← België

L. contra Janssens-Geerinck

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.15 Rolnummer: P.20.1265.N Zaak: L. contra Janssens-Geerinck Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 529 - laatst gezien 2026-06-14 10:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche Een beklaagde die een rechtsplegingsvergoeding vordert van een in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij, heeft voor wat betreft die rechtsvordering niet de hoedanigheid van vervolgde persoon en moet aldus zijn cassatieberoep overeenkomstig artikel 427 Wetboek van Strafvordering laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering - Beklaagde - Rechtsplegingsvergoeding van de rechtstreeks dagende burgerlijke partij - Betekening - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 427 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1265.N R. M. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart D'Haene, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen JANSSENS-GEERINCK nv, met zetel te 2300 Turnhout, Noord-Brabantlaan 16, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 november

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. In zoverre gericht tegen de beslissing waarbij het arrest de eiser vrijspreekt van de loondiefstal van een aantal goederen vermeld in de rechtstreekse dagvaarding, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  3. Artikel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partij die cassatieberoep instelt, het cassatieberoep moet laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. De vervolgde persoon is daartoe evenwel enkel verplicht in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering.
  4. Een beklaagde die een rechtsplegingsvergoeding vordert van een in het ongelijk gestelde rechtstreeks dagende burgerlijke partij, heeft voor wat betreft die rechtsvordering niet de hoedanigheid van vervolgde persoon.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerster. In zoverre gericht tegen de beslissing die eisers rechtsvordering tot het hem toekennen van een rechtsplegingsvergoeding lastens de verweerster verwerpt, is het cassatieberoep evenmin ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 47 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest gaat niet na of voormeld artikel 47 is geschonden; het bevel tot huiszoeking dat de onderzoeksrechter heeft uitgevaardigd in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar drugmisdrijven, heeft feiten aan het licht gebracht die na een apart opsporingsonderzoek hebben geleid tot eisers veroordeling wegens loondiefstal; het strafdossier bevat geen vordering van de procureur des Konings tot het opstarten van een gerechtelijk onderzoek; het laat niet toe uit te maken of de onderzoeksrechter wel was gelast met een onderzoek, welke zijn saisine was en op grond van welke informatie of tegen wie het gerechtelijk onderzoek zou zijn opgestart.
  7. Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen vermeldt het arrest (p. 16-17) de gegevens uit het strafdossier die de aanwijzingen opleverden van het plegen van drugmisdrijven in het doorzochte pand en die aan het gerechtelijk onderzoek ten grondslag lagen. In zoverre het middel die redenen niet in de kritiek betrekt, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  8. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 47sexies, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest negeert de gegevens van het strafdossier waaruit overduidelijk het stelselmatige karakter van de observatie blijkt en neemt in strijd met die gegevens ten onrechte aan dat er geen stelselmatige observatie was. Het tweede onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging: door niet de nietigheid te aanvaarden van processen-verbaal waarin onder meer de wijze, de frequentie en de tijdstippen van de observaties niet werden vermeld, miskent het arrest het recht van de eiser om objectief te kunnen beoordelen of er al dan niet sprake was van een stelselmatige observatie.
  10. Het middel dat in zijn geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 15 Grondwet: het arrest verklaart de door de onderzoeksrechter bevolen huiszoeking, dit is de eerste huiszoeking, ten onrechte niet nietig alhoewel ze was gebaseerd op foute informatie van de politie en niet was gebaseerd op aanwijzingen van het bestaan van drugmisdrijven; er was zodoende geen reden tot een huiszoeking, zodat de ermee verkregen bewijzen nietig zijn en niet in een strafprocedure kunnen worden gebruikt.
