← België

M. contra ABN AMRO BANK N.V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling der rechtspleging - Regelmatigheid van de procedure - Klacht met burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Klacht met burgerlijke partijstelling - Ontvankelijkheid - Controle door het onderzoeksgerecht - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek

Art. 63

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of een oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade aannemelijk is, met andere woorden of het aannemelijk is dat die schade zich ook zonder dat feit zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan; het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of met het begrip oorzakelijk verband onverenigbaar zijn

(1).
(1)Cass. 21 april 2020, AR P.19.1274.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1, AC 2020, nr.
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Aannemelijk maken van het oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regelmatigheid van de procedure - Klacht met burgerlijke partijstelling - Aannemelijk maken van het oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Onderzoeksgerechten - Klacht met burgerlijke partijstelling - Aannemelijk maken van het oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Aannemelijk maken van het oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Controle op de wettigheid van motieven door het Hof Fiches 8 - 10 Weliswaar moet de beweerde benadeelde op het moment van zijn klacht met burgerlijke-partijstelling nog niet het bewijs leveren van het oorzakelijk verband tussen zijn schade en de aangeklaagde feiten, maar moet hij dat verband slechts aannemelijk maken; daartoe volstaat evenwel niet zijn loutere bewering dat hij is benadeeld door feiten die beantwoorden aan een misdaad of een wanbedrijf en die hij aan een derde verwijt, dergelijke bewering bindt het onderzoeksgerecht niet en ontslaat het niet van de plicht om, zelfs ambtshalve, na te gaan of er tussen de aangeklaagde feiten en de beweerde schade een voldoende aannemelijk oorzakelijk verband bestaat om op grond daarvan een gerechtelijk onderzoek naar die feiten te verantwoorden. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Aannemelijk maken van het oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade - Loutere bewering van benadeling door een misdaad of wanbedrijf - Toezicht van het onderzoeksgerecht op de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regelmatigheid van de procedure - Klacht met burgerlijke partijstelling - Aannemelijk maken van het oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade - Loutere bewering van benadeling door een misdaad of wanbedrijf - Toezicht van het onderzoeksgerecht op de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling - Gevolg Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Klacht met burgerlijke partijstelling - Aannemelijk maken van het oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade - Loutere bewering van benadeling door een misdaad of wanbedrijf - Toezicht van het onderzoeksgerecht op de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.20.1120.N I K. K. M., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent, II EUROSTAR DIAMONDS INTERNATIONAL sa, met zetel te L-1724 Luxemburg (Groothertogdom Luxemburg), Boulevard Prince Henri 9B, burgerlijke partij, eiseres, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Recollettenlei 39-40, waar de eiseres woonplaats kiest, beide cassatieberoepen tegen
  2. ABN AMRO BANK nv, met zetel te 1082 PP Amsterdam (Nederland), Gustav Mahlerlaan 10, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Benjamin Gillard, advocaat bij de balie Leuven,
  3. STANDARD CHARTERED BANK, vennootschap naar het recht van Engeland en Wales, met zetel te EC2V 5DD Londen (Verenigd Koninkrijk), Basinghall Avenue 1, inverdenkinggestelde, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 13 oktober
  4. De eisers voeren elk in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. De raadsman van de eiseres heeft op 9 maart 2021 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep II
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres failliet is verklaard bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 28 maart
  6. Mr. Christiaan Hendrickx en mr. Nick Peeters werden aangesteld als curatoren. Het arrest is uitgesproken ten aanzien van die curatoren, optredend voor de eiseres.
  7. De eiseres heeft haar cassatieberoep ingesteld "handelend voor haar bestuurders [de eiser] en de heer K. K. M.", dit wil zeggen namens de bestuurders.
  8. De eiseres heeft geen hoedanigheid om cassatieberoep in te stellen namens haar bestuurders, ook niet met betrekking tot een beslissing over morele schade. Het cassatieberoep II is niet ontvankelijk.
