← België

D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 Rolnummer: P.20.1104.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 1059 - laatst gezien 2026-06-18 23:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen maar die bepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen, waarbij het aan de beklaagde toekomt aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding en het aan de rechter staat om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht; de rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst en die concrete omstandigheden kunnen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring

(1).
(1)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.0806.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6, AC 2020, nr. 15; Cass 26 februari 2019, AR P.18.1028 N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Draagwijdte Fiches 5 - 8 Niets belet dat de rechter zijn beslissing om een getuige à décharge niet ter rechtszitting te horen, enkel steunt op de onbetrouwbaarheid van de door de betrokkene af te leggen verklaring, hetgeen namelijk impliceert dat die verklaring niet zal bijdragen tot de waarheidsvinding; het is wel vereist dat de rechter daarover een redelijke zekerheid heeft, maar daarvoor moet hij evenwel niet eerst de verklaring van de betrokkene horen en kan de rechter dat immers afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Weigering - Concrete omstandigheden - Betrouwbaarheid van de getuige - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Weigering - Concrete omstandigheden - Betrouwbaarheid van de getuige - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Weigering - Concrete omstandigheden - Betrouwbaarheid van de getuige - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige à décharge - Beoordeling - Weigering - Concrete omstandigheden - Betrouwbaarheid van de getuige - Beoordeling - Wijze Fiches 9 - 12 De rechter mag ervan uitgaan dat de getuige die een beklaagde voorstelt ter rechtszitting te horen, een getuige à décharge is tenzij anders aangegeven en daarvoor moet de beklaagde geen uitdrukkelijk standpunt innemen over de hoedanigheid van de getuige en moet de rechter niet eerst over diens verklaring beschikken. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Hoedanigheid van de getuige - Getuige à décharge - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Hoedanigheid van de getuige - Getuige à décharge - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Hoedanigheid van de getuige - Getuige à décharge - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Hoedanigheid van de getuige - Getuige à décharge - Beoordeling - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.20.1104.N I R. D. L., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. II P. T. S., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. III S. S., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 oktober
  2. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastleggingen A.2 en B.2 van zaak 1 (aanmaak en verkoop van amfetamines, in vereniging, als leidend persoon) louter op de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis; aldus beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat het beroepen vonnis zijn schuldigverklaring ten onrechte steunt op zijn relatie met F.M.; dat verweer was nochtans nieuw want gebaseerd op de getuigenverklaring van F.M. voor de appelrechters; bovendien had de eiser I voor de eerste rechter geen conclusie neergelegd zodat de motivering van het beroepen vonnis geen antwoord kon bieden op dat verweer.
  4. De appelrechter mag zijn beslissing motiveren door de overname van de redenen van het beroepen vonnis die hij nog steeds passend acht om het voor hem gevoerde verweer te beantwoorden, ook al worden die redenen betwist of wordt voor hem een nieuw verweer of een verweer op basis van nieuwe gegevens gevoerd. Het speelt geen rol of voor de eerste rechter een conclusie is neergelegd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis verklaart het arrest de eiser I schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten op grond dat: - het vaststaat dat tijdens de ganse incriminatieperiode op verschillende plaatsen amfetamines werden geproduceerd, die uiteraard ook werden verkocht; - de eiser I zijn schuld aan de telastlegging A.2 van zaak 1 weliswaar betwist, maar die schuld blijkt uit tapgesprekken, documenten aangetroffen bij een huiszoeking in zijn woning en gegevens