← België

P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.1 Rolnummer: P.20.1125.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-03-25 Raadplegingen: 1498 - laatst gezien 2026-06-18 01:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1. EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen; wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf

(1).
(1)Cass. 15 december 2020, AR P.20.0946.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 september 2020, AR P.20.0137.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 8 september 2020, AR P.20.486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr.303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van drie criteria, gehanteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en in die volgorde, of (i) er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige (ii) de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, (iii) er voor het niet-kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen, tenzij één van de criteria van dermate overwegend belang is dat dit criterium volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan niet eerlijk verloopt
(1).
(1)Cass. 15 december 2020, AR P.20.0946.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 september 2020, AR P.20.0137.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 8 september 2020, AR P.20.486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr.303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 9 - 16 Het staat aan de rechter om onaantastbaar te oordelen of het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd miskent en de rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst; indien bedreigingen een grond zijn voor het niet-horen van de getuige, moet de rechter onderzoeken of er objectieve en dus door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn die de vrees voor bedreigingen en de impact daarvan op de oprechtheid van de verklaring van de getuige rechtvaardigen en voor die beoordeling is niet vereist dat de rechter vaststelt dat de bedreigingen uitgaan van de beklaagde zelf die om het horen van de getuige verzoekt en de rechter kan bij zijn beoordeling wel degelijk bedreigingen in aanmerking nemen die werden geuit tegen andere in het dossier betrokken personen, zoals medebeklaagden
(1).
(1)Cass. 15 december 2020, AR P.20.0946.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 15 september 2020, AR P.20.0137.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 8 september 2020, AR P.20.486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass. 30 mei 2017, AR P.17.0322.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10, arrest niet gepubliceerd; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr.303; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. Mortier; EHRM 14 juni 2016, Riahi t. België. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Verplichting tot het horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Weigering - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Weigering - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Getuigen - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige op de rechtszitting - Beoordeling - Weigering - Impact op een eerlijk proces - Vermelding van concrete omstandigheden - Bedreigingen - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 6.1 en 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1125.N I 1. K. P., beklaagde, 2. M. P., vrijwillig tussengekomen partij, eiseressen, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. II H. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. III T. E. A., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 16 oktober 2020. De eisers I en II voeren geen middel aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. Voor de eiser III werd op 18 maart 2021 ter griffie een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de door de eiser III ingediende antwoordnoot 1. De eiser in cassatie mag in zijn door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot geen nieuwe middelen in cassatie aanvoeren of reeds aangevoerde middelen uitbreiden, aangezien dit hem anders zou toelaten de dwingende termijnen van artikel 429 Wetboek van Strafvordering voor het indienen van een memorie te omzeilen. 