  9. Het middel van de eiseres, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep II, behoeft geen antwoord. Middel van de eiser Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 63 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de klacht met burgerlijke-partijstelling van de eiser en de strafvordering niet ontvankelijk; het oordeelt dat de eiser weliswaar aannemelijk maakt dat hij reputatieschade en morele schade lijdt ingevolge de financiële problemen en uiteindelijk het faillissement van Eurostar Diamond Traders nv (hierna EDT), maar dat hij onvoldoende aannemelijk maakt dat de aangeklaagde feiten zouden hebben bijgedragen tot dat faillissement, laat staan het hebben veroorzaakt; het arrest leidt dat oordeel af uit de enorme schuldenlast van EDT, waarmee de geraamde schade van 45,5 of 73 miljoen euro ingevolge de aan de verweersters verweten fouten niet in verhouding staat; het stelt evenwel ook vast dat de schuldenlast van EDT van ongeveer 370 miljoen euro voor meer dan 321 miljoen euro bestaat uit schulden ten aanzien van de verweersters, dat de financiële schade ingevolge de fouten van de verweersters in de klacht aan EDT slechts provisioneel werd bepaald en dat er een burgerlijke rechtsvordering van EDT tegen de verweerster 1 werd ingesteld ten belope van 672 miljoen USD; op grond van die vaststellingen had het arrest moeten oordelen dat de eiser voldoende aannemelijk maakt dat hij schade lijdt ingevolge de aangeklaagde frauduleuze handelingen van de verweersters omdat het faillissement van EDT mogelijks al dan niet mede werd veroorzaakt door die handelingen; met het bekritiseerde oordeel voegt het arrest aan de wettelijke begrippen schade en oorzakelijk verband een onwettige voorwaarde toe, namelijk dat de schade niet meerdere oorzaken zou kunnen hebben; aldus miskent het arrest het causaliteitsbegrip en in het kader daarvan de equivalentietheorie, op grond waarvan er sprake is van oorzakelijk verband zodra vaststaat dat zonder het misdrijf de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan.
  11. Hij die beweert te zijn benadeeld door een misdaad of een wanbedrijf, kan zich op grond van artikel 63 Wetboek van Strafvordering voor de bevoegde onderzoeksrechter burgerlijke partij stellen, zonder dat hij in die stand van de rechtspleging het bewijs hoeft te leveren van de schade, de omvang ervan en het oorzakelijk verband ervan met het desbetreffende misdrijf. Wel moet de beweerde benadeelde, wil zijn burgerlijke-partijstelling ontvankelijk zijn, zijn bewering over de schade die hij door het misdrijf zou hebben geleden, aannemelijk maken.
  12. Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of een oorzakelijk verband tussen het aangeklaagde feit en de beweerde schade aannemelijk is, met andere woorden of het aannemelijk is dat die schade zich ook zonder dat feit zou hebben voorgedaan zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of met het begrip oorzakelijk verband onverenigbaar zijn.
  13. Het arrest (p. 5-6) stelt vast dat de eiser in zijn klacht met burgerlijke-partijstelling aan de verweersters verwijt dat zij ingevolge het plegen van feiten gekwalificeerd als fiscale fraude, valsheid in geschriften, gebruik van valse stukken, oplichting en witwassen voor een bedrag van in hoofdorde 45,5 miljoen euro, het faillissement van EDT hebben veroorzaakt en hem daardoor schade hebben berokkend in zijn hoedanigheid van indirecte aandeelhouder van EDT. Elders verwijst het arrest (p. 11) ook naar de burgerlijke procedure waarin EDT op grond van in essentie dezelfde feiten een provisionele schadevergoeding vorderde van 73 miljoen euro van de verweerster
  14. Zonder desbetreffend te worden betwist, verwerpt het arrest eisers aanvoeringen in zoverre zij betrekking hebben op materiële schade. Het (p. 7-8) oordeelt wel dat de eiser aannemelijk maakt dat hij ingevolge het faillissement van EDT reputatieschade en morele schade lijdt, namelijk: "Inzake reputatieschade kan verwezen worden naar de persberichten (...) die verschenen in de aanloop naar het faillissement van EDT alsook naar aanleiding ervan, waarin "[de eiser]" meermaals bij naam wordt genoemd in één adem met de financiële problemen en het zeer belangrijke passief van EDT en waarbij in één van de berichten wordt gesuggereerd dat wanbeleid en overdreven ambities Eurostar naar de afgrond zouden hebben geduwd. Hiermee zou in de diamantwereld mogelijks de indruk kunnen worden gewekt dat [de eiser] geen professionele en betrouwbare handelspartner (meer) zou zijn. Inzake morele schade (...) maakt [de eiser] aannemelijk dat hij ingevolge de financiële problemen en uiteindelijk het faillissement van EDT zijn "levenswerk" zag tenietgaan en hierdoor morele schade zou lijden."
  15. Het arrest (p. 11) oordeelt verder: "In het licht van de enorme schuldenlast van EDT zoals die afdoende blijkt, lijkt moeilijk aan te nemen dat de aangeklaagde strafbare feiten van invloed zijn geweest op het (al dan niet) (uitspreken van) het faillissement, laat staan het faillissement hebben veroorzaakt. Minstens maakt [de eiser] geen causaal verband aannemelijk tussen de frauduleuze handelingen van [de verweersters] in het kader van de UVL-constructie en het faillissement van EDT. Er wordt niet aannemelijk gemaakt dat het faillissement van EDT, en de mogelijk daaruit voortvloeiende reputatie- en morele schade in hoofde van [de eiser] ingevolge het faillissement, had kunnen worden vermeden bij afwezigheid van de aangeklaagde strafbare feiten."
