id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.7 Rolnummer: P.20.1174.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-05 Raadplegingen: 884 - laatst gezien 2026-06-20 01:08 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 195, eerste lid en 211 Wetboek van Strafvordering volgt dat een veroordelende beslissing van het rechtscollege in hoger beroep de wetsbepalingen moet vermelden die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen
(1)Cass. 23 oktober 2019, AR P.19.0610.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.1, AC 2019, nr. 539, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH, op datum in Pas.; Cass. 12 september 2017, AR P.17.0262.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.9, AC 2017, nr. 184; Cass. 6 mei 2014, AR P.13.1291.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.2, AC 2014, nr. 318. Zie alg. F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie-en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden”, NC 2020, 279-285. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Rechtscollege in hoger beroep - Vermelden van de toepasselijke wetsbepalingen - Opheffing van de wetsbepalingen over het misdrijf op moment van de uitspraak - Vermelding van de wetsbepalingen over het misdrijf ten tijde van de feiten - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, eerste lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Vermelden van de toepasselijke wetsbepalingen - Opheffing van de wetsbepalingen over het misdrijf op moment van de uitspraak - Vermelding van de wetsbepalingen over het misdrijf ten tijde van de feiten - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195, eerste lid, en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1174.N I J. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen. II K. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1850 Grimbergen, d'Overschielaan 40, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 oktober 2020. De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. Het arrest verklaart de hogere beroepen van de eisers ontvankelijk en niet vervallen. In zoverre de cassatieberoepen ook gericht zijn tegen die beslissingen zijn ze, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Vierde middel 2. Het middel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 6.3.d, en 14 EVRM, de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de eerbiediging van het recht van verdediging en de wapengelijkheid en inzake de bewijslast in strafzaken, en van het gelijkheidsbeginsel: het arrest wijst ten onrechte eisers verzoek om R.A. te horen als getuige af; de appelrechters moeten de vraag om een getuige ten laste of ten ontlaste te horen beoordelen op het ogenblik dat de vraag daartoe wordt gesteld; de beoordeling van het eerlijk verloop van het proces in zijn geheel schendt artikel 6.3.d EVRM; de beoordeling om een getuige te horen moet tijdens de procesvoering aan de orde komen, op grond van de gegevens die dan aanwezig zijn en niet na afloop van het proces; er werd daardoor wel gevolg gegeven aan de verklaring van R.A. als getuigenis ten laste, zonder dat zijn betere nieuwe verklaring tegensprekelijk werd beoordeeld of zelfs in aanmerking werd genomen als getuige ten ontlaste; het arrest beoordeelt deze getuige enkel als een getuige ten laste; het verwijzen naar de telefonische gesprekken als bewijs is tevens een aanduiding dat het horen van R.A., betrokken bij deze telefonische gesprekken, zich opdringt; de ingeroepen compenserende procedurele waarborgen kunnen niet worden ingeroepen om de eiser II de andere essentiële waarborgen gesteund op het EVRM te ontzeggen; de eiser II had het recht tegensprekelijk aan te tonen dat van bedreiging op de getuige geen sprake was. 3. Het arrest stelt niet vast dat getuige R.A. een verklaring a décharge van de eiser II heeft afgelegd. Het stelt enkel vast dat hij in de loop van de behandeling van de zaak voor de eerste rechter werd herverhoord door de politiediensten. In zoverre het middel ervan uitgaat dat deze getuige verklaring a décharge heeft afgelegd en daardoor een getuige ten ontlasting is geworden, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. 4. Het arrest geeft geen uitlegging van de stukken en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 5. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. 6. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd en die nadien heeft ingetrokken, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Dit sluit niet uit dat de beoordeling van een criterium de beoordeling van de andere criteria kan versterken, vervolledigen of verduidelijken. 7. Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria onaantastbaar te oordelen of het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd en die vervolgens zijn verklaring intrekt, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 8. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 9. In zoverre het middel in de kritiek op de hier bedoelde beoordeling door het arrest opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de feiten of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 10. De rechter dient geen getuigenverhoor te bevelen van een medebeklaagde die is verschenen op dezelfde rechtszitting als de beklaagde ten aanzien waarvan die medebeklaagde belastende verklaringen heeft afgelegd. De beklaagde kan immers aan de rechter vragen ter rechtszitting met de medebeklaagde te worden geconfronteerd en kan daar alle vragen voorstellen of opmerkingen maken om de belastende verklaringen te weerleggen of ze te doen aanpassen of verduidelijken. Daarvoor is geen formeel verzoek van de beklaagde vereist noch een formele beslissing van de rechter. De rechter kan rekening ermee houden dat de beklaagde op een vroegere rechtszitting in de gelegenheid is geweest om een dergelijke confrontatie te vragen of aan te gaan, maar dat niet heeft gedaan. 11. Wanneer de ogenschijnlijke vrees van een getuige voor de beklaagde of met de beklaagde in verband staande personen van zulke aard is dat die vrees een ernstige reden kan zijn om de getuige niet ter rechtszitting te horen, moet de rechter onderzoeken of er objectieve en dus door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn die deze vrees rechtvaardigen. 12. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel weergegeven. Het oordeelt ook dat: - er ernstige redenen voorliggen om R.A. niet te horen als getuige ter rechtszitting; het hof van beroep wijst terzake op het risico van beïnvloeding, van intimidatie, van bedreiging en zelfs van geweld, gelet op het milieu van georganiseerde criminaliteit waarin de aan de orde zijnde feiten zich afspeelden; - R.A. liet verstaan het voorwerp van bedreigingen te zijn geworden; hij heeft zich daarop, toen het onderzoek al was afgerond, bij de politiediensten aangeboden voor het afleggen van een nieuwe verklaring; terzake acteerde de politiediensten het volgende: "Wanneer hij zich op afspraak opnieuw heeft aangeboden, heeft de opsteller hem te woord gestaan. [A.] maakte gewag van bedreigingen tegen hem en wist niet goed wat doen. Hij twijfelde over het al dan niet afleggen van een nieuwe verklaring. Wij waren op dat ogenblik niet meer gelast met het onderzoek dat bij ons was afgesloten. Opsteller heeft hem gezegd dat hij best overleg zou hebben met zijn advcaat over wat hij al dan niet moest doen, en indien hij overtuigd was om toch een nieuwe verklaring af te leggen, hij dan met zijn raadsman een verzoek tot herverhoor moest richten aan het Parket of Onderzoekrechter, die ons dan de nodige opdrachten zouden geven...." (cfr. PV 524199/2019, pagina 1); - tot slot er ook het tijdsverloop is sedert het plegen van de feiten wat de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring kan aantasten; - de eventueel belastende verklaringen staande het onderzoek van R.A. zeker niet de enige of doorslaggevende elementen zijn waarop het hof van beroep de schuldigverklaring van de eiser II steunt; het hof van beroep verwijst in het bijzonder naar de resultaten van het telefonieonderzoek en andere objectieve dossierelementen die aan de gedetailleerde verklaringen van R.A. konden worden getoetst; - er voor het niet-horen ter rechtszitting van R.A. voldoende compenserende factoren in de vorm van procedurele waarborgen voor de eiser II zijn; ter zake onderlijnt het hof van beroep dat de eiser II de mogelijkheid had om voor de eerste rechter te worden geconfronteerd met R.A., die immers ter rechtszitting van 7 november 2019 in persoon aanwezig was; - R.A. bovendien werd herverhoord in de loop van de behandeling van de zaak voor de eerste rechter door de politiediensten. Uit het geheel van deze redenen kan het arrest wettig afleiden dat het horen van R. A. ter rechtszitting niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en dat de gevoerde strafvervolging, in zijn geheel beschouwd en rekening gehouden met alle relevante belangen, eerlijk verloopt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - Artikel 2 Strafwetboek en de artikelen 195, eerste lid, en 211 Wetboek van Strafvordering. 14. Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, volgt dat een veroordelende beslissing de wetsbepalingen moet vermelden die de feiten strafbaar stellen en die de toegepaste straffen bepalen. Indien op het ogenblik van de beslissing de wetsbepalingen zijn opgeheven die de feiten op het ogenblik van het plegen ervan strafbaar stelden, dient de rechter ook de wetsbepalingen te vermelden op grond waarvan de feiten tot op het ogenblik van de beslissing strafbaar zijn gebleven. 15. Het arrest verklaart de eisers schuldig aan de telastlegging A, zoals heromschreven: - "behalve in de gevallen van artikel 8 van het koninklijk besluit van 6 september 2017, te hebben ingevoerd, uitgevoerd en vervoerd van middelen gedefinieerd in artikel 2, 12° van het Koninklijk besluit van 6 september 2017 zonder voorafgaande vergunning van de bevoegde minister of zijn afgevaardigde - (art. 2bis, 4 en 6 lid 1 van de wet van 24 februari 1921; art. 2, 12°, 14° en 18°, 3, 6, § 1, 8, 50, 6, en de bijlagen I tot V van het Koninklijk besluit van 6 september 2017) - met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging (artikel 2bis § 3 b van de wet van 24 februari 1921)". De feiten onder deze telastlegging begrepen en waaraan de eisers schuldig worden verklaard werden gepleegd tussen 31 januari 2017 en 9 april 2017, meermaals, op niet nader bepaalde data. 16. Het arrest vermeldt niet de bepalingen van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, waaruit blijkt dat de invoer van cocaïne op het ogenblik dat de feiten werden gepleegd strafbaar waren. Bijgevolg is de schuldigverklaring aan de heromschreven feiten onder de telastlegging A en de veroordeling ingevolge die feiten niet naar recht verantwoord. Overige grieven 17. De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie 18. De voormelde onwettigheid leidt tot de vernietiging van de schuldigverklaring van de eisers aan de telastlegging A en hun veroordeling tot straf. Ze laten hun schuldigverklaring aan de telastlegging B en de beslissingen over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen en de saisine van het appelgerecht, de vaststelling van de staat van wettelijke herhaling voor de eiser II en de veroordeling tot de forfaitaire vergoeding, tot de bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en tot de kosten ongemoeid. Ambtshalve onderzoek voor het overige 19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre het: - uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de hogere beroepen en het de saisine van het appelgerecht bepaalt; - de eisers schuldig verklaart aan de telastlegging B, hen veroordeelt tot de forfaitaire vergoeding, tot de bijdrage aan het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand en tot de kosten; - vaststelt dat de eiser II zich in staat van wettelijke herhaling bevindt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot drie tienden van de kosten. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Bepaalt de kosten in het geheel op 333,91 euro, waarvan de eiser I 166,95 euro is verschuldigd en de eiser II 166,96 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.7 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140506.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.9 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191023.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div