2. De eiser III voert in zijn antwoordnoot aan dat de getuige die de appelrechters volgens hem hadden moeten horen op de rechtszitting niet enkel een getuige à charge is, maar ook een getuige à décharge en de weigering deze getuige te horen niet in overstemming is met de criteria die gelden voor het horen van getuigen die een ontlastende verklaring hebben afgelegd. Aldus breidt de eiser III zijn met het eerste onderdeel aangevoerde grief uit. In die mate is de door de eiser III ingediende antwoordnoot niet ontvankelijk. Middel van de eiser III Eerste onderdeel 3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en artikel 14.1 en 14.3.e IVBPR, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht op tegenspraak: het arrest weigert ten onrechte om de getuige à charge Y.K. (hierna de getuige) te horen ter rechtszitting; met de redenen die het arrest bevat is die weigering niet naar recht verantwoord; dat diverse medebeklaagden werden bedreigd, is geen ernstige reden tot weigering van het getuigenverhoor en het arrest oordeelt ten onrechte dat de verklaring van de getuige niet doorslaggevend is geweest voor eisers schuldigverklaring; bovendien steunen de appelrechters hun beslissing dat er sprake is van voldoende compenserende factoren enkel en ten onrechte op de vaststelling dat de eiser III persoonlijk aanwezig is geweest ter rechtszitting voor de eerste rechter en de appelrechters; aannemen dat het gebrek aan de mogelijkheid de getuige ter rechtszitting te doen horen, voldoende wordt gecompenseerd door de kans om tegenspraak te voeren over de stukken van het dossier, waaronder ook de bewuste belastende verklaring, is inherent tegenstrijdig; de appelrechters hebben eisers feitelijk verweer over de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige niet ontmoet; de weigering tot het horen van de getuige is gebrekkig gemotiveerd. 4. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.3.e IVBPR gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 5. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 6. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
  1. i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
  2. ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 7. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. 8. Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 9. Wat betreft het eerste criterium moet, indien bedreigingen een grond zijn voor het niet-horen van de getuige, de rechter onderzoeken of er objectieve en dus door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn die de vrees voor bedreigingen en de impact daarvan op de oprechtheid van de verklaring van de getuige rechtvaardigen. Voor die beoordeling is niet vereist dat de rechter vaststelt dat de bedreigingen uitgaan van de beklaagde zelf die om het horen van de getuige verzoekt. De rechter kan bij zijn beoordeling wel degelijk bedreigingen in aanmerking nemen die werden geuit tegen andere in het dossier betrokken personen, zoals medebeklaagden. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter niet uitdrukkelijk vast te stellen dat er geen haalbare alternatieven zijn voor het horen van de getuige op de rechtszitting onder eed. 10. Als ernstige redenen om de door de eiser III aangewezen getuige niet ter rechtszitting te horen, haalt het arrest aan dat: - de verklaring van de getuige, die stelde dat hij B.S. maar een keer heeft gezien samen met de eiser III, geenszins het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring van de eiser III steunt. Deze verklaring is louter ondersteunend voor de vaststelling dat de eiser III B.S. wel degelijk kent, in tegenstelling tot hetgeen de eiser III voorhoudt en voor de vaststelling dat zij samen werden gezien in het kader van de verkoop van cocaïne door de vereniging; - bovendien uit de inhoud van het dossier blijkt dat diverse medebeklaagden - zowel in de gevangenis als daarbuiten - werden bedreigd, waarvoor overigens klachten werden neergelegd, zodat een getuigenverhoor ter rechtszitting in deze omstandigheden mogelijk niet in de vereiste sereniteit en oprechtheid zou kunnen plaatsvinden; - uit het proces-verbaal van de rechtszitting voor de eerste rechter van 12 april 2019 blijkt dat de eiser III op die rechtszitting in persoon aanwezig was en door hem de nodige toelichtingen konden worden gegeven. Ook ter rechtszitting voor het hof van beroep werd de eiser III persoonlijk gehoord, hetgeen voldoende compenserende waarborgen bood; - het vast staat dat de eiser III in rechte kennis heeft kunnen nemen van en alle kansen heeft gekregen om vrij tegenspraak te voeren over de stukken van het strafdossier die aan het oordeel van het hof van beroep werden voorgelegd. 