id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210305.1N.8 Rolnummer: C.20.0447.N Zaak: V. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2022-02-14 Raadplegingen: 1056 - laatst gezien 2026-06-16 04:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche De regel van openbare orde krachtens welke de behandeling van de burgerlijke vordering die niet tegelijk met de strafvordering door dezelfde rechter gebeurt, moet worden geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat de strafrechtelijke beslissing, ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke vordering, in de regel gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de punten die de strafvordering en de burgerlijke vordering met elkaar gemeen hebben en geldt enkel wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid of tegenstrijdigheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter, wat ook het geval kan zijn wanneer niet alle partijen in de burgerlijke zaak tevens partij zijn in de strafzaak
(1).
(1)Zie Cass. 7 september 2020, AR C.18.0316.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.13, AC 2020, nr.
- Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Naast elkaar behandelde strafvordering en burgerlijke vordering - Schorsing van de burgerlijke vordering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 4 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Annotaties Publicaties: NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2021, nr. 446, p. 582-
- - WALGRAEVE, Michele; Noot'Le criminel tient le civil en état (art. 4 V.T.Sv.): het gevaar voor onverenigbaarheid als duurzame toetssten' Tekst van de beslissing Nr. C.20.0447.N D. V. D. M., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- Dirk BERT, advocaat, met kantoor te 9470 Denderleeuw, Lindestraat 162, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van DVDM TOTAALINRICHTINGEN bv, met zetel te 9300 Aalst, Tragel 53, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0465.195.370,
- J. P., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 juni
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- De regel van openbare orde die is bepaald in artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en krachtens welke de behandeling van de burgerlijke vordering die niet tegelijk met de strafvordering door dezelfde rechter gebeurt, moet worden geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering, wordt verantwoord door het feit dat de strafrechtelijke beslissing, ten aanzien van de afzonderlijk ingestelde burgerlijke vordering, in de regel gezag van gewijsde heeft met betrekking tot de punten die de strafvordering en de burgerlijke vordering met elkaar gemeen hebben. De verplichting om de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen, die voormelde wetsbepaling oplegt aan de rechter die ervan kennisneemt, geldt enkel wanneer er gevaar bestaat voor onverenigbaarheid of tegenstrijdigheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter. In voorkomend geval moet de rechter die van de burgerlijke vordering kennisneemt, de behandeling ervan schorsen, ook wanneer niet alle partijen in de burgerlijke zaak tevens partij zijn in de strafzaak. Het Hof kan nagaan of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten wettig heeft kunnen afleiden of er al dan niet gevaar bestaat voor onverenigbaarheid of tegenstrijdigheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter.
- Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de eiser fungeerde als statutair zaakvoerder van DVDM TOTAALINRICHTINGEN bvba, die bij vonnis van de rechtbank van koophandel Gent, afdeling Dendermonde, van 16 december 2016 werd failliet verklaard; - de eerste verweerder, curator van het faillissement, bij dagvaarding van 25 september 2018 onderhavige burgerlijke procedure instelde tegen de eiser strekkend tot betaling van een schadevergoeding op grond van bestuurdersaansprakelijkheid; - de eerste verweerder daarbij de eiser verweet medio 2012, wanneer DVDM TOTAALINRICHTINGEN bvba reeds virtueel failliet was, een sterfhuisconstructie te hebben opgezet middels oprichting van een nieuwe vennootschap die de activa van de oude vennootschap heeft overgenomen, zo ook de voertuigen en de handelszaak, zonder daarvoor een vergoeding te hebben betaald, terwijl de passiva, voornamelijk fiscale schulden, in de oude vennootschap zijn gebleven; - de eerste verweerder vervolgde dat de nieuwe vennootschap zodoende de activiteiten van de oude vennootschap onder haar handelsnaam verderzette, terwijl de oude vennootschap achterbleef als een lege doos, zodat de schuldeisers hun verhaalsrechten verloren; - de eerste rechter bij tussenvonnis van 9 september 2019 vaststelde dat door toedoen van het openbaar ministerie een strafrechtelijk opsporingsonderzoek liep, zodat, bij gebrek aan ingestelde strafvordering, de behandeling van de burgerlijke vordering vooralsnog niet moest worden geschorst; - de eerste rechter, na antwoord van de partijen op de vragen die bij tussenvonnis van 9 september 2019 waren gesteld, bij tussenvonnis van 30 december 2019 besliste tot de foutaansprakelijkheid van de eiser “door via een constructie van het oprichten van [een] nieuwe vennootschap […] de facto de activiteiten van [de oude vennootschap] over te dragen naar de nieuwe vennootschap […], in de wetenschap dat de schuldeisers van [de oude vennootschap] zouden achterblijven met een quasi ‘lege doos’, waarop ze geen verhaalsrechten meer zouden kunnen uitoefenen”, hem veroordeelde tot een provisionele schadevergoeding ten bedrage van 50.000 euro en een deskundigenonderzoek beval “om de schade te begroten welke werd veroorzaakt door het opzetten van de sterfhuisconstructie en de geruisloze overdracht naar de nieuwe vennootschap”; - de eiser bij verzoekschrift van 14 februari 2020 hoger beroep instelde tegen de tussenvonnissen van 9 september 2019 en 30 december 2019; - het openbaar ministerie bij dagvaarding van 4 maart 2020 een strafvordering lastens de eiser instelde mede op grond van bedrieglijke dan wel schadelijke verduistering van vennootschapsactiva (artikelen 489ter, eerste lid, 1°, en 490 Strafwetboek) door op 25 juni 2012 een nieuwe vennootschap te hebben opgericht die de activiteiten van de oude vennootschap, die virtueel failliet was, onder haar handelsnaam verderzette, zonder vergoeding voor de overname van de handelszaak en het cliënteel; - de eiser hierna de appelrechter vroeg om de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen in afwachting van een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering.
- De appelrechter stelt vast dat: - de eiser op 4 maart 2020 werd gedagvaard om te verschijnen voor de strafrechter op 20 april 2020 op betichting van een aantal faillissementsmisdrijven, waaronder de verduistering van vennootschapsactiva; - de eerste rechter in het beroepen tussenvonnis van 30 december 2019 de eiser op vordering van de eerste verweerder veroordeelde tot betaling van een provisionele schadevergoeding ten bedrage van 50.000 euro aan de failliete boedel, op grond van bestuurdersaansprakelijkheid, wegens onder meer het opzetten van een sterfhuisconstructie; - het gaat om een voorlopig uitvoerbaar vonnis, zodat de eerste verweerder het op eigen risico kan tenuitvoerleggen; - de intussen ingestelde strafvordering het initiatief is van het openbaar ministerie in navolging van het opsporingsonderzoek tegen de eiser als gewezen zaakvoerder van de failliete vennootschap, in het algemeen maatschappelijk belang; - de eerste verweerder geen klacht met burgerlijke partijstelling heeft gedaan en evenmin partij is in voormelde strafprocedure.
- De appelrechter die uit die vaststellingen afleidt dat er geen gevaar bestaat voor onverenigbaarheid tussen de beslissing van de strafrechter en die van de burgerlijke rechter en weigert de behandeling van de burgerlijke vordering te schorsen in afwachting van een definitieve rechterlijke beslissing over de strafvordering, schendt artikel 4, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en raadsheer Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 5 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210305.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240215.1N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200907.3N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div