id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.2 Rolnummer: P.20.1123.N Zaak: A. contra I. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-19 Raadplegingen: 1191 - laatst gezien 2026-06-18 12:56 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter bepaalt binnen de door de wet bepaalde grenzen onaantastbaar welke straffen en maatregelen en hun maat noodzakelijk zijn ter realisering van de doelstellingen die hij met de straftoemeting beoogt en die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader; de rechter mag bij die beoordeling wel degelijk de wijze betrekken waarop de door hem opgelegde straffen en maatregelen zullen worden uitgevoerd ; die uitvoering bepaalt immers mee of de nagestreefde doelstellingen van de straftoemeting wel kunnen worden gerealiseerd en door dit te doen matigt de rechter zich geen bevoegdheden aan die hem niet toekomen en laat hij zich niet in met de uitvoering van de door hem uitgesproken straffen
(1).
(1)J. ROZIE en C. VAN DEUREN, "De motivering van de straf en strafmaat: een onderzoek naar de toepassing ervan in de praktijk. Komt de huidige motiveringspraktijk tegemoet aan de door de strafwetgever vooropgestelde doelstellingen?", NC 2012, 131-
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Motivering van de straf en van de strafmaat - Verwijzing naar de uitvoering van de straf - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Motivering van de straf en van de strafmaat - Verwijzing naar de uitvoering van de straf - Draagwijdte - Gevolg Annotaties Publicaties: NC-Nullum Crimen: Tijdschrift voor straf-en strafprocesrecht - 2022, nr. 2, p. 117-
- - ROZIE, Joëlle; Noot'De strafdoelstellingen in het licht van de gewijzigde rechtspraak van het Hof van Cassatie' Tekst van de beslissing Nr. P.20.1123.N I. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
- M. I., burgerlijke partij,
- C. H., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 15 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiser vrij voor het feit omschreven onder de telastlegging E van de zaak I. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest neemt als doorslaggevend motief voor de opgelegde bestraffing en de strafverzwaring de uitvoering van de straf in aanmerking en laat zich zo in strijd met artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en dus buiten elke wettelijke basis in met de strafuitvoering of de strafuitvoeringsmodaliteiten; het arrest oordeelt dat een begeleiding onder de controle van de strafuitvoeringsrechtbank meer kans op slagen heeft en dat is precies de reden voor de opgelegde gevangenisstraf van 37 maanden, of net boven de grens van drie jaar; door te steunen op een dergelijk ondeugdelijk motief miskent het arrest de motiveringsverplichting; het arrest miskent bovendien eisers recht op een eerlijk proces.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 van dit wetboek ook van toepassing is op de hoven van beroep, legt aan de rechter bij de keuze van de straffen en de maatregelen en hun maat, die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, een bijzondere motiveringsverplichting op. Die bepaling houdt geen beperking in van de redenen die de rechter voor die keuze in aanmerking kan nemen.
- De rechter bepaalt binnen de door de wet bepaalde grenzen onaantastbaar welke straffen en maatregelen en hun maat noodzakelijk zijn ter realisering van de doelstellingen die hij met de straftoemeting beoogt. Die doelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader.
