← België

Q.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Internering - Vrijheidsberoving - Beoordeling door de kamer voor de bescherming van de maatschappij - Advies van de psychiater - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Vrijheidsberoving - Beoordeling - Advies van de psychiater - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Vrijheidsberoving - Beoordeling door de kamer voor de bescherming van de maatschappij - Advies van de psychiater - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.4 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 6 De omstandigheid dat de interneringsbeslissingen op grond waarvan een geïnterneerde van zijn vrijheid is beroofd, zijn gegrond op misdrijven waarvoor krachtens artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet geen internering meer kan worden bevolen, belet niet dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij de gevaarlijkheid van de betrokkene toetst aan het risico op het plegen van misdrijven als bedoeld door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet

(1).
(1)H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN EN E. SCHIPAANBOORD, “Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?” Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, “De nieuwe interneringswetgeving”, in P. TRAEST, A. VERHAGE EN G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Vrijheidsberoving - Misdrijven waarvoor geen internering meer kan worden bevolen - Artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet - Beoordeling door de kamer voor de bescherming van de maatschappij - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, 1° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Vrijheidsberoving - Misdrijven waarvoor geen internering meer kan worden bevolen - Artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet - Beoordeling door de kamer voor de bescherming van de maatschappij - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 9, § 1, 1° - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0285.N F. Q., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Ellen De Raedt, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 18 februari 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 77/9, § 6, eerste en tweede lid, Interneringswet, alsmede miskenning van het recht van verdediging: de kamer heeft ten onrechte de eiser niet gehoord op de rechtszitting van 10 februari 2021; op voorhand was een e-mail verstuurd waarin werd meegedeeld dat de geïnterneerden niet zouden worden gehoord en hun raadsman hen diende te vertegenwoordigen; het horen van de geïnterneerde als kwetsbare persoon is cruciaal voor de oordeelsvorming over zijn toestand en om te vermijden dat de betrokkene langer dan noodzakelijk van zijn vrijheid wordt beroofd. 2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij heeft gevraagd om persoonlijk te worden gehoord of de wettelijke bepaling die dit onmogelijk maakt niet toe te passen wegens strijdigheid met een verdragsrechtelijke bepaling met directe werking. Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet: de kamer past deze bepaling verkeerd toe; de kamer oordeelt dat de geestesstoornis van de eiser niet voldoende is gestabiliseerd om er redelijkerwijze van te mogen uitgaan dat hij, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, in samenhang met het wegvallen van enige omkadering, niet opnieuw misdrijven zal plegen waaronder ook misdrijven als bedoeld in deze bepaling; ze doet dit op basis van het advies van een psychiater die de eiser niet heeft gezien of gesproken; bovendien heeft de eiser geen misdrijven gepleegd zoals vermeld in artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet. 4. Uit artikel 5.1.e, en 5.4 EVRM volgt dat: - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is, indien (
  1. a)uit een objectieve en medische expertise blijkt dat de betrokkene is getroffen door een reële en voortdurende mentale stoornis, (
  2. b)die stoornis van aard is dat zij de vrijheidsberoving rechtvaardigt en (
  3. c)de vrijheidsberoving niet langer duurt dan noodzakelijk is; - bij de voormelde beoordeling niet alleen strikt medische elementen een rol spelen, maar ook het gevaar dat de betrokkene vormt voor de samenleving; - indien een van zijn vrijheid beroofde geesteszieke terug gezond is, hij in beginsel in vrijheid moet worden gesteld. De vaststelling dat de betrokkene niet langer geestesziek is, impliceert evenwel niet dat die invrijheidstelling dadelijk en onvoorwaardelijk moet gebeuren, voor zover de uitgestelde invrijheidstelling in overeenstemming is met de doelstellingen van artikel 5.1.e, EVRM en die vrijlating niet onredelijk lang wordt uitgesteld. 5. Het staat aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij om: - zich bij de beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering of het verzoek tot opheffing uit te spreken over het al dan niet nog bestaan van een geestesstoornis, indien zij daartoe door de geïnterneerde wordt uitgenodigd; - indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis, te oordelen of, in het licht van het risico op het opnieuw plegen van door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven, alsook rekening houdend met de doelstellingen van artikel 5.1.e, EVRM, een plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het voormelde risico niet kan worden weggenomen door minder verdergaande uitvoeringsmaatregelen van de internering, zoals een invrijheidstelling op proef; - indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en er niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde de door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, aan de geïnterneerde een definitieve invrijheidstelling toe te kennen, zelfs al is de door artikel 42, § 1, Interneringswet bepaalde proefperiode nog niet verstreken, of te beslissen tot de opheffing van de internering. 6. Uit de voormelde verdragsbepalingen volgt niet dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij, multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege inzake internering, bij de voormelde beoordeling enkel zou mogen rekening houden met het advies van een psychiater die de betrokkene persoonlijk heeft gezien en gesproken. De kamer kan bij die beoordeling wel degelijk het forensisch deskundig advies van een aan de instelling verbonden geneesheer-psychiater in aanmerking nemen dat zich uitspreekt over de actuele aanwezigheid van een geestesstoornis bij de betrokkene en oordeelt dat die geestesstoornis zoals die werd beschreven in vroegere deskundigenverslagen nog steeds bestaat, zonder dat de geneesheer-psychiater de betrokkene persoonlijk moet hebben gezien of gesproken. 7. De omstandigheid dat de interneringsbeslissingen op grond waarvan een geïnterneerde van zijn vrijheid is beroofd, zijn gegrond op misdrijven waarvoor krachtens artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet geen internering meer kan worden bevolen, belet niet dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij de gevaarlijkheid van de betrokkene toetst aan het risico op het plegen van misdrijven als bedoeld door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet. 8. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.11 Gerelateerde publicatie(
  4. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.