id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6 Rolnummer: P.20.1144.N Zaak: V. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 1205 - laatst gezien 2026-06-19 05:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechtsfiguren van de verzachtende omstandigheden en de redelijke termijn van de strafvervolging regelen onderscheiden rechtstoestanden zodat die rechtsfiguren en de rechtsgevolgen ervan onderling niet te vergelijken zijn
(1).
(1)Zie Cass. 22 maart 2000, AR P.99.1758.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000322.10, AC 2000, nr. 197. Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Verzachtende omstandigheden - Onderscheiden rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 79 tot 85 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Verzachtende omstandigheden - Onderscheiden rechtstoestanden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 79 tot 85 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 21ter - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 3 - 5 De rechter die artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering toepast, moet eensdeels de aan de beklaagde op te leggen straf verminderen, eventueel zelfs onder de wettelijke minimumstraf, met als ondergrens de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring waarbij hij bovendien, indien hij overeenkomstig dat artikel nog een straf uitspreekt, deze op een reële en duidelijke wijze moet verminderen ten aanzien van de straf die hij zou hebben opgelegd indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld en anderdeels dient de rechter bij het bepalen van de omvang van het herstel ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn weliswaar rekening te houden met de ernst van die overschrijding en het hierdoor aan de dader veroorzaakte nadeel, maar kan hij daarbij ook andere elementen verrekenen zoals de aard, de ernst en de hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de dader en het staat aan de rechter om dit alles in zijn beoordeling te betrekken; hieruit volgt dat de in artikel 21ter bepaalde strafvermindering niet subjectief of oncontroleerbaar is, maar voorziet in welbepaalde minimum- en maximumsancties waartussen de rechter een keuze dient te maken op grond van de feiten die hij onaantastbaar vaststelt en aldus klaarblijkelijk het legaliteitsbeginsel niet schendt. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Strafvermindering - Artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Strafvermindering - Artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Redelijke termijn - Overschrijding - Strafvermindering - Artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Beoordeling - Wijze Fiches 6 - 9 De beklaagde die ter rechtszitting met bepaalde personen wil worden geconfronteerd, moet dat duidelijk, precies en ondubbelzinnig aan de rechter vragen; de aanvoering van de beklaagde dat hij tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek of voor de eerste rechter ten onrechte niet is geconfronteerd met bepaalde personen, impliceert als dusdanig nog geen vraag aan of verplichting voor de appelrechters om zelf die confrontaties te organiseren. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Verzoek tot confrontatie met getuigen - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verzoek tot confrontatie met getuigen - Wijze Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verzoek tot confrontatie met getuigen - Wijze Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verzoek tot confrontatie met getuigen - Wijze Fiches 10 - 11 De verplichting voor de onderzoeksrechter om op grond van artikel 89bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de redenen voor de delegatie van de uitvoering van de huiszoeking te vermelden heeft een louter vormelijk karakter, waarvan de niet-naleving niet wordt gesanctioneerd
(1).
(1)Zie Cass. 18 november 1997, AR P.96.1364.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.3, AC 1997, nr.
- Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Huiszoeking - Huiszoekingsbevel - Delegatie - Vereiste vermeldingen - Sanctie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 89bis, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Huiszoeking - Delegatie - Huiszoekingsbevel - Vereiste vermeldingen - Sanctie - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 89bis, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1144.N I G. M. V., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, tegen
- F. V. W., burgerlijke partij,
- C. S., burgerlijke partij,
- B. D. S., burgerlijke partij,
- 'T VOSSENHOL vof, met zetel te 8570 Anzegem, Tiegemberg 22, burgerlijke partij, verweerders. II P. A. V., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
- F. V. W., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- C. S., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- M. E. Y., burgerlijke partij,
- S. E. H., burgerlijke partij,
- B. D. S., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- 'T VOSSENHOL vof, reeds vermeld, burgerlijke partij,
- C. B., burgerlijke partij, verweerders. III A. M. J. M. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
- B. D. S., reeds vermeld, burgerlijke partij,
- 'T VOSSENHOL vof, reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 oktober
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre gericht tegen de respectieve vrijspraken van de eisers I, II en III, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Het cassatieberoep I is niet betekend aan de verweerders I, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders I, is het cassatieberoep I niet ontvankelijk.