aangetroffen op zijn computer; - uit de tapgesprekken ook blijkt dat de eiser I de voornaamste contacten met de Nederlanders had en een aantal grote beslissingen nam. Zo reed F.M. op 1 september 2018 samen met de eiser I naar Nederland. In zijn contacten met een Nederlands oproepnummer zei F.M. dat ‘den Bompa', geïdentificeerd als de eiser I, erbij was, voor als hij vragen had; - dit alles erop wijst dat de eiser I gedurende de volledige incriminatieperiode, met inbegrip van de periode waarin hij in de gevangenis verbleef, achter de schermen de touwtjes mee in handen hield; - F.M. vanaf april 2018 in beeld kwam als manusje-van-alles die hand- en spandiensten verrichte voor de broers S. Zo reed hij onder meer met de eiser I naar Nederland; - hoewel de eiser I dit ontkent, hij zonder twijfel ook mededader is aan de verkoop van amfetamines; - dit blijkt uit de geobserveerde levering van amfetamines door F.M. aan een medegevangene van de eiser I, uit de verklaring van de eiser III dat zijn vader eens drie kilogram speed bij hem ophaalde en uit het feit dat F.M. meermaals werd opgemerkt terwijl hij een drugdeal realiseerde die de eiser I had gearrangeerd; - de eiser I een essentiële rol vervulde in de vereniging met het oog op de productie en verkoop van amfetamines, waarbij vaststaat dat hij zich beslissingsbevoegdheid aanmat en een sturende rol vervulde bij de productie en de verkoop van amfetamines; - de eiser I de pater familias was die naar zijn zonen toe een sturende rol bleef vervullen en als vader hoe dan ook een natuurlijke leiderspositie innam; - het feit dat de eiser I effectief degene was die achter de schermen alles in de gaten hield en de contacten met de Nederlanders onderhield, blijkt uit de volgende objectieve bewijselementen: uit diverse tapgesprekken blijkt dat de eiser I voor de Nederlanders de grote baas was; de eiser I was degene die T.S. de adressen van mogelijke productieplaatsen doorspeelde; T.S. maande zijn vader aan om werk te maken met de contacten met Spanje; de eiser I vroeg in China offertes aan voor distillatieketels; de eiser I adviseerde na een accident van F.M. aan T. hoe hij dit moest oplossen; ondanks hun talrijke onderlinge contacten en hoewel hij wel verklaringen aflegde over de rol van T.S., zweeg F.M. in alle talen over het aandeel van de eiser I, daaraan toevoegend dat hij geen represailles wenste. Dit spreekt voor zich. Het arrest oordeelt verder dat de appelrechters aan deze oordeelkundige redenen niets toe te voegen hebben, dat het louter herhalen van deze redenen niets wezenlijks zou toevoegen aan de beoordeling van de schuld van de eiser I en dat eisers bij appelconclusie ontwikkelde argumenten in rechte niet voldoende grond hebben om het besluit van de appelrechters te ontkrachten. Uit die redenen blijkt dat de appelrechters de schuldigverklaring van de eiser I steunen op een geheel van vaststellingen die niet enkel verband houden met zijn relatie met F.M., dat zij geen geloof hechten aan de voor hen afgelegde verklaringen van F.M. die ingaan tegen de vermelde vaststellingen en dat de overgenomen redenen van het beroepen vonnis volstaan om het verweer van de eiser I te weerleggen. Aldus beantwoorden de appelrechters dat verweer, zonder dat zij moeten antwoorden op elk argument dat voor hen is aangevoerd tot staving van dat verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de verzwarende omstandigheid van het leiderschap van de vereniging bewezen is op grond van de van het beroepen vonnis overgenomen reden dat F.M. het stilzwijgen heeft bewaard uit schrik voor represailles van de eiser I; aldus miskent het arrest de bewijskracht van de verklaring van F.M. zoals opgenomen in het proces-verbaal van de rechtszitting van 7 september 2020 dat hij altijd heeft gezwegen uit schrik voor represailles van de persoon die nog boven T. stond.
  7. Met de bekritiseerde reden geeft het arrest geen uitlegging van de getuigenverklaring van F.M., maar beoordeelt het de bewijswaarde ervan. Bijgevolg kan het arrest de bewijskracht van die verklaring niet miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede middel van de eiser I
  8. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiser I dat de incriminatieperiode moet worden beperkt en slechts begint te lopen vanaf 2 mei 2018, alsook dat de eerste rechter daarover geen standpunt heeft ingenomen.
  9. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel, eerste onderdeel, is het om dezelfde redenen te verwerpen.