11. Met de voormelde redenen geeft het arrest te kennen dat er gelet op de in deze zaak geuite bedreigingen, die blijken uit klachten, een redelijke zekerheid is dat de verklaringen die de getuige op de rechtszitting zou afleggen onvoldoende oprecht zullen zijn, zodat ze niet nuttig kunnen bijdragen tot de waarheidsvinding. 12. Het arrest verklaart de eiser III schuldig aan de feiten van de telastlegging A, namelijk de verkoop van cocaïne in de periode van 30 november 2017 tot 4 juli 2018, met de omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is als leidend persoon aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging. Het arrest grondt de schuldigverklaring van de eiser III op de volgende elementen: - de zeer gedetailleerde, zelf-incriminerende en geloofwaardige verklaringen van de eiseres I.1 over de leidende rol van de eiser III: de eiseres I.1, die zich bij een eerder verhoor op haar zwijgrecht heeft beroepen, gaf tijdens haar verhoor aan de onderzoeksrechter een gedetailleerd overzicht van de werking van de vereniging en tevens van haar eigen rol daarin. Zij benoemde de leider van de vereniging aanvankelijk als "B." en verklaarde dat deze "B." ergens in de buurt van de B. woonde alwaar zij regelmatig met deze "B." afsprak en zij gaf tevens een beschrijving van deze "B."; - in tegendeel tot wat door de eiser III wordt aangevoerd heeft de onderzoeksrechter bij dit verhoor geen "zeer suggestieve vragen" gesteld en is dit verhoor geenszins onregelmatig; - de onderzoeksrechter heeft tijdens dit verhoor enkel gevraagd of de eiseres I.1 de eiser III kende waarna de eiseres I.1 spontaan heeft verduidelijkt dat dit de vriend betreft die zij eerder in het verhoor "B." noemde, zijnde de persoon die in de buurt van de B. woont; - de eiser III woont in de V. A., zijnde in de onmiddellijke buurt van de B.; - de eiseres I.1 is gedurende het volledig gerechtelijk onderzoek consistent gebleven in haar verklaringen over de leidende rol van de eiser III, waarbij wordt verwezen naar haar herverhoor op 12 juli 2018, de confrontatie met de eiser III op 4 augustus 2018 en de behandeling van de zaak voor het hof van beroep in aanwezigheid van de eiser III op 18 september 2020; - het valt daarbij op dat de eiseres I.1 niet de indruk geeft om aan de eiser III een groter aandeel toe te kennen dan zijn werkelijk aandeel; - er is de inhoud van de uitgebreide verklaring van de medebeklaagde C.M. van 3 juli 2018, die verklaarde dat zijn vriend B.S. drugs verkocht, de eiser III de baas was van de vereniging met wie B.S. afrekende, tenzij de eiser III niet aanwezig was, in welk geval werd afgerekend met de eiseres I.1, die alles regelde en die de drugrunners aanstuurde; - daarbij valt op dat de medebeklaagde C.M. de woonplaats van de eiser III kon aanduiden, omdat hij enkele keren met B.S. naar Deurne is gereden, meer bepaald de T. (waarvan de A. een zijstraat is), waar ze parkeerden. Vervolgens ging B.S. naar de eiser III. B.S. heeft C.M. gezegd dat hij voor de eiser III werkte. De verklaring van C.M. is dus niet louter een verklaring van horen zeggen aangezien hij meerdere keren met zijn vriend B.S. mee op pad is gegaan om cocaïne te leveren; - in deze verklaring duidt de medebeklaagde C.M. de eiseres I.1 ("de Hollandse") aan als zijnde de vrouw die "alles regelt" en die reed met een witte Mercedes klasse A, die op Snapchat een account heeft onder de naam "M. I.", zijnde elementen die door de eiseres I.1 zelf worden bevestigd en dus correct zijn; - ook de bewering van C.M. dat de eiseres I.1 klanten steelt, dit wil zeggen deels voor eigen rekening werkt, blijkt correct te zijn en wordt door de eiseres I.1 zelf erkend in haar verhoor door de onderzoeksrechter op 3 juli 2018; - de bewering van de eiser III dat de medebeklaagde C.M. een voor hem belastende verklaring heeft afgelegd omdat die hem er altijd van verdacht heeft ooit een sim-kaart van hem te hebben gestolen, is totaal ongeloofwaardig; - er ligt evenmin enige indicatie voor, laat staan enig bewijs, dat de eiseres I.1 en de medebeklaagde C.M. hun verklaringen betreffende de eiser III op elkaar zouden hebben afgestemd en als het ware een complot tegen hem zouden hebben gesmeed; - er is verder de verklaring van S.Z. van 6 april 2018 die erkent dat hij cocaïne verkocht en dat hij de adressen waar er moest worden geleverd via Blackberry ontving. Er werd hem een voertuig Renault ter beschikking gesteld. Hij moest een zak met drugs ophalen uit een stadsvuilbak die op het "redbullpleintje" ter hoogte van de B./B. van de Azijn is gelegen. Dit