  16. Dit oordeel leidt het arrest (p. 9-11) niet enkel af uit de schuld van EDT aan de verweersters voor meer dan 321 miljoen euro, maar ook uit de volgende vaststellingen: - uit het verslag van de voorlopig bewindvoerders bleek dat zij bij hun afstapping bij EDT op 5 november 2018 bijzonder weinig activa aantroffen in de kluizen. Er kon geen klantenportefeuille worden voorgelegd waaruit zou blijken dat op korte of middellange termijn liquiditeiten zouden kunnen worden gegenereerd. Er waren geen inkomsten uit normale bedrijfshandelingen. Alle bankrekeningen vertoonden een negatief saldo; - op 4 maart 2019 werd een vordering van een schuldeiser van EDT ten bedrage van 3.278.881,66 USD in beraad genomen, waarbij EDT zich ter rechtszitting naar de wijsheid van de rechtbank gedroeg; - de Bank of India blijkt haar kredieten aan EDT te hebben opgezegd op 20 april 2018; - ook KBC Bank zou haar kredieten aan EDT hebben opgezegd en beschikken over een vordering tegen EDT van 10.069.528,20 euro; - uit geen enkel concreet element blijkt dat er een andere kredietverstrekker zou zijn die bereid is om de schuldeisers van EDT te voldoen, noch dat EDT op korte termijn enige substantiële betaling kan verkrijgen van haar vorderingen zoals die blijken uit de eigen balans, zodat de rechtbank vaststelt dat de vennootschap niet bij machte is om haar opeisbare schulden te betalen, hetgeen reeds bleek uit het feit dat ze beroep diende te doen op de procedure tot gerechtelijke reorganisatie om de faillietverklaring af te wenden; - "De vaststelling dat EDT haar belangrijke bancaire en niet-bancaire schulden niet kon betalen met eigen fondsen of aan haar verleende kredieten werd op gemotiveerde wijze bevestigd door het hof van beroep te Antwerpen, dat het hoger beroep van EDT tegen haar faillietverklaring bij arrest van 10 oktober 2019 (...) ongegrond verklaarde. Bijkomend ten aanzien van voormeld vonnis vermeldde het arrest (o.a.) nog dat de curatoren van EDT ter zitting hadden verklaard dat er nog een nieuwe vordering was ingediend door een schuldeiser uit Botswana voor een bedrag van 23.000.000 EUR en werd verwezen naar een verslag van de heer De Mey van 23 april 2019 dat besloot tot een opeisbare schuldenlast van bijna 370.000.000 EUR"; - de eiser heeft in het kader van de faillissementsbetwisting weliswaar melding gemaakt van de aangeklaagde feiten en van de burgerlijke procedure tegen de verweerster 1, maar de ondernemingsrechtbank heeft haar beslissing inzake het voldaan zijn aan de faillissementsvoorwaarden van staking van betaling en geschokt krediet op geen enkele wijze, in de ene of de andere zin, hierop gebaseerd. Zo motiveert de ondernemingsrechtbank dat dient te worden vastgesteld dat de rechtsvordering van EDT ten aanzien van de verweerster 1 door de bank wordt betwist en dat de uitkomst van dergelijke procedure hoogst onzeker is. Het arrest (p. 12) oordeelt eveneens dat: - het met betrekking tot de aangeklaagde feiten van fiscale fraude, logischerwijze ten nadele van de Belgische Staat, overigens hoe dan ook moeilijk voor te stellen is hoe zij het faillissement van EDT en de mogelijk daaruit voortvloeiende reputatieschade of morele schade van de eiser mee zouden hebben kunnen beïnvloeden, laat staan mee zouden hebben kunnen veroorzaken; - ook wanneer abstractie wordt gemaakt van de staat van faillissement van EDT, de eiser evenmin een oorzakelijk verband tussen mogelijke reputatie- of morele schade in zijnen hoofde en de aangeklaagde feiten aannemelijk maakt.