- Het arrest oordeelt dat de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster II.7 niet in staat van wijzen is en stelt de behandeling van de zaak in zoverre onbepaald uit. Dit is geen eindbeslissing bedoeld in artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, noch een beslissing bedoeld in het tweede lid van dat artikel. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep II voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 65, tweede lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt zonder meer dat er bij de eiser I sprake is van een hernieuwde misdadige wil om nieuwe feiten te plegen; het kan echter uit de feiten die het vaststelt niet wettig afleiden dat de thans beoordeelde feiten niet de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet als de feiten die werden beoordeeld bij het in kracht van gewijsde getreden arrest van het hof van beroep te Gent van 24 september 2019; uit het arrest blijkt niet op basis van welke feiten de appelrechters een nieuw misdadig opzet hebben kunnen vaststellen.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of misdrijven die reeds het voorwerp waren van een in kracht van gewijsde getreden beslissing en andere feiten die bij hem aanhangig zijn en aan die beslissing voorafgaan, samen met de eerste misdrijven al dan niet de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van hetzelfde misdadig opzet. Het Hof gaat wel na of de rechter zijn desbetreffende beslissing wettig heeft kunnen afleiden uit de feiten die hij heeft vastgesteld.
- Het arrest (p. 102-104) oordeelt dat: - de eiser I met de in deze zaak lastens hem bewezen misdrijven blijk heeft gegeven van zijn hernieuwde wil om op oneerlijke en onbetrouwbare wijze te handelen in het openbaar en zakelijk leven. Hij handelde uit puur geldgewin; - de eiser I voortdurend hervalt in misdadig handelen en hij van dit soort misdrijven als het ware zijn broodwinning maakt, waarbij vroegere veroordelingen, tegen hem gevoerde onderzoeken en verhoren door de politie hem niet afschrikken of beletten telkens opnieuw dergelijke misdrijven te plegen, wat zijn hernieuwd opzet aantoont; - het achtereenvolgens hervallen in het plegen van gelijkaardige misdrijven niet noodzakelijk inhoudt dat al deze misdrijven met eenzelfde misdadig opzet werden gepleegd, ook al vallen zij in hetzelfde tijdvak en is de modus operandi gelijkaardig; - de eiser I in de thans beoordeelde zaak de misdadige wil heeft gehad om nieuwe misdrijven te plegen in andere omstandigheden en op andere tijdstippen en plaatsen dan de misdrijven beoordeeld in het arrest van 24 september
- Op grond van deze redenen en de erin vermelde feiten kan het arrest wel degelijk wettig besluiten tot de afwezigheid van het hier bedoelde opzet bij de eiser I. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel zoals vervat in artikel 7.1 EVRM, artikel 15 IVBPR, artikel 14 Grondwet en artikel 2, eerste lid, Strafwetboek: het arrest stelt aan het Grondwettelijk Hof niet de door de eiser I voorgestelde prejudiciële vraag over de discriminatie tussen de strafvermindering bij het vaststellen van de overschrijding van de redelijke termijn en de strafvermindering ingevolge het aannemen van verzachtende omstandigheden; het oordeelt ten onrechte dat de beide rechtstoestanden niet vergelijkbaar zijn; de strafvermindering ingevolge het aannemen van verzachtende omstandigheden is objectief en controleerbaar, terwijl deze op grond van artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering subjectief en oncontroleerbaar is. In ondergeschikte orde wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schendt artikel 21ter V.T.Sv. de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet en het legaliteitsbeginsel (zoals vervat in artikel 7.1 van het EVRM, artikel 15 van het BUPO, artikel 14 van de Gecoördineerde Grondwet en artikel 2, eerste lid van het Strafwetboek) in zoverre deze bepaling niet aangeeft welk gevolg een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6.1 EVRM heeft voor de strafmaat, terwijl de artikelen 79 tot en met 85 van het Strafwetboek zeer precies aangeven welk gevolg de aanname van verzachtende omstandigheden heeft voor de strafmaat?"
- Verzachtende omstandigheden zijn omstandigheden eigen aan het misdrijf of aan de persoonlijkheid van de dader, waarvan het aannemen de rechter verplicht tot de strafvermindering bepaald in de artikelen 79 tot 85 Strafwetboek. Artikel 6.1 EVRM verplicht de rechter die vaststelt dat de redelijke termijn voor de strafvervolging is overschreden, daarvoor een passend herstel te verlenen. Artikel 21ter, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, kan de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring uitspreken of een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf." Aldus bevat die bepaling een mogelijkheid tot herstel als bedoeld in artikel 6.1 EVRM.
- Hieruit volgt dat de rechtsfiguren van de verzachtende omstandigheden en de redelijke termijn van de strafvervolging onderscheiden rechtstoestanden regelen zodat die rechtsfiguren en de rechtsgevolgen ervan onderling niet te vergelijken zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Eensdeels moet de rechter die artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering toepast, de aan de beklaagde op te leggen straf verminderen, eventueel zelfs onder de wettelijke minimumstraf, met als ondergrens de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring. Bovendien moet de rechter, indien hij overeenkomstig dat artikel nog een straf uitspreekt, ze op een reële en duidelijke wijze verminderen ten aanzien van de straf die hij zou hebben opgelegd indien hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld. Anderdeels dient de rechter bij het bepalen van de omvang van het herstel ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn weliswaar rekening te houden met de ernst van die overschrijding en het hierdoor aan de dader veroorzaakte nadeel, maar kan hij daarbij ook andere elementen verrekenen zoals de aard, de ernst en de hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de dader. Het staat aan de rechter om dit alles in zijn beoordeling te betrekken.