  10. Het beroepen vonnis (p. 66) oordeelt op grond van een geheel van vaststellingen dat de eiser I zich ten onrechte beroept op bezoekerslijsten om zijn beperkte contacten in de gevangenis aan te tonen. Het oordeelt onder meer op grond van die reden dat de eiser I gedurende de volledige incriminatieperiode, met inbegrip van de periode waarin hij in de gevangenis verbleef, achter de schermen de touwtjes in handen hield. Het arrest neemt die redenen over en oordeelt verder zoals vermeld in het antwoord op het eerste middel, eerste onderdeel. Met die redenen, waaruit ook het oordeel blijkt dat het beroepen vonnis wel degelijk standpunt over eisers verweer heeft ingenomen, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser I Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest verwerpt eisers verzoek om G.W. en S.R. als getuigen ter rechtszitting te horen; het steunt die weigering op criteria om getuigen à décharge al dan niet te horen; anders dan waarvan het arrest uitgaat, heeft de eiser I echter niet aangevoerd dat het noodzakelijkerwijze om getuigen à décharge gaat; bovendien beschikten de appelrechters niet over de verklaringen van de betrokkenen; bijgevolg moesten zij de criteria voor het al dan niet horen van getuigen à charge toepassen; ook indien het ging om getuigen à décharge, past het arrest de hierop toepasselijke criteria niet juist toe aangezien het enkel oordeelt dat deze getuigen als onbetrouwbaar moeten worden aanzien omdat de eiser I nooit melding van hen heeft gemaakt tijdens de procedure en beide personen gedetineerden betreffen; het arrest onderzoekt niet of het horen van deze getuigen noodzakelijk is voor de waarheidsvinding, wat nochtans één van de criteria is; het arrest kan de betrouwbaarheid van de getuigen niet beoordelen zonder eerst hun verklaringen te horen en het nut ervan voor de waarheidsvinding te beoordelen.
  12. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen
  13. Die bepalingen kennen aan een beklaagde evenwel geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij erover dient te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht.
  14. De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete omstandigheden kunnen betrekking hebben op de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring.
  15. De rechter mag ervan uitgaan dat de getuige die een beklaagde voorstelt ter rechtszitting te horen, een getuige à décharge is tenzij anders aangegeven. Daarvoor moet de beklaagde geen uitdrukkelijk standpunt innemen over de hoedanigheid van de getuige en moet de rechter niet eerst over diens verklaring beschikken.
  16. Niets belet dat de rechter zijn beslissing om een getuige à décharge niet ter rechtszitting te horen, enkel steunt op de onbetrouwbaarheid van de door de betrokkene af te leggen verklaring. Dat impliceert namelijk dat die verklaring niet zal bijdragen tot de waarheidsvinding.
  17. Wel is vereist dat de rechter daarover een redelijke zekerheid heeft. Daarvoor moet hij evenwel niet eerst de verklaring van de betrokkene horen. De rechter kan dat immers afleiden uit alle hem regelmatig voorgelegde gegevens.
  18. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  19. De appelrechters hebben ter rechtszitting van 7 september 2020 V.D. en F.M. als getuigen gehoord en aldus voldaan aan het desbetreffende verzoek van de eiser I en van medebeklaagden. Zij verwerpen echter, met opgave van de criteria die zij daarvoor toepassen, het verzoek van de eiser I om ook G.W. en S.R. als getuigen ter rechtszitting te horen en dit op grond van de volgende redenen: - "De [eiser I] verzoekt verder om twee (gewezen) medegedetineerden te horen, namelijk [G.W.] en [S.R.] ("fonetisch"), met wie hij gesprekken zou hebben gevoerd en die als getuigen à décharge (vertaald: ten ontlaste) kunnen worden beschouwd"; - "De vaststelling dat de identiteit van de genaamden [G.W.] en [S.R.] door [de eiser I] nooit werd opgegeven tijdens het gerechtelijk onderzoek, deze personen evenmin werden aangebracht tijdens de behandeling voor de eerste rechter en deze personen bovendien medegedetineerden betreffen (wat niet echt pleit voor hun geloofwaardigheid) maakt dat deze personen als onbetrouwbaar dienen te worden aanzien, zodat het hof (van beroep) niet ingaat op het verzoek om hen te horen als getuigen onder eed." Die redenen maken concrete omstandigheden uit op grond waarvan het arrest, overeenkomstig de criteria die het vermeldt, wettig kan oordelen dat G.W. en S.R. niet als getuigen à décharge ter rechtszitting moeten worden gehoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en artikel 149 Grondwet: met de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat zijn recht van verdediging zou worden miskend indien G.W. en S.R. niet als getuigen ter rechtszitting zouden worden gehoord en beoordeelt het niet eisers recht op een eerlijk proces in zijn geheel.