  17. Met die redenen oordeelt het arrest niet dat de totale schuldenlast van EDT 370 miljoen euro bedraagt, steunt het zijn beslissing niet louter op de enorme schuldenlast van EDT in verhouding tot de beweerde schade ingevolge de aangeklaagde feiten en oordeelt het niet dat het faillissement van EDT niet meerdere oorzaken kan hebben. Het oordeelt wel dat de eiser niet aannemelijk maakt dat de oorzaken van het faillissement van EDT die geen verband houden met de aangeklaagde feiten, niet volstaan om dat bewuste faillissement heeft voorgedaan en de daaruit voortvloeiende reputatieschade en morele schade van de eiser te veroorzaken. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste en onvolledige lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
  18. Op grond van het geheel van de vermelde redenen kan het arrest wettig oordelen dat eisers klacht met burgerlijke-partijstelling en de erop gesteunde strafvordering niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan voldoende aannemelijk gemaakt oorzakelijk verband tussen de feiten die de eiser lastens de verweersters aanklaagt en zijn beweerde reputatieschade en morele schade. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 63 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser niet aannemelijk maakt persoonlijke schade te lijden ingevolge de aangeklaagde feiten; nochtans oordeelt het arrest zelf dat de eiser aannemelijk maakt dat hij door het faillissement van EDT zijn levenswerk zag tenietgaan en hierdoor morele schade lijdt en hebben de aangeklaagde feiten precies betrekking op het veroorzaken van dat faillissement; met het bekritiseerde oordeel geeft het arrest een verkeerde invulling van de drempelcontrole die vereist dat een burgerlijke partij haar bewering dat zij is benadeeld door de aangeklaagde misdrijven aannemelijk maakt; op het moment van de klacht moet de burgerlijke partij immers nog geen bewijs leveren van de schade, van de omvang van de schade of van het oorzakelijk verband tussen de schade en het aangeklaagde misdrijf; door aan te geven dat hij reputatieschade en morele schade lijdt ingevolge het faillissement van EDT, dat werd veroorzaakt door de verweersters, heeft de eiser meer dan voldoende aangegeven dat hij persoonlijke schade heeft kunnen lijden door de misdrijven en heeft hij meer dan voldoende aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van deze misdrijven persoonlijke schade lijdt.
  20. Weliswaar moet de beweerde benadeelde op het moment van zijn klacht met burgerlijke-partijstelling nog niet het bewijs leveren van het oorzakelijk verband tussen zijn schade en de aangeklaagde feiten, maar moet hij dat verband slechts aannemelijk maken. Daartoe volstaat evenwel niet zijn loutere bewering dat hij is benadeeld door feiten die beantwoorden aan een misdaad of een wanbedrijf en die hij aan een derde verwijt. Dergelijke bewering bindt het onderzoeksgerecht niet en ontslaat het niet van de plicht om, zelfs ambtshalve, na te gaan of er tussen de aangeklaagde feiten en de beweerde schade een voldoende aannemelijk oorzakelijk verband bestaat om op grond daarvan een gerechtelijk onderzoek naar die feiten te verantwoorden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  21. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 63 en 235bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser geen morele schade aannemelijk maakt in zijn hoedanigheid van garantiesteller voor de schulden van EDT ten aanzien van de verweersters; het legt evenwel niet uit waarom eisers aanvoeringen in dat verband "op zich onvoldoende" zijn om schade ingevolge de aangeklaagde feiten aannemelijk te maken; het arrest had uit zijn vaststellingen moeten afleiden dat de eiser in de huidige fase van de rechtspleging voldoende aannemelijk maakte dat hij schade lijdt door de aangeklaagde feiten aangezien hij zich persoonlijk borg heeft gesteld voor de schulden van EDT, die mogelijks werden veroorzaakt door de frauduleuze handelingen van de verweersters.
  23. Zoals blijkt uit het antwoord op het tweede onderdeel, volstaat een loutere bewering niet om schade ingevolge een misdrijf aannemelijk te maken. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  24. Het arrest (p. 8) oordeelt: "Evenmin maakt [de eiseres] morele schade in haren hoofde aannemelijk in haar hoedanigheid van garantiesteller voor de schulden van EDT ten aanzien van beide [verweersters]. Dit laatste geldt ook voor [de eiser]. Hij maakt in zijn hoedanigheid van garantiesteller voor de schulden van EDT ten aanzien van [de verweerster 1] geen specifieke (bijkomende) morele schade ingevolge de aangeklaagde feiten in zijnen hoofde aannemelijk. Dat [de verweerster 1] op 18 juni 2018 een beroep deed op de door [de eiser] (vrijwillig) aan de bank verstrekte garantie is op zich onvoldoende om in diens hoofde morele schade ingevolge de aangeklaagde feiten aannemelijk te maken." Daarvoor oordeelt het arrest (p. 7-8) reeds dat de eiser aannemelijk maakt dat hij persoonlijke en reële schade lijdt ten gevolge van de financiële problemen en uiteindelijk het faillissement van EDT.
  25. Met die redenen, waaruit blijkt waarom de eiser geen specifieke morele schade lijdt ingevolge zijn garantstelling, is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 89,31 euro waarvan de eiser I 9,66 is verschuldigd en de eiseres II 9,65 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman, en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.4 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260505.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19931221.14 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990921.9 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030211.5 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070403.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101026.1 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110118.5 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150526.6 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200421.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.