- De rechter mag bij die beoordeling wel degelijk de wijze betrekken waarop de door hem opgelegde straffen en maatregelen zullen worden uitgevoerd. Die uitvoering bepaalt immers mee of de nagestreefde doelstellingen van de straftoemeting wel kunnen worden gerealiseerd. Door dit te doen matigt de rechter zich geen bevoegdheden aan die hem niet toekomen en laat hij zich niet in met de uitvoering van de door hem uitgesproken straffen.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest grondt de beslissing over de straftoemeting en de veroordeling van de eiser tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van 37 maanden op de volgende redenen: - de straf moet worden bepaald gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden en de persoonlijkheid van de eiser, zoals die blijkt uit zijn strafrechtelijk verleden, zijn gezinstoestand en arbeidssituatie, voor zover gekend; - de straftoemeting moet niet alleen de vergeldingsbehoefte dienen, maar ook oog hebben voor de speciale preventie en de sanctionering moet dan ook van aard zijn de eiser ervan te beletten zich in de toekomst nog aan dergelijke feiten schuldig te maken; - de eiser heeft een zwaar beladen strafregister wegens diefstallen met verzwa-rende omstandigheden, inbreuken op de wapenwetgeving, gewelddelicten en een drugdelict; - de eiser komt niet meer in aanmerking voor een probatie-opschorting en een werkstraf is niet gepast rekening houdend met de ernst van de feiten en de persoon van de eiser, die zeer onvoorspelbaar agressief gedrag vertoont, wat aanzienlijke problemen kan geven op de arbeidsplaats. Bovendien is de eiser invalide en heeft hij psychische problemen; - de opgelegde bestraffing is gepast rekening houdend met de ernst van de feiten, waarbij de eiser een reëel gevaar vormt voor de openbare veiligheid in de buurt van zijn woning, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd waarbij de eiser meermaals onder invloed was, de persoonlijkheid van de eiser en zijn zwaar beladen strafrechtelijk verleden; - de appelrechters zijn samen met de raadsman van de eiser van oordeel dat de eiser op meerdere gebieden begeleiding nodig heeft. De eiser stelt dat hij al ja-ren ambulante begeleiding volgt en hij legt onder meer attesten voor ter rechtszitting betreffende zijn medicatie die dit bevestigen; - de appelrechters stellen vast dat de eiser ter rechtszitting een zeer opgejaagde indruk maakt die wijst op middelenmisbruik; - de appelrechters zijn van oordeel dat deze begeleiding meer kans van slagen heeft indien ze onder controle van de strafuitvoeringsrechtbank kan verlopen. Aldus omkleedt het arrest de beslissing over de straftoemeting regelmatig met redenen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De overige wetsschendingen zijn afgeleid uit de voormelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en het onderdeel is bijgevolg in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest kan niet oordelen dat de eiser op de rechtszitting een zeer opgejaagde indruk maakt die wijst op middelenmisbruik en dit gegeven betrekken bij de straftoemeting; de appelrechters hebben daartoe geen enkele bevoegdheid of competentie; dat is een louter subjectieve beoordeling; die indruk is vatbaar voor velerlei uitleg; de verwijzing naar middelenmisbruik kan niet zonder medisch onderzoek; dat is strijdig met artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; uit de op de rechtszitting neergelegde stukken betreffende medicatie blijkt het tegendeel; het arrest miskent de inhoud van die stukken; door te steunen op een dergelijk ondeugdelijk motief miskent het arrest de motiveringsverplichting; het arrest miskent bovendien eisers recht op een eerlijk proces.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat ingevolge artikel 211 van dit wetboek ook van toepassing is op de hoven van beroep, legt aan de rechter bij de keuze van de straffen en de maatregelen en hun maat, die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, een bijzondere motiveringsverplichting op. Die bepaling houdt geen beperking in van de redenen die de rechter voor die keuze in aanmerking kan nemen.
- Het arrest grondt het oordeel over het middelenmisbruik door de eiser niet enkel op de zeer opgejaagde indruk die hij maakte op de rechtszitting. Bij de straftoemeting wordt ook erop gewezen dat de eiser reeds is veroordeeld wegens een drugdelict, hij een zeer onvoorspelbaar agressief gedrag vertoont, hij een reëel gevaar vormt voor de openbare veiligheid in de buurt van zijn woning en de eiser feiten pleegde waarbij hij meermaals onder invloed was. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de rechter op basis van de beschikbare gegevens, waaronder de houding van een beklaagde op de rechtszitting, oordeelt dat die beklaagde blijk geeft van middelenmisbruik. Dat oordeel vereist niet noodzakelijk een medisch onderzoek of medische competentie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de door de eiser op de rechtszitting neergelegde stukken en de daarin vermelde medicatie een tegenaanwijzing oplevert voor middelenmisbruik, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221213.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.19 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240910.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div