- Hieruit volgt dat de in artikel 21ter bepaalde strafvermindering niet subjectief of oncontroleerbaar is, maar voorziet in welbepaalde minimum- en maximumsancties waartussen de rechter een keuze dient te maken op grond van de feiten die hij onaantastbaar vaststelt. Aldus miskent artikel 21ter klaarblijkelijk niet het legaliteitsbeginsel. In zoverre faalt het middel eveneens naar recht.
- Het arrest dat in vermelde zin oordeelt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Er is geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag. Derde middel van de eiser I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 26, § 2, Wet Grondwettelijk Hof: het arrest weigert de in het tweede middel vermelde prejudiciële vraag te stellen omdat artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering het gelijkheidsbeginsel klaarblijkelijk niet miskent; in tegenstelling tot de artikelen 79 tot 85 Strafwetboek bepaalt artikel 21ter echter geen enkele objectieve en meetbare wijze om de strafmaat te bepalen; het is immers de rechter zelf die bepaalt welke straf hij zonder overschrijding van de redelijke termijn zou opleggen en de maximumstraf blijft deze die in de strafwet is bepaald.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het tweede middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 26, § 2, Wet Grondwettelijk Hof: het arrest weigert de vermelde prejudiciële vraag te stellen omdat die vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen in de zaak; het past echter zelf een strafvermindering toe wegens de overschrijding van de redelijke termijn die het ten aanzien van de eiser I vaststelt, zodat de vraag wel degelijk van belang is.
- De zelfstandige reden vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel draagt de beslissing om de prejudiciële vraag niet te stellen. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel van de eisers II en III
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en de artikelen 190, derde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest gaat niet in op de verzoeken van de eisers II en III om hen ter rechtszitting met verschillende getuigen te confronteren; zo ontneemt het hen de mogelijkheid om actief verklaringen te contesteren die mede de doorslag gaven voor hun schuldigverklaring; het arrest maakt geen gebruik van de criteria ontwikkeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- Overeenkomstig artikel 190, derde lid, Wetboek van Strafvordering worden ter rechtszitting de getuigen voor en tegen gehoord, indien daartoe grond bestaat. Die bepaling houdt voor de vonnisrechter geen verplichting in om getuigen ter rechtszitting te horen, maar laat dat enkel over aan zijn onaantastbare beoordeling. In zoverre het middel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- De beklaagde die ter rechtszitting met bepaalde personen wil worden geconfronteerd, moet dat duidelijk, precies en ondubbelzinnig aan de rechter vragen. De aanvoering van de beklaagde dat hij tijdens het strafrechtelijk vooronderzoek of voor de eerste rechter ten onrechte niet is geconfronteerd met bepaalde personen, impliceert als dusdanig nog geen vraag aan of verplichting voor de appelrechters om zelf die confrontaties te organiseren. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
- Met het in het middel vermelde verweer hebben de eisers II en III in hun appelconclusies het gerechtelijk onderzoek bekritiseerd omdat dit eenzijdig à charge is gevoerd en geen confrontaties bevat van henzelf met een aantal personen, in het bijzonder omdat de onderzoeksrechter in strijd met hun recht van verdediging heeft geweigerd die confrontaties als bijkomende onderzoeksdaad te bevelen. Dat verweer vermeldt ook dat het beroepen vonnis om onbegrijpelijke redenen heeft geoordeeld dat confrontaties niet nodig waren voor de waarheidsvinding. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt echter niet dat de eisers II en III aan de appelrechters hebben gevraagd om ter rechtszitting met welbepaalde personen te worden geconfronteerd. De enkele vermelding in de appelconclusie van de eiser II "Het is nu voor [de eiser II] om op basis van de rechtspraak van het EHRM (...) nog zinvol getuigen op te roepen" volstaat daartoe niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- In antwoord op voormeld verweer van de eisers II en III stelt het arrest (p. 79-80) vast dat de eiser II in beide aanleggen aanvoert dat het gerechtelijk onderzoek nietig is en enkel à charge werd gevoerd omdat zijn recht op een eerlijk proces en het algemeen rechtsbeginsel van de wapengelijkheid zouden zijn miskend door het systematisch weigeren van confrontaties nodig voor de waarheidsvinding. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het daarover als volgt: - uit het vrij uitgebreide gerechtelijk onderzoek blijkt dat telkens alle mogelijke betrokkenen werden verhoord, ook zij die met de eiser II hadden samengewerkt (de eisers I en III, D.S. en M.D.). De eiser II heeft daarbij steeds de mogelijkheid gehad zelf stukken naar voor te brengen, wat hij ook heeft gedaan. De eiser II geeft niet aan welke meerwaarde confrontaties hierbij zouden hebben gehad, anders dan de andere partijen te confronteren met hetgeen contractueel op papier werd gezet, hetgeen evenwel al gebeurde in het kader van diverse verhoren van die tegenpartijen door de federale gerechtelijke politie; - de eiser II geeft zelf aan dat K.D. weigerde te worden geconfronteerd. De onderzoeksrechter heeft in dat geval ook geen bevoegdheid om die persoon daartoe te dwingen. Andere personen stonden nog steeds in een contractuele relatie met de eiser II. De burgerlijke partijen en de benadeelden wezen ook telkens erop hoe zij naar hun mening door de eisers I en II werden gemanipuleerd om een bepaalde overeenkomst te tekenen, zodat het begrijpelijk is dat zij niet zeer happig waren om met de eiser II te worden geconfronteerd; - de eiser II heeft de mogelijkheid gehad om ter zake een verzoek tot het uitvoeren van bijkomend onderzoek in te dienen, wat hij ook heeft gedaan op 11 juni
- Dit verzoek werd door de onderzoeksrechter gemotiveerd geweigerd op bepaalde punten bij beschikking van 2 juli
- In de mate waarin het verzoek werd geweigerd, werd dit bevestigd door de kamer van inbe¬schuldigingstelling. Aldus heeft de wet een correcte toepassing gekend, met name dat de inverdenkinggestelde een onderzoeksdaad kon vragen, maar dat de onderzoeksrechter, die nog steeds de leiding heeft over het onderzoek, dit op gemotiveerde wijze kan weigeren. Daarbij dient te worden opgemerkt, wat de eiser II verzwijgt, dat zijn verzoek op heel veel punten wel werd toegekend en dat diverse onderzoeksdaden door de onderzoeksrechter op zijn vraag wel werden bevolen. Het is precies omdat deze onderzoeksdaden werden bevolen dat de confrontaties verder als zinloos werden aanzien; - de motieven aangehaald door de onderzoeksrechter kunnen bij deze worden overgenomen. Het recht van verdediging is daardoor niet miskend nu de eiser II al zijn opmerkingen heeft kunnen kenbaar maken in het kader van zijn verhoor, zowel als ter rechtszitting, waar hij nog steeds de burgerlijke partijen kon confronteren met de door hen getekende stukken. Aldus verwerpt het arrest in antwoord op eisers' bedoelde verweer de aanvoering dat het gerechtelijk onderzoek onregelmatig is en vermeldt het de concrete redenen waarom geen confrontaties meer vereist zijn. Die beslissing is naar recht verantwoord, zonder dat het arrest nog verder diende in te gaan op het niet nader gepreciseerde verweer van de eiser II dat het nog zinvol was getuigen op te roepen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: eensdeels oordeelt het arrest dat de redelijke termijn van de strafvervolging ten aanzien van de eiser II is overschreden, maar dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de eiser II niet zijn aangetast door het tijdsverloop tussen de feiten en de behandeling voor de rechter, zodat de strafvordering niet onontvankelijk is; anderdeels stelt het arrest vast dat de eiser II M.D. als getuige had willen oproepen of had willen confronteren met zijn relaas, wat nu niet meer kan omdat M.D. is overleden; door het overlijden van M.D. is wel degelijk bewijsmateriaal verloren gegaan, zodat de eiser voor de appelrechters niet meer ten volle zijn recht van verdediging heeft kunnen uitoefenen; bijgevolg kan het arrest uit zijn vaststellingen niet wettig afleiden dat de strafvordering niet onontvankelijk is; het arrest vermeldt ook geen enkel element waardoor het teloorgaan van bewijsmateriaal afdoende wordt gecompenseerd.