  21. Met de vermelde redenen beantwoordt het arrest wel degelijk eisers verweer, gaat het na of de beslissing verenigbaar is met zijn recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd en verantwoordt het naar recht de beslissing dat dit het geval is. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I
  22. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat de onschuld van de eiser I niet blijkt uit de voorgelegde bezoekerslijsten omdat het onduidelijk is of deze een weergave zijn van alle bezoeken; met die van de van het beroepen vonnis overgenomen reden miskent het arrest de bewijskracht van de bezoekerslijst die de eiser I voor de appelrechters heeft bijgebracht en die vermeldt dat de bezoekerslijsten een integraal overzicht geven van de bezoeken in alle gevangenissen in België.
  23. Met het geheel van de hier van het beroepen vonnis (p. 65) overgenomen redenen steunt het arrest de vermelde beslissing over de onschuld van de eiser I niet enkel op de bekritiseerde reden, maar ook op de volgende redenen: "Bovendien staat vast dat [de eiser I] goed bekend was met het gevangeniswezen en dus ook wist op welke wijze hij onbespied met de buitenwereld contact kon opnemen. Tot slot verwijst de rechtbank nogmaals naar de afgeluisterde gesprekken, waaruit blijkt dat [T.S.] zijn moeder aanmaande om zijn vader in de gevangenis aan te spreken over het in orde brengen van de contacten met Spanje. Onmiddellijk na het bezoek in de gevangenis waarin dit ter sprake kwam, bood [V.S.] zich aan bij de woning van [de eiser II] en [T.L.]. Rechtstreekse contacten waren dus niet eens noodzakelijk om zijn rol van mededader te kunnen blijven vervullen." Deze zelfstandige redenen, die het middel niet aanvecht, dragen de beslissing. Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser II
  24. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest steunt de schuldigverklaring van de eiser II enkel op de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis; daarmee beantwoordt het arrest niet eisers kritiek op die redenen, zoals vermeld in de passages uit zijn appelconclusie die het middel citeert; de redenen van het arrest zijn passe partout-redenen die ook werden gebruikt voor de schuldigverklaring van andere beklaagden.
  25. De appelrechter mag zijn beslissing motiveren door de overname van de redenen van het beroepen vonnis die hij nog steeds passend acht om het voor hem gevoerde verweer te beantwoorden, ook al worden die redenen betwist of wordt voor hem een nieuw verweer of een verweer op basis van nieuwe gegevens gevoerd. Niets belet dat de appelrechter zijn beslissing op die wijze motiveert voor meerdere beklaagden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Met een geheel van redenen die het arrest oordeelkundig bevindt, verklaart het beroepen vonnis de eiser II schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten en verwerpt het zijn verweer. Het arrest oordeelt verder dat de appelrechters daaraan niets toe te voegen hebben, dat het louter herhalen van deze redenen niets wezenlijks zou toevoegen aan de beoordeling van de schuld van de eiser II en dat zijn bij appelconclusie ontwikkelde argumenten in rechte niet voldoende grond hebben om het besluit van de appelrechters te ontkrachten. Daarmee geeft het arrest te kennen dat de overgenomen redenen een voldoende en passend antwoord bevatten op het verweer dat de eiser II voor de appelrechters heeft gevoerd. Aldus beantwoordt het zijn verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser III Eerste onderdeel
  27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser III schuldig aan de verzwarende omstandigheid van het leiderschap van de verenigingen bedoeld in de telastleggingen A.2 en B.2 van zaak 1; het neemt daartoe redenen van het beroepen vonnis over die steunen op verklaringen van de medebeklaagden V.S., T.S. en S.D.; de eiser III heeft die verklaringen bestempeld als leugenachtig en onderling afgestemd; het arrest beantwoordt niet de specifieke en gemotiveerde vraag in eisers appelconclusie om de voeging te bevelen van de lijsten van gevangenisbezoekers van V.S. en T.S. teneinde de eiser III toe te laten het georkestreerde karakter van de betwiste verklaringen aan te tonen, noch eisers verweer dat anders zijn recht van verdediging en recht op een eerlijk proces zouden worden miskend en de strafvordering niet ontvankelijk is.
