id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021
Art. 135
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Regeling van de rechtspleging - Beschikking van de raadkamer - Hoger beroep door het openbaar ministerie - Beperking van het hoger beroep - Saisine van de kamer van inbeschuldigingstelling - Vernietiging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 135
, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Behoudens toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering kan het onderzoeksgerecht bij de regeling van de rechtspleging slechts oordelen over feiten die bij dit onderzoeksgerecht aanhangig zijn gemaakt; wanneer blijkt dat de onderzoeksrechter, al dan niet naar aanleiding van een aanvullende klacht met burgerlijke partijstelling, nog gelast is met andere feiten, die nog niet bij het onderzoeksgerecht aanhangig zijn gemaakt, verplicht geen enkele wetsbepaling het onderzoeksgerecht om het dossier met betrekking tot die andere feiten naar de procureur des Konings te verwijzen. Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Feiten die niet bij het onderzoeksgerecht aanhangig zijn - Andere feiten waarmee de onderzoeksrechter gelast is - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 235
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Feiten die niet bij het onderzoeksgerecht aanhangig zijn - Andere feiten waarmee de onderzoeksrechter gelast is - Beoordeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 235- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.20.1012.N I K. R., burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, II P. D., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Victor Petitat, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, beide cassatieberoepen tegen T. V., inverdenkinggestelde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 september
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
- Het arrest (p. 11, nr. 1.4) stelt vast dat de eiseres I geen partij meer is in de rechtspleging in hoger beroep omdat zij zelf geen hoger beroep heeft ingesteld en het hoger beroep van het openbaar ministerie niet is gericht tegen beschikkingen van de beroepen beschikking over de feiten die ten nadele van de eiseres I zouden zijn gepleegd. Het cassatieberoep van de eiseres I is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering: na de beroepen beschikking teniet te hebben gedaan omdat de raadkamer de verweerder in verdenking heeft gesteld voor feiten die niet het voorwerp uitmaakten van de eindvordering van het openbaar ministerie, beperkt het arrest de saisine in hoger beroep ten onrechte tot de feiten zoals vermeld in de appelconclusie van de procureur-generaal; de vastgestelde nietigheid had de nietigheid van de beschikking van de raadkamer tot gevolg, minstens met betrekking tot de incriminatieperiode die buiten de eindvordering viel, dit is vanaf 28 september
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de raadkamer het verval van de strafvordering heeft vastgesteld met betrekking tot de telastleggingen A.1 en A.2 en heeft geoordeeld dat er geen reden is tot vervolging van de verweerder voor de telastleggingen B.1, B.2, C en D, met dien verstande "dat in hoofde van de (verweerder) wel degelijk feiten van be¬laging worden weerhouden ten nadele van de (eiser II) voor de periode zoals uitgebreid vanaf 1 januari 2019 tot 3 juni 2019"; - de verweerder door de raadkamer naar de correctionele rechtbank werd verwezen wegens een inbreuk op de artikelen 10, 11 en 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers en artikel 442bis Strafwetboek ten nadele van de eiser II, herhaaldelijk in de periode van 1 januari 2019 tot en met 3 juni 2019; - het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de raadkamer doch louter in zoverre de verweerder daarin werd verwezen naar de correctionele rechtbank; - behalve het aldus beperkte hoger beroep van het openbaar ministerie er door geen enkele andere partij hoger beroep werd aangetekend; - de procureur-generaal zowel in zijn schriftelijke vordering als in zijn appelconclusie, die naar die vordering verwijst, heeft gevorderd dat de beschikking van de raadkamer teniet zou worden gedaan in zoverre de verweerder daarin naar de correctionele rechtbank werd verwezen voor feiten die niet in de eindvordering waren begrepen en dat zou worden gezegd voor recht, in hoofd¬orde, dat de verweerder voor die telastlegging buiten vervolging wordt gesteld en, in ondergeschikte orde, dat hij