- Het gegeven dat in de periode tussen de vervolgde feiten en de rechtszitting een persoon overlijdt waarmee een beklaagde ter rechtszitting had willen worden geconfronteerd, houdt niet noodzakelijk verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
- Evenmin impliceert dat gegeven steeds dat het recht op een eerlijk proces is miskend of dat de bewijsvoering en het recht van verdediging van de beklaagde zijn aangetast door het tijdsverloop tussen de feiten en de behandeling van de zaak. Het is wel een feitelijk gegeven waarmee de rechter bij het vormen van zijn overtuiging ook rekening moet houden en dat hij moet afwegen tegenover de andere hem voorgelegde gegevens zoals de verklaringen van slachtoffers of medebeklaagden, de uitleg van de beklaagde zelf en de objectieve en materiële gegevens eigen aan de zaak.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest, dat zelf geen verband legt tussen het overlijden van M.D. en de rechtsgevolgen van de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, leidt uit de redenen vermeld in het antwoord op het tweede middel van de eiser II af dat de onmogelijkheid voor de eiser II om nog een confrontatie met M.D. aan te gaan niet de onontvankelijkheid van de strafvordering met zich meebrengt. Het (p. 83) oordeelt verder dat het dossier alle elementen bevat die in het kader van een eerlijke procesvoering nodig zijn om tot de waarheidsvinding te komen. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat het overlijden van M.D. geen impact heeft op de bewijsvoering, op het recht van verdediging of op het recht op een eerlijk proces van de eiser II en op de gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn omdat een verdere confrontatie met M.D. hoe dan ook niet vereist was voor de waarheidsvinding. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord zonder dat het arrest verder compenserende maatregelen moest vermelden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eisers II en III Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 15 Grondwet en artikel 89bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het huiszoekingsbevel van 5 mei 2011 regelmatig is; dat bevel vermeldt als voorwerp van de huiszoeking enkel: "Als dader mededader, Te ... en (met samenhang) elders in het Rijk op nog nader te bepalen data in de periode van 1/7/2020 tot heden A. Valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken B. Oplichting C. Misbruik van vertrouwen"; zowel uit de bewoordingen van dat bevel als de uitvoering ervan blijkt dat het niet voldoende is afgelijnd; bijgevolg waren de inmenging in het privéleven en de onschendbaarheid van de woning potentieel ongelimiteerd en derhalve disproportioneel, was het bevel onvoldoende precies om de officier van gerechtelijke politie in staat te stellen de grenzen ervan te kennen en liet het geen controle toe op de eerbiediging van de grenzen ervan.
- Een bevel tot huiszoeking moet met redenen zijn omkleed. Aan dat vereiste is voldaan door de vermelding van het misdrijf dat men op het oog heeft, alsook van de plaats en het voorwerp van de huiszoeking. Het is niet noodzakelijk om in het huiszoekingsbevel een gedetailleerde weergave van de feiten op te geven, noch om de op te sporen zaken in detail te beschrijven.
- Het is wel noodzakelijk dat de officier van gerechtelijke politie die met de onderzoeksopdracht is belast, over de nodige gegevens beschikt die hem moeten toelaten te weten over welk misdrijf het onderzoek wordt gevoerd en welke nuttige opsporingen en inbeslagnemingen hij daartoe kan verrichten zonder de grenzen van het gerechtelijk onderzoek en van zijn opdracht te buiten te gaan.
- Die vermeldingen moeten ook diegene bij wie de huiszoeking wordt uitgevoerd voldoende informatie aanreiken over de telastleggingen die aan de oorsprong van de actie liggen, zodat hij de wettigheid ervan kan nagaan. Hij moet in staat zijn om elk misbruik bij het uitvoeren van de huiszoeking vast te stellen, te voorkomen of te onthullen.
- Met redenen die het arrest (p. 80) overneemt, vermeldt het beroepen vonnis de vereisten voor de regelmatigheid van een huiszoekingsbevel en oordeelt het dat: "Uit het door [de eiser II] aangegeven huiszoekingsmandaat blijkt dat deze een omschrijving bevat van het misdrijf voorwerp van het onderzoek, met verwijzing naar plaats en tijd en een algemene, doch voldoende omschrijving van de in beslag te nemen stukken. De vermeldingen op het betwiste huiszoekingsmandaat voldoen aan de wettelijke vereisten en meer in het bijzonder deze van artikel 8 EVRM." Aldus oordeelt het arrest dat de redenen van het huiszoekingsbevel voldoen aan de vermelde vereisten en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige vereist het onderdeel een kennisname van de inhoud van dossierstukken, die niet is opgenomen in het arrest zelf of in enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan. Aldus verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1, 6.3 en 8 EVRM, artikel 15 Grondwet en artikel 89bis Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat het huiszoekingsbevel van 5 mei 2011 regelmatig is terwijl het, evenmin als de andere huiszoekingen die de recherche in opdracht van de onderzoeksrechter heeft uitgevoerd, noch vermeldt dat de onderzoeksrechter niet zelf tot deze ambtsverrichting kon overgaan, noch de beweegredenen vermeldt waarop de respectieve delegaties steunen.
- De verplichting voor de onderzoeksrechter om op grond van artikel 89bis, tweede lid, Wetboek van Strafvordering de redenen voor de delegatie van de uitvoering van de huiszoeking te vermelden heeft een louter vormelijk karakter. De niet-naleving daarvan wordt niet gesanctioneerd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers II en III dat de huiszoekingen en alle op basis ervan gestelde handelingen niet rechtsgeldig zijn, minstens als bewijs moeten worden uitgesloten, omdat de huiszoekingsbevelen niet vermelden dat de onderzoeksrechter de huiszoeking niet zelf kon uitvoeren en evenmin de redenen van de delegatie vermelden.