betreft het pleintje aan de V. D., die uitkomt op de V. A., zijnde de woonplaats van de eiser III. Nadat de leveringen waren uitgevoerd, moest hij het voertuig met het geld in het dashboard in D. parkeren, hij moest dan de T. uitrijden en de voorlaatste straat aan de rechterzijde inrijden, zijnde vlak aan het "redbullpleintje", op een steenworp afstand van de woning van de eiser III; - de verklaring van de eiseres I.1, dat de runners en voornamelijk B.S. de cocaïne bij de eiser III moesten gaan halen, betekent niet noodzakelijk dat de runners naar de woning van de eiser III dienden te gaan. De verklaring van de eiseres I.1 vindt op dit punt bevestiging in de verklaring van de medebeklaagde C.M. en van S.Z., waaruit blijkt dat de overhandiging van de cocaïne gebeurde in de onmiddellijke omgeving van de woning van de eiser III, namelijk B./B. van de Azijn/T./het pleintje van de V. D., waarbij het dus niet noodzakelijk zo is dat de voorraad cocaïne bij de eiser III werd bewaard; - deze manier van werken verklaart overigens waarom er nagenoeg geen rechtstreeks contact was tussen de runners en de eiser III en waarom de runners geen beschrijving kunnen geven van de persoon van de eiser III; - deze werkwijze wordt tevens bevestigd door de drugrunner M.E. in zijn ver-klaring van 6 april 2018. Hij erkent dat hij als chauffeur van S.Z. is meegereden om cocaïne te gaan leveren op de adressen die via Blackberry werden doorgestuurd. Ze zijn zelfs cocaïne moeten gaan bijhalen aan het S., T., waarvan de V. A. een zijstraat is, waar S.Z. hem heeft afgezet omdat hij de persoon voor het bijhalen van de cocaïne niet mocht zien. S.Z. is dan verder met de auto de straat doorgereden en is dan cocaïne gaan bijhalen; - tijdens de huiszoeking in de woning van de eiser III op 3 oktober 2018 werden twee gsm-toestellen Blackberry aangetroffen, waarvan één in de jaszak van de jas van de eiser III, die in de gang hing, beide zonder sim-kaart. De bewering dat hij één van deze Blackberry's gekocht had "om naar Marokko te brengen" en de andere Blackberry door zijn grootmoeder wordt gebruikt, is niet geloofwaardig, te meer één van de twee Blackberry's in zijn jaszak werd aangetroffen en dus klaarblijkelijk voor eigen gebruik diende; - het gsm-toestel I-phone met oproepnummer 32489674555, dat de eiser III spontaan aan de speurders heeft gegeven als zijnde zijn gsm, blijkt op basis van de aangetroffen inhoud op deze gsm, niet in gebruik door de eiser III, maar wel door zijn zus. Het feit dat deze I-phone niet daadwerkelijk door de eiser III werd gebruikt, blijkt tevens uit de inhoud van bepaalde sollicitatiebrieven die hij heeft verstuurd waarin hij zelf het nummer 0485450399 opgeeft als zijnde zijn gsm-nummer waarop hij bereikbaar was; - de bewering van de eiser III dat hij de I-phone moest "delen" met zijn jongere zus omdat zijn eigen toestel stuk was gegaan, wordt duidelijk tegengesproken door de vaststelling dat de eiser III op datzelfde ogenblik de beschikking had over twee Blackberry's, waarvan hij in zijn verklaring geenszins voorhield dat deze niet zouden werken; - gelet op de vaststelling dat de simultane huiszoekingen van 3 juli 2018 bij de medebeklaagden werden uitgevoerd om 05.00 u 's ochtends en de huiszoeking in de woning van de eiser III slechts om 15.05 u in de namiddag, heeft de eiser III voldoende tijd gehad om de sim-kaarten uit de Blackberry's te verwijderen en mogelijk ander bezwarend bewijsmateriaal te doen verdwijnen; - de bewering van de eiser III dat hij zich "spontaan" naar de politie begaf om een verklaring af te leggen "nadat hij vernomen had dat er een huiszoeking bij hem had plaatsgevonden" dient sterk te worden genuanceerd, nu de huiszoeking plaats vond op 3 juli 2018, en de eiser III slechts één week later, namelijk op 10 juli 2018, zich aanbod bij de politie voor verhoor, nadat zijn raadsman op 9 juli 2018, zijnde zes dagen na de huiszoeking, telefonisch aan de politie had laten weten dat de eiser III een verklaring wenste af te leggen; - de getuige-afnemer herkende tijdens zijn verklaring van 16 juli 2018 in een hem voorgelegde fotoreeks de oorspronkelijke medebeklaagde B.S. als de persoon die kwam leveren in een zwarte Mercedes A-klasse 2 liter benzine met Franse nummerplaten. Hij kwam leveren in de Ijzerstraat in Melsele en hij was er nog over aan het opscheppen dat dit voertuig bijna een AMG was. De getuige-afnemer verklaarde dat hij B.S. maar één keer gezien heeft samen met de eiser III; - de eiser III stelde in zijn