  12. Het arrest (p. 16-17) oordeelt niet dat het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde huiszoekingsbevel steunde op onjuiste informatie van de politie of niet steunde op voldoende ernstige aanwijzingen van het plegen van drugmisdrijven in het doorzochte pand. Het oordeelt integendeel dat die aanwijzingen wel degelijk voorhanden waren. Het oordeelt onder meer ook dat: - de vaststelling dat de latere huiszoeking uiteindelijk geen bewijs heeft opgeleverd van het onderzochte misdrijf geen afbreuk doet aan de waarde of de ernst van deze aanwijzingen, noch aan de rechtsgeldigheid van het huiszoekingsbevel of van de huiszoeking zelf; - de eiser niet aannemelijk maakt op een wijze die het niveau van een loutere bewering overstijgt dat de onderzoeksrechter het huiszoekingsbevel zou hebben verleend op basis van onjuiste informatie, maar het tegendeel blijkt uit de gegevens die het vervolgens opsomt. Het onderdeel dat die redenen niet in de kritiek betrekt, berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1, tweede lid, 3°, en 3, Huiszoekingswet, zoals thans van toepassing: het arrest verklaart ten onrechte de tweede huiszoeking niet nietig, hoewel die heeft plaatsgevonden zonder bevel tot huiszoeking en zonder toestemming van de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of de eiser; de verbalisanten hebben de "nieuwe feiten" lastens de eiser ontdekt tijdens een op eigen houtje uitgevoerde huiszoeking en hebben eisers toestemming slechts na de huiszoeking gevraagd.
  14. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  15. Een huiszoeking bedoeld in artikel 1, tweede lid, 3°, Huiszoekingswet vereist geen toestemming of bevel tot huiszoeking vanwege de onderzoeksrechter. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  16. Het arrest (p. 18) stelt vast dat de politie tijdens de huiszoeking, na het ontdekken van een grote hoeveelheid verdachte goederen, onverwijld de procureur des Konings heeft ingelicht en een aanvankelijk proces-verbaal heeft opgesteld. In zoverre het onderdeel geen acht slaat op die reden, berust het op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  17. Het arrest (p. 19) oordeelt verder: "Uit de dossierstukken blijkt dat [de eiser] op 29 april 2015 om 14.00 uur schriftelijk toestemming heeft gegeven voor het uitvoeren van een huiszoeking, die onmiddellijk nadien aanving en eindigde om 15.00 uur. Op het toestemmingsformulier stond de verdenking van "huisdiefstal gereedschap" vermeld. (...). Verder is de eerste huiszoeking die diezelfde dag tijdens de ochtend had plaatsgevonden en die gemandateerd was door de onderzoeksrechter, duidelijk te onderscheiden van de tweede huiszoeking, ditmaal met toestemming van [de eiser] die in de namiddag plaatsvond. De schriftelijke toestemming werd wel degelijk voorafgaandelijk aan deze laatste huiszoeking verstrekt." Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde middel
  18. Het middel voert schending aan van de artikelen 461, 463 en 464 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan loondiefstal terwijl de goederen reeds eigenmachtig door de politie zijn teruggegeven aan de eiser en aan de verweerster voorafgaand aan de uitspraak over eisers schuld; aldus kon de lijst van gestolen goederen niet meer worden gereconstrueerd en was het onderzoek naar de eigendomstitel gecontamineerd; er kan niet meer worden beoordeeld of er goederen zijn gestolen.
  19. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  20. Het arrest (p. 21) oordeelt onder meer dat de stelling van de eiser dat de in beslag genomen goederen werden opgeslagen in een loods die voor andere personen toegankelijk was, zodat het niet is uitgesloten dat er fouten en vergissingen werden begaan, het niveau van de loutere bewering niet overstijgt en door de eiser niet aannemelijk wordt gemaakt. Voor het overige (p. 22-25) preciseert het met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen de feitelijke gegevens op grond waarvan het de eiser schuldig verklaart aan de loondiefstal van tien van de in de rechtstreekse dagvaarding opgesomde goederen en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
  21. Het middel bekritiseert de beslissing die eisers burgerlijke rechtsvordering om de verweerster te veroordelen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding verwerpt. Met betrekking tot die beslissing is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Het middel behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.