  28. Het beroepen vonnis (p. 74-76) leidt de bedoelde verzwarende omstandigheid niet enkel af uit vaststellingen die volgen uit verklaringen van T.S., V.S. of S.D., maar ook uit een geheel van andere vaststellingen die niet naar die verklaringen verwijzen of die volgen uit andere informatiebronnen, zoals het feit dat: - de eiser II samen met de eiser III instond voor de betaling van F.M., wat blijkt uit een telefoongesprek tussen de eiser I en V.S.; - ook de eiser III in gesprekken voorkomt als degene die een chauffeur regelde om de lasser op te halen; - in een gesprek tussen de eiser I en V.S. werd vermeld dat de eiser III 60.000,00 à 70.000,00 euro achterover had gedrukt, wat bewijst dat hij de financiën beheerde; - een groot deel van de inkomsten terugkeerde naar de eiser III, wat blijkt uit zijn uitgaven in verhouding tot zijn officiële inkomsten; - hoewel uit telefonieonderzoek blijkt dat F.M. ook met de eiser III werkte, hij op de rechtszitting van 10 september 2019 in alle talen zweeg over diens aandeel, eraan toevoegend dat hij geen represailles wenste. Dit spreekt voor zich.
  29. Na die redenen te hebben overgenomen, oordeelt het arrest (p. 28) met eigen redenen: "Het bewijs met betrekking tot het leiderschap in hoofde van [de eiser III] is bijgevolg niet (enkel en alleen) gebaseerd op de verklaringen van T.S., S.D. en V.S." Daarmee geeft het arrest te kennen dat de overtuiging van de appelrechters over de leidende rol van de eiser III in de vermelde verenigingen voldoende steun vindt in de bewijselementen die niet voortspruiten uit verklaringen van T.S., V.S. of S.D. en dat de gevraagde onderzoeksmaatregel derhalve niet vereist is voor de waarheidsvinding. Aldus beantwoorden de appelrechters eisers verweer, zonder dat zij moeten antwoorden op elk argument dat voor hen is aangevoerd tot staving van dat verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest gaat niet in op eisers verzoek tot het bijbrengen van de lijsten van gevangenisbezoekers van V.S. en T.S. terwijl het de beslissing over de verzwarende omstandigheid van het leiderschap van de verenigingen minstens gedeeltelijk steunt op de verklaringen van deze personen.
  31. Het arrest dat oordeelt zoals vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, schendt niet artikel 6.1 EVRM en miskent evenmin het recht van verdediging van de eiser, maar verantwoordt de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser III
  32. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis, beantwoordt het arrest niet de kritiek van de eiser III op het oordeel van dat vonnis dat hij voldoet aan de vereisten van het leiderschap van de verenigingen bedoeld in de telastleggingen A.2 en B.2 van zaak 1; die kritiek was nochtans omstandig en precies geformuleerd en werd gestaafd met nieuwe stukken en door de getuigenverklaring die F.M. heeft afgelegd voor de appelrechters; voor het weerleggen van dat verweer kan het arrest niet volstaan met een loutere overname van de redenen van het beroepen vonnis.