- Het arrest (p. 78-80) doet opgave van het verweer van de eiser II dat de huiszoeking van 5 november 2011, die de eiser II illustratief vermeldt, onregelmatig is omdat zij niet is uitgevoerd door de onderzoeksrechter zelf. In antwoord daarop verwijst het naar de redenen van het beroepen vonnis, die het overneemt. Met de aldus overgenomen redenen oordeelt het dat de vermelde huiszoeking voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarmee geeft het te kennen dat de aangevoerde onregelmatigheid de wettigheid van de huiszoekingen niet in het gedrang brengt. Aldus verwerpt en beantwoordt het dat verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eisers II en III Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en de artikelen 190, derde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest gaat niet in op eisers' verzoek om de verweerder II.5 ter rechtszitting als getuige à charge te horen, hoewel hun schuldigverklaring aan de telastlegging F.10 (oplichting) in belangrijke mate is gesteund op verklaringen van die verweerder; het arrest maakt geen gebruik van de criteria ontwikkeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eisers II en III, is het om dezelfde redenen te verwerpen.
- Met het in het onderdeel vermelde verweer hebben de eisers II en III in hun appelconclusie aangevoerd dat hun recht van verdediging sterk is miskend omdat de speurders het onderzoek enkel à charge hebben gevoerd, zij onvoldoende onderzoek hebben gevoerd naar de feitelijke gegevens die deze eisers tot staving van hun onschuld hebben aangevoerd en zij deze eisers niet hebben geconfronteerd met de verweerder II.5, hoewel dat meer dan nodig was om de waarheid te achterhalen. Daarmee hebben de eisers II en III de appelrechters niet verzocht de verweerder II.5 als getuige à charge ter rechtszitting te horen. Het enkele feit dat het arrest oordeelt dat een confrontatie van de verweerder II.5 met de beklaagden niet nuttig en nodig is voor de waarheidsvinding, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 17 Gerechtelijk Wetboek: het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders II.5 en II.6 ontvankelijk, terwijl de eisers II en III hebben aangevoerd dat die vorderingen niet ontvankelijk waren bij gebrek aan belang en hoedanigheid omdat de gelden, voorwerp van de oplichting, niet toebehoorden aan die verweerders, maar wel aan Mielo nv; evenmin beantwoordt het arrest dat verweer.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest (p. 94-96) dat de eisers II en III zich met de feiten van de telastlegging F.10 de dagopbrengsten voortkomend uit de exploitatie van de verweerster II.6 hebben toegeëigend ten nadele van de verweerders II.5 en II.6 door het gebruik van een listige kunstgreep, bestaande in het afsluiten van een huurovereenkomst tussen Mielo nv en de verweerster II.6, op grond waarvan Mielo nv de horecazaak van de verweerster II.6 zou exploiteren, wat nooit is gebeurd en ook niet de bedoeling was. Het arrest oordeelt eveneens dat de eiser II ook hier blijft schermen met een amalgaam van burgerrechtelijke, vennootschapsrechtelijke en strafrechtelijke argumenten die in het licht van het bewezen bedrieglijk handelen elke relevantie missen. Aldus oordeelt het arrest dat niet Mielo nv, maar wel de verweerders II.5 en II.6 schade hebben geleden door de feiten van de telastlegging F.
- Dit houdt in dat deze laatste wel degelijk beschikken over de nodige hoedanigheid en het nodige belang voor de ontvankelijkheid van hun vorderingen. Aldus beantwoordt het arrest eisers' verweer en is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd waar het, enerzijds, de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders II.1 en II.2 tegen de eisers I en II ongegrond verklaart in zoverre gesteund op de telastleggingen F.9 en F.11 en, anderzijds, de eiser II op grond van de telastlegging F.11 hoofdelijk met de eiser I veroordeelt tot schadevergoeding aan de burgerlijke partijen.
- Op strafgebied oordeelt het arrest (p. 93-94, 96, 100-104 en 112-113) dat de eisers I en II schuldig zijn aan de telastleggingen F.9 en F.11 en veroordeelt het elk van hen voor die telastleggingen, vermengd met andere, tot straf.
