id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.7 Rolnummer: P.20.1166.N Zaak: M. contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-12 Raadplegingen: 658 - laatst gezien 2026-06-18 09:45 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bij artikel 417bis, 2°, Strafwetboek strafbaar gestelde gedraging is het toebrengen van ernstig geestelijk of lichamelijk leed, dat enkel een algemeen opzet vereist; noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan kan worden afgeleid dat een bijzonder opzet is vereist. Thesaurus CAS: FOLTERING. ONMENSELIJKE BEHANDELING Vrije woorden: Onmenselijke behandeling - Moreel bestanddeel - Algemeen opzet - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 417bis, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Vrije woorden: Onmenselijke behandeling - Moreel bestanddeel - Algemeen opzet - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 417bis, 2° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1166.N M. M. M., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Laurent Van De Keere, advocaat bij de balie Gent, tegen
- Valérie BECKERS, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Medialaan 28 b, voogd ad hoc van de minderjarigen M. M. M. en X. M. M., burgerlijke partij,
- S. K., burgerlijke partij,
- D. V., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 3 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser doet afstand van zijn cassatieberoep zonder berusting in zoverre het arrest op de burgerlijke rechtsvordering van de verweersters geen eindbeslissing is. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep werd betekend aan de verweersters, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het gericht is tegen de beslissingen op de burgerlijke rechtsvorderingen die uitspraak doen over het beginsel van de aansprakelijkheid, is het niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 417bis, 2°, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het misdrijf onmenselijke behandeling geen bijzonder opzet vereist en het verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen A, B, C en D zonder het bijzonder opzet bewezen te achten; het opzet vereist voor een onmenselijke behandeling heeft niet enkel betrekking op de wil om de daad te stellen die ernstig lichamelijk of geestelijke leed als gevolg heeft, maar ook de wil om ernstig lichamelijk of geestelijk leed te veroorzaken.
- Artikel 417bis, 2°, Strafwetboek bepaalt: "onmenselijke behandeling: elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht, onder meer om van hem inlichtingen te verkrijgen of bekentenissen af te dwingen of om hem te straffen, of om druk op hem of op derden uit te oefenen, of hem of derden te intimideren."
- De bij deze bepaling strafbaar gestelde gedraging is het toebrengen van ernstig geestelijk of lichamelijk leed, dat enkel een algemeen opzet vereist. Noch uit de tekst van deze wetsbepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan kan worden afgeleid dat een bijzonder opzet is vereist. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiser voor het misdrijf onmenselijke behandeling zoals omschreven in de telastlegging D en dit voor een periode van 16 mei 2004 tot en met 9 januari 2008; het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie gevoerde verweer over de einddatum van de incriminatieperiode.
- Het arrest veroordeelt de eiser wegens de telastleggingen A (zoals verbeterd), B.1 (zoals verbeterd), B.2 (zoals verbeterd), C (zoals verbeterd) en D (zoals verbeterd en zonder de verzwarende omstandigheid), E (zoals verbeterd), F (zoals verbeterd) en G, in een toestand van wettelijke herhaling, tot een hoofdgevangenisstraf van achttien jaar, de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank voor een periode van tien jaar en de ontzetting uit de rechten bedoeld in artikel 31 Strafwetboek voor een termijn van twintig jaar. Deze straffen zijn wettelijk verantwoord ingevolge de bewezen verklaarde feiten van de telastleggingen A (zoals verbeterd), C (zoals verbeterd), E (zoals verbeterd), F (zoals verbeterd) en G (zoals verbeterd). Uit de motivering van de straftoemeting blijkt niet dat deze straffen in het bijzonder werden beïnvloed door de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten van de telastlegging D (zoals verbeterd en zonder de verzwarende omstandigheid). Het middel dat uitsluitend betrekking heeft op de feiten van de telastlegging D (zoals verbeterd en zonder de verzwarende omstandigheid) kan niet tot cassatie leiden. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen A, E en F zonder uitdrukkelijk te motiveren waarom geen rekening kan wordt gehouden met eisers verweer gegrond op zijn ontkennende verklaringen en de resultaten à décharge van de polygraaftesten die van de eiser werden afgenomen.
- Met het geheel van redenen die het arrest (p. 11-26 en p. 31-33) vermeldt en op grond waarvan het beslist tot eisers schuldigverklaring aan de feiten van de telastleggingen A, E en F, geeft het te kennen dat eisers ontkennende verklaringen en de resultaten van de polygraaftesten niet geloofwaardig zijn en niet opwegen tegen de vermelde bewijzen van zijn schuld. Het middel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet eisers verweer over de begin- en einddatum van de incriminatieperiode van de feiten van de telastlegging B.1 (eerste onderdeel); het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd doordat het de begindatum voor deze incriminatieperiode zowel op 2 november 2002 als op 1 april 2004 bepaalt (tweede onderdeel).
- Het arrest (p. 15) oordeelt met opgave van redenen dat wat betreft de feiten van de telastlegging B.1 de begindatum moet worden verbeterd in 1 april 2004 en de einddatum in 23 maart
- Het herneemt die beslissing in het dictum van het arrest (p. 39). De vermelding van 2 november 2002 als aanvangsdatum voor de feiten van de telastlegging B.1 bij de opsomming van de diverse tijdsperiodes (arrest, p. 17) betreft een materiële verschrijving en die datum moet worden gelezen als 1 april
- Daaruit volgt dat het arrest wel degelijk eisers verweer over de incriminatieperiode beantwoordt en dat het arrest niet tegenstrijdig is gemotiveerd. Het middel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de feiten van de telastlegging G, zonder uitdrukkelijk te motiveren waarom geen rekening kan worden gehouden met eisers verweer; met het motief dat er geen enkel reden is om aan de oprechtheid van de verklaring van E.W. te twijfelen, biedt het geen afdoende antwoord op het in de appelconclusie ontwikkelde verweer waarbij wordt verwezen naar een schriftelijke verklaring van E.W. waarin zij verklaart dat de eiser haar nooit heeft geslagen en zich nooit agressief heeft opgesteld en dat geen enkel materieel bewijs voorligt van de vermeende slagen en verwondingen.
- Met het oordeel dat E.W. de eiser als ziekelijk jaloers, controlerend en enorm dominant beschrijft en zij verklaart te leven als in een bunker, dat uit haar verklaring hetzelfde patroon blijkt als bij S.K., D.B. en S.D, dat de eiser eerst vriendelijk en aangenaam is, nadien tiranniek wordt en de partner fysiek en moreel geweld ondergaat, beantwoordt het arrest het bedoelde verweer. Het middel mist feitelijke grondslag. Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag
- De eiser verzoekt aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending van de artikelen 12 en 14 Grondwet door de strafbare gedraging zoals bepaald door artikel 417bis, 2°, Strafwetboek op onnauwkeurige, vage en onvoldoende rechtszekerheid biedende wijze te omschrijven, met name door het gebruik van de bewoordingen "elke behandeling waardoor een persoon opzettelijk ernstig geestelijk of lichamelijk leed wordt toegebracht".
- De prejudiciële vraag die niet is gestoeld op een tegen het arrest aangevoerde grief, moet niet worden gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en bevat geen onwettigheid die de eiser kan grieven. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand zoals vermeld. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 196,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 9 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div