  33. De appelrechter mag zijn beslissing motiveren door de overname van de redenen van het beroepen vonnis die hij nog steeds passend acht om het voor hem gevoerde verweer te beantwoorden, ook al worden die redenen betwist of wordt voor hem een nieuw verweer of een verweer op basis van nieuwe gegevens gevoerd. Het enkele feit dat de appelrechter die redenen overneemt, impliceert niet dat hij het voor hem gevoerde verweer niet heeft onderzocht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  34. Met een geheel van redenen die het arrest oordeelkundig bevindt, verklaart het beroepen vonnis de eiser III schuldig aan de hem ten laste gelegde feiten zoals geherkwalificeerd en verwerpt het zijn verweer. Het arrest oordeelt verder dat de appelrechters daaraan niets toe te voegen hebben, dat het louter herhalen van deze redenen niets wezenlijks zou toevoegen aan de beoordeling van de schuld van de eiser III en dat zijn bij appelconclusie ontwikkelde argumenten in rechte niet voldoende grond hebben om het besluit van de appelrechters te ontkrachten. Daarmee geeft het arrest te kennen dat de overgenomen redenen een passend antwoord bevatten op het verweer dat de eiser III voor de appelrechters heeft gevoerd en dat zij niet worden weerlegd door nieuwe gegevens zoals de getuigenverklaring van F.M. Aldus beantwoordt het eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument dat voor de appelrechters is aangevoerd tot staving van dat verweer, maar dat geen zelfstandig verweer uitmaakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen Derde middel van de eiser III
  35. Het middel voert schending aan van artikel 4, § 6, Drugwet en de artikelen 42 en 43 Strafwetboek: het arrest beveelt de verbeurdverklaring van het voertuig BMW X6 lastens de eiser III omdat dit voertuig volgens observaties is gebruikt in het kader van de drugactiviteiten; het stelt echter niet vast dat uit de observatie blijkt dat een druggerelateerde handeling werd gesteld op het ogenblik waarop het voertuig in beeld kwam; aldus kan het arrest uit de feiten die het vaststelt niet wettig afleiden dat dit voertuig zou hebben gediend om een drugmisdrijf te plegen.
  36. Het arrest (p. 30) oordeelt: "In tegenstelling tot wat door [de eiser III] wordt voorgehouden blijkt uit het onderzoek afdoende dat ook het voertuig BMW X6 met nummerplaat 1KCP377 werd gebruikt in het kader van de drugactiviteiten (zie navolgend proces-verbaal 010971/2018 van 06.07.2018 omtrent de observaties: "Observatie 04/07/2018 Om 16:15 uur rijdt het voertuig BMW X6, zwarte kleur en rode velgen, met nummerplaat 1KCP377 ingeschreven op naam van [de eiser III], de oprit op te ..., L.., onmiddellijk gevolgd door een huurcamionet met opschrift Transdeco.be en nummerplaat 1KFE102" - karton 5 / kaft 8 / stuk 12 strafdossier) zodat dit voertuig bij toepassing van artikel 4 § 6 van de Drugwet van 24 februari 1921 terecht verbeurd werd verklaard."
  37. Die reden impliceert dat bij de observatie wel degelijk druggerelateerde feiten werden vastgesteld waarvoor de erin beschreven voertuigen werden gebruikt, te meer daar het arrest met die reden het verweer in eisers appelconclusie (p. 43) beantwoordt dat het voertuig BMW X6 op geen enkel moment in beeld is gekomen tijdens het vooronderzoek, zodat het niet is gebruikt om een vervolgd feit te plegen en het dus niet in aanmerking komt voor verbeurdverklaring op grond van de artikelen 42 en 43 Strafwetboek en artikel 4, § 6, Drugwet. Aldus kan het arrest op grond van die reden wettig oordelen dat het voertuig BMW X6 voldoet aan de vereisten van artikel 4, § 6, Drugwet. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 131,52 euro, waarvan elke eiser 43,84 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250409.2F.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250916.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240618.2N.23 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.