id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.22 Rolnummer: P.21.0321.N Zaak: E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-19 Raadplegingen: 412 - laatst gezien 2026-06-14 15:22 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepalingen van artikel 30, § 2, eerste en tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, volgt niet dat de akte van betekening van de beschikking van de raadkamer, indien toepasselijk, ook melding moet maken van een verlenging van de beroepstermijn overeenkomstig artikel 644 Wetboek van Strafvordering
(1).
(1)Zie over de toepassing van artikel 644 Wetboek van Strafvordering op de verlenging van de beroepstermijn inzake voorlopige hechtenis Cass. 10 mei 1977, AC 1977, p.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Termijn - Verlenging van de termijn - Artikel 644 Wetboek van Strafvordering - Vermelding - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 30, § 2, eerste en tweede lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 644 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0321.N M. E., alias F. A. G., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Alexander Van Heeschvelde en mr. Jesse Van den Broeck, advocaten bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 30, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer van 12 februari 2021 laattijdig is; deze beschikking werd aan de eiser betekend op zaterdag 13 februari 2021 met daarin de vermelding dat hij binnen een termijn van vierentwintig uren hoger beroep kon instellen; die betekening is echter onregelmatig doordat daarbij niet werd vermeld dat de eiser overeenkomstig artikel 644 Wetboek van Strafvordering tot en met maandag 15 februari 2021 rechtsgeldig hoger beroep kon instellen; bijgevolg kon de eiser het rechtsmiddel instellen zolang de raadkamer zich niet opnieuw over de handhaving van zijn voorlopige hechtenis heeft uitgesproken.
- Krachtens artikel 30, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet moet het hoger beroep tegen de beschikking van de raadkamer worden ingesteld binnen een termijn van vierentwintig uren die ten aanzien van de verdachte begint te lopen vanaf de dag waarop die beschikking hem is betekend. Bij toepassing van artikel 644 Wetboek van Strafvordering wordt die termijn wanneer hij eindigt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag, verlengd tot de eerstvolgende werkdag. Artikel 30, § 2, tweede lid, tweede zin, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat in de akte van betekening van de beschikking van de raadkamer aan de verdachte kennis wordt gegeven van het hem toekomende recht van hoger beroep en van de termijn waarbinnen dit recht moet worden uitgeoefend.
- Uit deze bepalingen volgt niet dat de akte van betekening van de beschikking van de raadkamer, indien toepasselijk, ook melding moet maken van een verlenging van de beroepstermijn overeenkomstig artikel 644 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat de beroepen beschikking aan de eiser werd betekend op zaterdag 13 februari 2021 en dat hij hoger beroep instelde op dinsdag 16 februari
- Het oordeelt dat het hoger beroep uiterlijk op maandag 15 februari 2021 moest worden ingesteld en dat eisers hoger beroep bijgevolg laattijdig was. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 16 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div