verklaring van 10 juli 2018 B.S. niet te kennen, zelfs niet nadat hem een foto van B.S. werd voorgelegd. De bewering van de eiser III dat hij B.S. niet zou kennen, is evenwel niet geloofwaardig en wordt tegengesproken door de gelijkluidende en onafhankelijk van elkaar afgelegde verklaringen van C.M. en de eiseres I.1 bij haar herverhoor en de confrontatie met de eiser III en de verklaring van de getuige-afnemer; - B.S. verklaarde op 2 september 2018 dat hij werd gedwongen door de eiseres I.1, aan wie hij nog geld verschuldigd was, om voor haar cocaïne te verkopen en dat volgens hem de gehele cocaïnehandel door de eiseres I.1 werd georganiseerd, zonder dat er nog iemand boven haar stond. Naar aanleiding van beweerde bedreigingen lastens B.S. tijdens een bezoek in de gevangenis, op een ogenblik dat de eiser III in dezelfde ruimte aanwezig was, werd de zus van B.S, zijnde B.A. gehoord. Uit haar verklaring blijkt evenwel dat de bewering van haar broer B.S. als zou hij louter werken voor de eiseres I.1, die de leider van de vereniging zou zijn, niet correct is. B.A. verklaarde immers dat haar broer haar had gezegd te werken voor een jongen, maar dat hij niet wou zeggen wie, er ook nog een meisje voor de jongen werkte en haar broer het geld aan de jongen diende te brengen. De verklaring van B.A. bevestigt dan ook dat de eiseres I.1 niet bovenaan in de hiërarchie van de vereniging stond maar dat er nog "een jongen" boven haar stond, voor wie B.S. werkte. Haar verklaring bevestigt op dit punt de verklaringen van de eiseres I.1 en de medebeklaagde C.M. over de hiërarchie en de werking van de vereniging. 13. Uit die redenen volgt onmiskenbaar en anders dan door de eiser III wordt aangevoerd dat de belastende verklaringen van de getuige betreffende de omstandigheid dat de eiser III en B.S. samen werden gezien in het kader van de verkoop van cocaïne door de vereniging, geenszins beslissend waren voor de beoordeling van de schuld van de eiser III door de appelrechters aan wat hem wordt ten laste gelegd. 14. Niettegenstaande het appelgerecht ten onrechte aanneemt dat de persoonlijke aanwezigheid van de eiser III voor de eerste rechter en voor het hof van beroep en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid om tegenspraak te voeren een compenserende factor oplevert voor het niet-horen van de getuige die voor de eiser III een belastende verklaring heeft afgelegd, verantwoorden de appelrechters via de toetsing van het niet-horen van de getuige à charge aan het eerste en tweede criterium de beslissing naar recht. Uit de redenen die het arrest wat betreft deze beide criteria bevat volgt dat zij wettig oordelen dat het niet-horen van de getuige op de rechtszitting het recht op een eerlijk proces van de eiser III in zijn geheel beschouwd en zijn recht van verdediging niet miskent. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat: - uit de verklaring van de getuige geenszins met zekerheid blijkt dat het samen gezien hebben van de eiser III en S.B. gebeurde in de context van een druglevering en dat de getuige hierover minstens zou moeten worden gehoord om dit uit te klaren; - de betrouwbaarheid van de verklaring van getuige in vraag moet worden gesteld, nu deze ertoe zou strekken dat de eiser III open en bloot betrokken zou zijn bij de drughandel en zelfs zou meerijden met drugkoeriers, daar waar de overige belastende verklaringen net doen uitschijnen dat de eiser III een stille criminele leider zou zijn die opereert achter de schermen en die er alles aan doet om geen zichtbare linken te doen ontstaan. 16. De verplichting elk vonnis of arrest met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op argumenten die enkel tot staving van een middel zijn aangewend, maar geen afzonderlijk middel vormen. 17. Met het geheel van redenen die het bevat betreffende het niet-horen van de getuige en die zijn vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, beantwoordt het arrest het bedoelde middel, zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die slechts tot staving van dit middel werden aangevoerd, zonder een zelfstandig middel te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 134,82 euro, waarvan de eiseressen I 47,14 euro zijn verschuldigd en de eiser II en III elk 43,84 euro zijn verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210504.2N.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170530.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210427.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.