hiervoor naar het hof van assisen wordt verwezen; - het arrest oordeelt dat de raadkamer de verweerder bijkomend in verdenking heeft gesteld en heeft verwezen naar de correctionele rechtbank voor feiten die niet waren opgenomen in de eindvordering van de procureur des Konings, zodat de beroepen beschikking moet worden tenietgedaan binnen de perken van het hoger beroep van het openbaar ministerie; - de appelrechters de verweerder bij gebrek aan bezwaren buiten vervolging stellen voor de feiten, omschreven als een inbreuk op de artikelen 10, 11 en 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers en artikel 442bis Strafwetboek ten nadele van de eiser II in de periode van 1 januari 2019 tot en met 3 juni
- Bij toepassing van artikel 135, § 1, Wetboek van Strafvordering kan het openbaar ministerie hoger beroep instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer. Dit hoger beroep kan worden beperkt tot bepaalde onderdelen van een dergelijke beschikking. Wanneer de raadkamer oordeelt dat er eensdeels geen redenen voorhanden zijn om een inverdenkinggestelde wegens bepaalde feiten naar het vonnisgerecht te verwijzen maar dat er anderdeels wel redenen voorhanden zijn om die inverdenkinggestelde wegens andere feiten naar het vonnisgerecht te verwijzen, is op het loutere hoger beroep van het openbaar ministerie tegen die beslissing tot verwijzing, de beslissing tot buitenvervolgingstelling niet aan het oordeel van de kamer van inbeschuldigingstelling onderworpen. De omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling het door het openbaar ministerie in hoger beroep bestreden gedeelte van de beschikking van de raadkamer tenietdoet, doet hieraan geen afbreuk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 128 en 229 Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat de verweerder tijdens de misdrijfperiode van 1 januari 2019 tot en met 3 juni 2019 slechts enkele berichten op Facebook heeft gepost en er bijgevolg onvoldoende bezwaren voorhanden zijn om de verweerder naar het vonnisgerecht te verwijzen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht en is die beslissing ook niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest laat immers na rekening te houden met het geheel van de strafinformatie en laat ten onrechte een aanzienlijk deel ervan buiten beschouwing; uit de stukken blijkt genoegzaam dat er ook in de geïncrimineerde periode berichten van eenzelfde aard werden gedeeld door de verweerder.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het onderzoeksgerecht dat moet oordelen over het bestaan van bezwaren met betrekking tot strafbare feiten in een welbepaalde misdrijfperiode, dient niet na te gaan of er ook buiten die misdrijfperiode sprake is van bezwaren met betrekking tot strafbare feiten. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is het niet ontvankelijk. Derde middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met het oordeel dat er geen aanleiding is om de feiten te heromschrijven volgens het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers omdat de feiten in dat geval hoe dan ook verjaard zouden zijn en dat er geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof moet worden gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 met de artikelen 10 en 11 Grondwet omdat dit Hof zich hierover reeds heeft uitgesproken bij arrest nr. 168/2006 van 8 november 2006, is het arrest niet naar recht verantwoord; de door de eiser II gesuggereerde prejudiciële vraag had immers betrekking op de onevenredige beperking van het recht tot toegang tot de rechter, terwijl het Grondwettelijk Hof zich louter heeft uitgesproken over de verschillende verjaringstermijnen; de omstandigheid dat in het arrest nr. 168/2006 wordt gesteld dat de benadeelde zich tot de burgerlijke rechter kan wenden doet hieraan geen afbreuk, gelet op de onderscheiden aard van de strafprocedure en de burgerlijke procedure. Minstens dient aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te worden gesteld: "Schendt artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met artikel 6.1 EVRM, in die mate dat het openbaar ministerie en slachtoffers slechts over een beperkte tijd beschikken om kennis te nemen van het misdrijf, het onderzoek en vervolging te doorlopen om enige vordering te kunnen instellen lastens een beklaagde of inverdenkinggestelde, terwijl de in voormeld artikel gestelde termijn geen onevenredige beperking vermag in te houden van het recht op toegang tot de rechter ?"
