tweede middel
  61. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 6.2 en 6.3.a), EVRM en de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest I verklaart de eiser IV schuldig aan de telastlegging I.1, zonder dat de eiser IV voor deze telastlegging werd vervolgd en zonder dat hij hiervan op de hoogte werd gebracht.
  62. Het arrest I verklaart de eiser IV schuldig aan de telastleggingen E.2, E.3, E.5, E.6, G.1, I.1, J.1, K (zoals heromschreven), L.3, M.2 en M.3 en veroordeelt hem hiervoor, na te hebben vastgesteld dat de bewezen feiten de uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, tot een gevangenisstraf van vier jaar en de verbeurdverklaring van de bedragen van 10.110,00 euro, 1.027,00 euro, 3.000,00 euro, 2.422,00 euro en 74.240,00 euro, tot de betaling van een bijdrage aan het Slachtofferfonds en tot een bijdrage aan het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, alsook tot twee vierentwintigste van de gerechtskosten. Die straffen en bijkomende veroordelingen zijn ten aanzien van de eiser IV wettig verantwoord door de bewezenverklaring van de telastleggingen E.2, E.3, E.5, E.6, G.1, J.1, K (zoals heromschreven), L.3, M.2 en M.
  63. Uit het arrest I blijkt niet dat de straffen mede werden beïnvloed door de bewezenverklaring van de telastlegging I.
  64. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  65. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van: - het cassatieberoep II van de eiser I.1 in zoverre het betrekking heeft op het arrest II; - het cassatieberoep III van de eiseres I.
  66. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoepen. Bepaalt de kosten in het geheel op 649,61 euro waarvan op het cassatieberoep I 129,44 euro is verschuldigd, op het cassatieberoep II 79,11 euro is verschuldigd, op het cassatieberoep III 52,71 euro is verschuldigd en op het cassatieberoepen IV, V en VI elk 129,45 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.22 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210302.2N.22 citeert: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220308.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221018.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.13 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250604.2F.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.