← België

E. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.2 Rolnummer: C.20.0333.N Zaak: E. contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-10-06 Raadplegingen: 2489 - laatst gezien 2026-06-19 00:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een tegenvordering heeft een autonoom karakter in die zin dat ze niet moet voldoen aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 870 Gerechtelijk Wetboek, die als zodanig enkel gelden voor de eiser die zijn vordering uitbreidt of wijzigt. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Tegenvordering - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 14 en 807 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 De voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering moet, omwille van de wapengelijkheid van de procespartijen en hun verplichting tot loyale procesvoering, feitelijk verband houden met een voor de eerste rechter ingestelde vordering

(1).
(1)Zie Cass. 5 december 2014, AR C.14.0061.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141205.1, AC 2014, nr. 755, met concl. van advocaat-generaal A. VAN INGELGEM; Cass. 23 februari 2006, AR C.04.0048.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.7, AC 2006, nr. 106; Cass. 14 oktober 2005, AR C.04.0408.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051014.2, AC 2005, nr. 513; Cass. 10 september 1982, AR 3444, AC 1982-83, nr.
  1. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Tegenvordering - Voor het eerst gesteld in hoger beroep - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 14, 807, 1042 en 1068, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Bulletin Juridique et Social [B.J.S.] - 2021, n° 675, p.
  2. - BEDORET, Christophe; Note 'L'autonomie de la demande reconventionnelle en degré d'appel: un trompe-l'œil.' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 16, p. 1534-
  3. - MAES, Bruno; Noot'De toelaatbaarheid van de nieuwe tegenvordering in hoger beroep' Tekst van de beslissing Nr. C.20.0333.N H. E. M., eiseres, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 15 juni 2020 (nr. G.20.0071.N), vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen A. S., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 26 februari
  4. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee midde-len aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Krachtens artikel 14 Gerechtelijk Wetboek is een tegenvordering een tus-senvordering die uitgaat van de verweerder en ertoe strekt tegen de eiser een veroordeling te doen uitspreken. Krachtens artikel 807 Gerechtelijk Wetboek kan de eiser zijn vordering uitbrei-den of wijzigen middels een op tegenspraak genomen conclusie op voorwaarde dat het voorwerp van de uitgebreide of gewijzigde vordering een feitelijke grondslag vindt in de inleidende akte.
  6. Krachtens artikel 1042 Gerechtelijk Wetboek gelden de artikelen 14 en 807 Gerechtelijk Wetboek ook in hoger beroep.
  7. Krachtens artikel 1068, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek maakt het hoger beroep het geschil zelf, met alle feitelijke en juridische vragen die daarmee sa-menhangen, aanhangig bij de appelrechter.
  8. Uit het geheel van voormelde wetsbepalingen volgt dat: - een tegenvordering een autonoom karakter heeft in die zin dat ze niet moet voldoen aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek, die als zodanig enkel gelden voor de eiser die zijn vordering uit-breidt of wijzigt; - de voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering evenwel, omwille van de wapengelijkheid van procespartijen en hun verplichting tot loyale pro-cesvoering, feitelijk verband moet houden met een voor de eerste rechter in-gestelde vordering.
  9. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat: - de verweerder voor de eerste rechter een vordering instelt tot vermindering van de hem eerder opgelegde onderhoudsbijdrage voor beide kinderen van de partijen; - de verweerder in zijn inleidende akte van 2 november 2017 gewag maakt van het ouderlijk gezag en de verblijfsregeling voor de kinderen, een beweerde miskenning van de geldende verblijfsregeling door de eiseres, een hangend sociaal onderzoek en bezorgdheden van de eiseres; - de eiseres voor het eerst in hoger beroep onderzoeksmaatregelen vordert en in het licht daarvan een aangepaste gezags- en verblijfsregeling.
  10. De appelrechter verklaart de door de eiseres voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering onontvankelijk omdat zij “niet [werd] gesteld voor de eerste rechter en bijgevolg niet door de devolutieve werking aanhangig [kan] zijn gemaakt (…)”, “zulks enkel [geldt] voor vorderingen die geldig aanhangig zijn gemaakt bij de eerste rechter, maar nog niet definitief zijn berecht” en “[noch] het ingeroepen belang van een goede rechtsbedeling, noch het belang van de kinderen een juridische grondslag [bieden] om deze nieuwe [vordering] in beroep ontvankelijk te verklaren”. De appelrechter die zodoende de door de eiseres voor het eerst in hoger beroep ingestelde tegenvordering onontvankelijk verklaart, zonder na te gaan of het voorwerp van deze vordering feitelijk verband houdt met de door de verweerder voor de eerste rechter ingestelde vordering en niettegenstaande de devolutieve werking van het hoger beroep waardoor het geschil met inbegrip van de bedoelde verblijfsregeling voor de appelrechter aanhangig is, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzit-ter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bij-stand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2021:ARR.20210526.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051014.2 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060223.7 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141205.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.