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Bij arrest nr. 168/2006 van 8 november 2006 heeft het Arbitragehof geoordeeld dat artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers, dat bepaalt dat de vervolging van de bij de artikelen 2, 3 en 4 van dit decreet voorziene misdrijven verjaart na verloop van drie maanden, te rekenen van de dag waarop het misdrijf werd gepleegd of van de dag van de laatste gerechtelijke akte, de artikelen 10 en 11 Grondwet niet schendt. Het arrest nr. 168/2006 (B.4) stelt in dit verband dat: - artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 deel uitmaakt van een geheel van regels die tot doel hebben de aan eenieder erkende vrijheid te waarborgen om zijn mening te verkondigen in een gedrukt geschrift en het te verspreiden en die het mogelijk maken op die manier de vrije meningsuiting en de vrije verspreiding van ideeën te beschermen; - de auteurs van het decreet er redelijkerwijs konden van uitgaan dat dergelijke rechtsvorderingen aan een kortere verjaring konden worden onderworpen; - artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 toelaat zo snel mogelijk de twijfel weg te nemen die door de laster of de belediging kan ontstaan over de integriteit van de betrokkenen, vermits het voortbestaan van die twijfel het beheer van de openbare aangelegenheden waarvoor zij instaan in het gedrang kan brengen; - een langere termijn een dreiging zou laten rusten op diegenen die misbruiken, begaan door titularissen van een openbaar ambt aanklagen, welke dreiging niet verenigbaar zou zijn met de bekommernis het mogelijk te maken dat hun handelingen aan de kaak worden gesteld; - de benadeelden over de mogelijkheid beschikken om een vordering in te stellen voor de burgerlijke rechter, in welk geval de verjaringstermijn vijf jaar bedraagt.
- Met dit oordeel beantwoordt het arrest nr. 168/2006 van 8 november 2006 de door de eiser II gesuggereerde prejudiciële vraag, die in wezen een identiek onderwerp betreft. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof: met het oordeel dat de eiser II niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 een schending zou inhouden van de artikelen 10 en 11 Grondwet, in samenhang met artikel 6.1 EVRM, daar het een onevenredige beperking van zijn recht op toegang tot de rechter zou inhouden, miskent het arrest de verplichting om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof; behoudens wanneer de betreffende bepaling de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt, mag het rechtscollege voor wie een prejudiciële vraag wordt opgeworpen, deze vraag immers niet zelf beantwoorden.
- Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de beslissing om de prejudiciële vraag niet te stellen, wettig wordt verantwoord op grond van artikel 26, § 2, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, namelijk omdat het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan over een vraag met een identiek onderwerp. Het onderdeel dat niet tot cassatie kan leiden, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 63 en 66 Wetboek van Strafvordering: het arrest antwoordt niet op de conclusie van het openbaar ministerie dat de eindvordering van het openbaar ministerie en de beroepen beschikking van de raadkamer geen betrekking hebben op de feiten waarvoor op 10 september 2018 een aanvullende klacht met burgerlijkepartijstelling werd ingediend; gelet op de resterende saisine laten de appelrechters ten onrechte na om de zaak opnieuw te verwijzen naar de procureur des Konings teneinde te handelen als naar recht.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die de rechtspleging regelen. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De loutere vaststelling in een conclusie dat bepaalde feiten nog door de onderzoeksrechter worden onderzocht en niet aanhangig zijn bij het onderzoeksgerecht, is geen grief of verweer waarop het onderzoeksgerecht moet antwoorden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
- Behoudens toepassing van artikel 235 Wetboek van Strafvordering kan het onderzoeksgerecht bij de regeling van de rechtspleging slechts oordelen over feiten die bij dit onderzoeksgerecht aanhangig zijn gemaakt. Wanneer blijkt dat de onderzoeksrechter, al dan niet naar aanleiding van een aanvullende klacht met burgerlijkepartijstelling, nog gelast is met andere feiten, die nog niet bij het onderzoeksgerecht aanhangig zijn gemaakt, verplicht geen enkele wetsbepaling het onderzoeksgerecht om het dossier met betrekking tot die andere feiten naar de procureur des Konings te verwijzen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 82,71 euro, waarvan de eiseres I 6,35 euro is verschuldigd en de eiser II 6,36 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230505.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div