id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.8 Rolnummer: P.20.1294.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-19 Raadplegingen: 636 - laatst gezien 2026-06-18 09:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Geen enkele bepaling verplicht in een vonnis uitdrukkelijk aan te geven dat een gerechtelijk stagiair die mee van de zaak kennis heeft genomen, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak, een gerechtelijk stagiair is die bij wijze van overgangsmaatregel tijdens de verlenging van zijn stage een rechter mag vervangen; indien een gerechtelijk stagiair mee van een zaak kennis neemt, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak moet hij, behoudens tegenbewijs, worden geacht daartoe te zijn gemachtigd. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Vermeldingen - Gerechtelijk stagiair - Plaatsvervanging in de zetel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 259octies, § 6, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Samenstelling - Gerechtelijk stagiair - Plaatsvervanging in de zetel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 259octies, § 6, zesde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1294.N D. F. C. D. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Johan Durnez, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 26 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 92, 259octies, 779 en 780 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis vermeldt dat het mede werd gewezen door “S. Hespel, gerechtelijk stagiair (rechtbank)”; uit voormeld artikel 259octies, § 5, tweede en vijfde lid, volgt evenwel dat een gerechtelijk stagiair niet de hoedanigheid van magistraat heeft en geen rechter kan vervangen; hieruit volgt dat de zetel niet regelmatig was samengesteld.
- Krachtens artikel 259octies, § 6, zesde lid in fine, Gerechtelijk Wetboek zoals van toepassing vóór de wijziging bij wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat en houdende diverse bepalingen van justitie (hierna Wet 6 juli 2017), kan de gerechtelijk stagiair wiens stage bij de zetel is verlengd, gedurende de periodes van verlenging een plaatsvervanging waarnemen. Krachtens artikel 290, eerste en zesde lid, Wet 6 juli 2017 blijven de bepalingen met betrekking tot de gerechtelijke stage die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van deze wet van toepassing op de stagiairs van wie de stage is verlengd. Na de derde verlenging met zes maanden worden deze stagiairs tot gerechtelijk attaché benoemd.
- Geen enkele bepaling verplicht in een vonnis uitdrukkelijk aan te geven dat een gerechtelijk stagiair die mee van de zaak kennis heeft genomen, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak, een gerechtelijk stagiair is die bij wijze van overgangsmaatregel tijdens de verlenging van zijn stage een rechter mag vervangen. Indien een gerechtelijk stagiair mee van een zaak kennis neemt, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak moet hij, behoudens tegenbewijs, worden geacht daartoe te zijn gemachtigd. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis motiveert de strafmaat met verwijzing naar de motieven van de eerste rechter; de eerste rechter heeft de zware straf enkel uitgesproken omwille van de strafverzwarende herhaling bepaald in artikel 38, § 6, Wegverkeerswet en niet, zoals ten onrechte vastgesteld door de appelrechters, omwille van eisers strafregister of de ernst van de snelheidsovertreding; hoewel de appelrechters de strafverzwarende herhaling niet aannemen, leggen zij dezelfde straf op als de eerste rechter; deze beslissing is gebrekkig, minstens tegenstrijdig gemotiveerd.
- Artikel 149 Grondwet is vreemd aan de grief dat de rechter de uitgesproken straf gebrekkig heeft gemotiveerd. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Het beroepen vonnis steunt de uitgesproken straf niet enkel op de vastgestelde strafverzwaring, maar ook op de ernst van eisers gedrag en meer bepaald het onaanvaardbaar karakter van het voeren van een totaal onaangepaste snelheid. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Met het oordeel dat “de eerste rechter terecht een effectieve geldboete en een rijverbod van drie maanden, waarvan 2 maanden effectief, (heeft) opgelegd” bevestigen de appelrechters enkel dat de eerste rechter een passende bestraffing heeft opgelegd. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters tevens alle motieven overnemen waarop deze bestraffing steunt, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het eveneens feitelijke grondslag.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid is afgeleid uit deze onjuiste lezing. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Uit de artikelen 163, tweede lid, en 195, tweede en vierde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat in verkeerszaken de rechter ertoe gehouden is de keuze voor de bijkomende straf van het verval van het recht een voertuig te besturen en de maat ervan, alsook de maatregel van het afhankelijk maken van het herstel van dit recht van het slagen voor examens en onderzoeken, nauwkeurig te motiveren indien hij de vrije beoordeling heeft over het opleggen van die bijkomende straf en maatregel en de maat ervan. Het bestreden vonnis houdt bij het bepalen van het rijverbod en de proeven rekening met de ernst van de snelheidsovertreding, eisers ongunstig strafregister waaruit blijkt dat hij geen lessen heeft getrokken uit eerdere veroordelingen voor gelijkaardige feiten en de noodzaak om de maatschappij te beveiligen tegen het volhardend gebrek aan verantwoordelijkheidszin van de eiser in het verkeer. Met die redenen motiveren de appelrechters op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser opgelegde straf en maatregel en de maat ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: anders dan de eerste rechter waren de appelrechters, die de strafverzwarende herhaling niet aannemen, niet verplicht om een verval van minstens drie maanden en het afleggen van de vier proeven op te leggen; door de straf van de eerste rechter te bevestigen, verzwaren de appelrechters minstens impliciet de opgelegde straf zonder vast te stellen dat die beslissing met eenparigheid van stemmen werd genomen.
- Volgens artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering is eenstemmigheid vereist voor het gerecht in hoger beroep om de tegen de beklaagde uitgesproken straffen te verzwaren. Er is slechts strafverzwaring in de zin van die bepaling indien het gerecht in hoger beroep de uitgesproken straf verzwaart in vergelijking met de door de eerste rechter uitgesproken straf. De appelrechters die, anders dan de eerste rechter, oordelen dat de verplichte strafverzwaring bepaald in artikel 38, § 6, Wegverkeerswet niet moet worden toegepast en vervolgens de beklaagde dezelfde straf opleggen als de eerste rechter, verzwaren de straf niet. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: gelet op het gebrek aan hoger beroep van het openbaar ministerie, leggen de appelrechters de eiser ten onrechte een zwaardere straf op.
- Het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het bestreden vonnis verwijst bij het motiveren van de strafmaat naar het verweer van de eiser dat het slechts om een “beperkte overtreding” ging; aldus steunen de appelrechters de opgelegde straf ten onrechte op de wijze waarop de eiser zich heeft verdedigd.
- De appelrechters oordelen dat, anders dan aangevoerd door de eiser in zijn grievenformulier, de snelheidsovertreding ernstig is en gecombineerd met eisers ongunstig strafregister, de opgelegde strenge bestraffing verantwoordt. Uit deze redenen volgt niet dat de appelrechters bij het bepalen van de strafmaat rekening hebben gehouden met de wijze waarop de eiser zich heeft verdedigd. Het middel berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 16 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div