← België

V. contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.17 Rolnummer: P.20.1248.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 851 - laatst gezien 2026-06-19 04:21 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 779 Gerechtelijk Wetboek, dat van toepassing is in strafzaken, volgt dat op straffe van nietigheid van de beslissing in beginsel alle rechtszittingen waarop de zaak is behandeld, moeten zijn bijgewoond door dezelfde rechters; een rechtszitting waarop het rechtscollege uitsluitend conclusietermijnen heeft bepaald bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering, is geen rechtszitting waarop de zaak werd behandeld in de zin van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek. Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Vonnis en arrest - Samenstelling van de zetel - Rechtszittingen waarop de zaak wordt behandeld - Rechtszitting waarop uitsluitend conclusietermijnen worden bepaald - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 779 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Samenstelling van de zetel - Rechtszittingen waarop de zaak wordt behandeld - Rechtszitting waarop uitsluitend conclusietermijnen worden bepaald - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 779 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 152, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1248.N P. V. D. N., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen

  1. J. V., burgerlijke partij,
  2. S. V., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 23 november
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek: de samenstelling van de zetel bij de behandeling van de zaak op 16 juni 2020 waarbij overeenkomstig artikel 152 Wetboek van Strafvordering conclusietermijnen werden bepaald, is niet dezelfde als die van de rechtszitting waarop de zaak werd behandeld op 26 oktober 2020 en van die welke het arrest heeft gewezen op 23 november 2020, waardoor het arrest nietig is.
  5. Artikel 779 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat het vonnis enkel kan worden gewezen door de rechters die alle rechtszittingen over de zaak hebben bijgewoond. Uit deze bepaling, die van toepassing is in strafzaken, volgt dat op straffe van nietigheid van de beslissing in beginsel alle rechtszittingen waarop de zaak is behandeld, moeten zijn bijgewoond door dezelfde rechters.
  6. Een rechtszitting waarop het rechtscollege uitsluitend conclusietermijnen heeft bepaald bij toepassing van artikel 152, § 1, Wetboek van Strafvordering, is geen rechtszitting waarop de zaak werd behandeld in de zin van artikel 779 Gerechtelijk Wetboek. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de regel van de bewijskracht van geschreven stukken: het oordeel van het arrest dat uit de verklaringen van zowel Y. als T. zou blijken dat de verweerster 2 door de eiser jarenlang, in de vervolgde periode, werd afgezonderd in zijn slaapkamer om hem massage te geven en dat de verweerster 2 volgens T. meer dan hen gunsten kreeg van de eiser, is niet verenigbaar met de bewoordingen van het verhoor van T. als getuige op 6 augustus 2018, waarvan een schriftelijke weerslag is terug te vinden in het proces-verbaal OU.L2.002108/2018 (stuk 101-102); dat oordeel blijkt geenszins uit die verklaring.
  8. Met de door het onderdeel bekritiseerde reden van het arrest (p. 13, randnr. 7) en de reden die het arrest overneemt van het beroepen vonnis (p. 12, randnr. 16) verwijst het arrest weliswaar naar het audiovisueel verhoor van T., maar niet naar de geschreven samenvatting van dit verhoor in het in het onderdeel vermelde proces-verbaal. Het kan dan ook de bewijskracht van die akte niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert miskenning aan van de bewijsregels in strafzaken en van het begrip feitelijk vermoeden: aangezien het oordeel dat uit de verklaring van T. zou blijken dat de verweerster 2 door de eiser jarenlang, in de vervolgde periode, werd afgezonderd in zijn slaapkamer om hem een massage te geven en de verweerster 2 volgens T. meer dan hen gunsten kreeg van de eiser, niet blijkt uit de verklaring van T. en deze het niet heeft over deze twee aspecten, kunnen de appelrechters niet oordelen dat die afleidingen uit dit verhoor blijken en op grond daarvan de schuld van de eiser vaststellen.
  10. Het onderdeel verduidelijkt niet welke bewijsregels in strafzaken het arrest miskent. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  11. Voor het overige voert het onderdeel weliswaar formeel miskenning aan van het begrip feitelijk vermoeden, maar komt het in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250402.2F.18 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250319.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.