- Op burgerlijk gebied oordeelt het arrest (p. 109-110) dat de telastlegging F.11 bewezen is lastens de eisers I en II, oordeelt het dat de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders II.1 en II.2 niet kunnen steunen op de telastlegging F.9 die werd gepleegd ten nadele van andere slachtoffers en beperkt het de gegrondheid van de vorderingen van de verweerders II.1 en II.2 ten aanzien van de eisers I en II voor de telastlegging F.11 tot tweemaal 50.000,00 euro aan materiële schade en tweemaal 1.500,00 euro aan morele schade, telkens in hoofdsom. In het dictum veroordeelt het arrest (p. 115-116) de eisers I en II op grond van de telastlegging F.11 hoofdelijk tot betaling aan de verweerders II.1 en II.2 van tweemaal 50.000,00 euro aan materiële schade en tweemaal 1.500,00 euro aan morele schade, te vermeerderen met de interesten en de kosten. Die veroordeling is evenwel voorafgegaan door de zin: "verklaart de vordering van [de verweerders II.1 en II.2] gericht tegen [de eisers I en II] ongegrond voor zover gesteund op de telastleggingen F9 en F11."
- Hieruit volgt dat de aangehaalde zin berust op een kennelijke verschrijving en zo moet worden gelezen dat het woord "ongegrond" enkel slaat op de telastlegging F.9 en niet op de telastlegging F.
- Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: noch met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis noch met zijn eigen redenen beantwoordt het arrest eisers verweer dat de constitutieve bestanddelen van de telastlegging F.11 niet verenigd zijn; aldus is het arrest niet wettig gemotiveerd; het arrest leidt de schuld van de eiser II bovendien af uit de wijze waarop hij zich verdedigt; minstens kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefenen; het eenvoudig tegenspreken van een verweer zonder acht te slaan op de motieven waarop het steunt, volstaat niet.
- Met de redenen die het arrest overneemt van het beroepen vonnis oordeelt het dat de eiser II zich bedrieglijk een bedrag van 100.000,00 euro heeft toegeëigend ten nadele van de verweerders II.1 en II.2 door hen voor die prijs aandelen van Florian gcv te verkopen die waardeloos waren omdat de vennootschap een klein negatief vermogen had, maar vooral omdat de eiser II, als schoolvoorbeeld van zijn gebruikelijke handelwijze, het meubilair stiekem had vervangen door oud meubilair, hij inmiddels leveranciersschulden had aangegaan, hij de dagontvangsten had geplunderd in het kader van de exploitatie die hij na de verkoop van de aandelen nog heeft verdergezet en hij de zetel van de vennootschap had verplaatst zodat de overnemers onwetend werden gehouden van de werkelijke toestand. Met eigen redenen voegt het arrest daaraan toe: "De stellige bevestiging van [de eiser II] dat alles conform de overeenkomst is gebeurd, brengt niet mee dat er geen sprake is van oplichting. Treffend is het verweer dat "de klagers in deze zaak niets hebben nagezien" - waarmee [de eiser II] onder meer wijst op hun onderzoeksplicht naar het schuldenvrij zijn van de vennootschap, wat niet zo was - "en (zij thans) komen klagen", wat precies het essentieel misleidend karakter van de handelswijze van de beklaagden illustreert."
- Die laatste reden moet worden samen gelezen met de reden dat de eiser II blijft schermen met een amalgaam van burgerrechtelijke, vennootschapsrechtelijke en strafrechtelijke argumenten die in het licht van het bewezen bedrieglijk handelen elke relevantie missen. Aldus oordeelt het arrest dat de eiser II zich niet kan verschuilen achter de opgezette burgerrechtelijke constructies die juist de modus operandi van de oplichting uitmaken en verwerpt het zijn op het verbintenisrecht gesteunde verweer dat de verweerders II.1 en II.2 zelf in gebreke zijn gebleven het nodige onderzoek te doen vóór het sluiten van de overeenkomst. Daarmee hecht het arrest geen negatieve gevolgen aan de wijze waarop de eiser II zich verdedigt, maar geeft het enkel toelichting bij de door hem aangewende listige kunstgrepen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het wanbedrijf oplichting vereist bij de dader het oogmerk om zich bedrieglijk andermans zaak toe te eigenen en de aanwending van bedrieglijke middelen hiertoe, gevolgd door een afgifte of een levering van de zaak. De rechter, die schuldig verklaart aan oplichting in de bewoordingen van de strafwet, moet die constitutieve bestanddelen uitdrukkelijk in zijn beoordeling betrekken in zoverre zij worden betwist. De gebruikte bewoordingen spelen daarbij geen rol.
- Met de voormelde redenen, samen gelezen met de feiten vermeld in de telastlegging F.11, oordeelt het arrest dat de door de eiser II betwiste constitutieve bestanddelen van de telastlegging F.11 wel degelijk verenigd zijn en verklaart het hem op grond daarvan schuldig aan die telastlegging. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer zonder te moeten antwoorden op alle tot staving daarvan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken, kan het Hof zijn wettigheidstoezicht uitoefenen en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Zesde middel van de eiser II Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 190, derde lid, en 211 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest veroordeelt de eiser II voor de telastlegging I.1 (poging oplichting) zonder te antwoorden op zijn verzoek om de verweerders II.3 en II.4 en een "illustere onbekende" ter rechtszitting te horen als getuigen à charge; aldus ontneemt het de eiser II de mogelijkheid om de verklaringen die mede de doorslag gaven voor zijn schuldigverklaring actief te contesteren; het arrest maakt geen gebruik van de criteria ontwikkeld in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
- In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het tweede middel van de eiser II, is het om dezelfde redenen te verwerpen.
- Met het in het onderdeel vermelde verweer heeft de eiser II niet gevraagd om de verweerders II.3 en II.4 en een "illustere onbekende" ter rechtszitting als getuigen à charge te horen, maar heeft hij zich enkel erover beklaagd dat hij niet met die personen is geconfronteerd tijdens het gerechtelijk onderzoek, terwijl daaruit zijn onschuld zou zijn gebleken. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: noch met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis noch met zijn eigen redenen beantwoordt het arrest eisers verweer dat de constitutieve bestanddelen van de telastlegging I.1 niet verenigd zijn; minstens kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefenen; het eenvoudig tegenspreken van een verweer zonder acht te slaan op de motieven waarop het steunt, volstaat niet.
- Onder de telastlegging I.1 is de eiser II vervolgd wegens poging oplichting, onder meer omdat hij in een compromis tot overdracht van de woning van de verweerders II.3 en II.4 een aantal ongebruikelijke en misleidende clausules heeft laten opnemen, zoals: - een clausule waarbij, nadat de grondoppervlakte is ingevuld, wordt gesteld dat de verkopers de grondoppervlakte "garanderen" en dat, indien deze kleiner blijkt te zijn, dit een evenredige aanpassing in de prijs met zich zal meebrengen, waarbij de eiser II daadwerkelijk een te grote oppervlakte invult; - een clausule volgens dewelke de woning in perfecte staat is en voldoet aan alle normen, terwijl de eiser II perfect weet dat dit niet het geval is; - een clausule volgens dewelke alle kosten met inbegrip van de registratierechten worden begrepen in de koopsom. Die telastlegging vermeldt eveneens dat de verkopers nauwelijks de tijd kregen om het compromis te lezen en de eiser II nadien niet tot aanpassing bereid was.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest dat: - de eiser de clausules met betrekking tot de grondoppervlakte en de staat van de woning in het compromis heeft laten opnemen met de klaarblijkelijke bedoeling achteraf op de prijs te kunnen afdingen; - deze telastlegging in hoofde van de eiser II kadert in de reeds beschreven modus operandi waarbij de eiser II geen reële transacties voor ogen heeft, maar van bij het begin een onrechtmatig voordeel beoogt; - het geheel van de handelingen beschreven in de telastleggingen I.1 en I.2 op het bedrieglijk opzet van de betrokken beklaagden wijst en de listige kunstgrepen vormt waarmee zij poogden de oplichting te realiseren; - dit niet wordt weerlegd door de eiser II, die in zijn syntheseconclusie opnieuw een amalgaam maakt van burgerrechtelijke en strafrechtelijke argumenten, die geenszins het fundamenteel bedrieglijk handelen ontkrachten; - het opnemen van een oppervlakte in de overeenkomst om nadien de prijs te kunnen doen zakken terwijl de verkopers deze oppervlakte niet kenden en het opnemen van de clausule ‘vrij op naam (zonder kosten van de koper)' mede elementen van misleiding zijn die werden aangewend; - het dan ook niet louter achterhouden van informatie, maar bewust bedrieglijk handelen betreft.
- Met het geheel van die feiten en redenen oordeelt het arrest dat de door de eiser II betwiste constitutieve bestanddelen van de telastlegging I.1 wel degelijk verenigd zijn en verklaart het hem op grond daarvan schuldig aan die telastlegging. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer zonder te moeten antwoorden op alle tot staving ervan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaken, kan het Hof zijn wettigheidstoezicht uitoefenen en is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseres III
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene verplichting van de rechter om te antwoorden op de besluiten van de beklaagde of zijn raadsman: het arrest verklaart de eiseres III schuldig aan de telastleggingen E.1, E.3, F.6, F.8, F.10, F.12, F.13, F.14, F.15, F.16, F.17 en H.2 zonder haar verweer over het materieel en moreel bestanddeel van die telastleggingen te beantwoorden aan de hand van de constitutieve bestanddelen van de desbetreffende misdrijven.
- Het middel dat enkel opgave doet van de algemene strekking van de middelen van de eiseres III, preciseert niet welk verweer het arrest niet beantwoordt. Het middel is onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen I en II, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissingen over de onmiddellijke aanhouding van de eisers I en II, de cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 131,52 euro, waarvan elke eiser 43,84 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 9 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971118.3 ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000322.10 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div