id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht van de beklaagde om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces - Omvang - Beperking - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht van de beklaagde om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces - Omvang - Beperking - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 4 - 5 De door een vonnis bevolen onmiddellijke aanhouding van een beklaagde, maakt het die laatste niet onmogelijk persoonlijk aanwezig te zijn op zijn proces voor het appelgerecht, ook als hij daardoor het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd; de bepaling van artikel 6.3.c EVRM verzet zich niet tegen wettig opgelegde vrijheidsberovende maatregelen, ook al hebben ze tot gevolg dat de beklaagde naar aanleiding van zijn persoonlijke aanwezigheid op zijn proces van zijn vrijheid wordt beroofd en bovendien kan een beklaagde zijn vrijheidsberoving laten toetsen door het indienen van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling
(1).
(1)EHRM 23 juli 2020, nr. 37368/15,Chong t. Andorra. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - ONMIDDELLIJKE AANHOUDING Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht van de beklaagde om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6
.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Voorlopige hechtenis - Onmiddellijke aanhouding - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 6.3.c - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.0169.N I Y. M. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent. II
- F. C., beklaagde, eiser,
- A. T., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 november
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II.1 voert geen middel aan. De eiser II.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. Voor de eiser II.2 werd op 18 maart 2021 ter griffie een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser I in persoon zijn proces kon volgen, zodat hij niet afwezig was buiten zijn wil om, terwijl dit impliceert dat hij zich liet arresteren; het oordeelt verder dat hij steeds was vertegenwoordigd, terwijl dit geen afbreuk doet aan zijn recht om persoonlijk aanwezig te zijn; het oordeelt dat de eiser I op de rechtszitting kennis kon nemen van de mondelinge vordering van het openbaar ministerie en dat hem het laatste woord niet werd ontnomen, terwijl hij daardoor van zijn vrijheid zou worden beroofd; een uitstel van de zaak werd geweigerd rekening houdend met de concrete elementen van de gehele rechtspleging ten aanzien van alle beklaagden, waaronder de vereiste van een goede rechtsbedeling binnen een redelijke termijn, terwijl een weigering om uitstel te verlenen enkel kan betrekking hebben op de persoonlijke omstandigheden van de eiser I.
- Artikel 6.3.c EVRM bepaalt: "Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten: (...) zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist."
- Uit die bepaling, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsook uit het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces volgt dat een beklaagde het recht heeft om tegenwoordig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces en te beslissen of hij zichzelf zal verdedigen. De beklaagde moet zijn strafproces daadwerkelijk kunnen volgen en eraan deelnemen, als hij dat wenst. Hij moet overleg kunnen plegen met zijn raadsman, hem instructies kunnen geven, verklaringen afleggen en tegenspraak kunnen voeren over het bewijsmateriaal. De loutere omstandigheid dat de beklaagde zich kan laten vertegenwoordigen door een raadsman of effectief door een raadsman wordt vertegenwoordigd volstaat niet om hem de voormelde rechten te ontzeggen.
- Die rechten zijn evenwel niet absoluut. Indien een beklaagde de uitoefening van die rechten zelf onmogelijk maakt of indien de rechter van oordeel is dat rekening houdend met de concrete elementen van de gehele zaak zoals onder meer de redelijke termijn-vereiste en de gevolgen van het aanslepen van de zaak voor de betrouwbaarheid van het bewijs de behandeling van de strafvordering geen verder uitstel duldt, kan hij het verzoek van een beklaagde om persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak en zelf of samen met zijn raadsman verweer te voeren, afwijzen. De rechter moet in geval van afwijzing van een dergelijk verzoek wel erop toezien dat het recht op een eerlijk proces van die beklaagde rekening houdend met de gehele rechtspleging voldoende is gewaarborgd.
- De door een vonnis bevolen onmiddellijke aanhouding van een beklaagde, maakt het die laatste niet onmogelijk persoonlijk aanwezig te zijn op zijn proces voor het appelgerecht, ook als hij daardoor het risico loopt van zijn vrijheid te worden beroofd. De vermelde verdragsbepaling verzet zich immers niet tegen wettig opgelegde vrijheidsberovende maatregelen, ook al hebben ze tot gevolg dat de beklaagde naar aanleiding van zijn persoonlijke aanwezigheid op zijn proces van zijn vrijheid wordt beroofd. Bovendien kan een beklaagde zijn vrijheidsberoving laten toetsen door het indienen van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling.
- In zoverre het middel uitgaat van een ander rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt, eensdeels, dat de door de eiser I ingeroepen vrees om te worden aangehouden niet betekent dat hij in de onmogelijkheid zou verkeren om in persoon aanwezig te zijn op zijn proces voor het hof van beroep en dat rekening houdend met alle concrete elementen van de gehele rechtspleging, het hof van beroep moet vaststellen dat de eiser I te allen tijde over alle mogelijkheden beschikte om zijn verdediging adequaat te voeren en alle gewenste middelen naar voren te brengen, en, anderdeels, dat geenszins moet worden gewacht op een beslissing van het Grondwettelijk Hof wat het door de eiser I ingediende verzoekschrift tot vernietiging betreft, en dat de behandeling van de strafvordering ten gronde in de zaak, waarvoor een eventuele beslissing van het Grondwettelijk Hof overigens geen enkele relevantie heeft, bovendien geen verder uitstel duldt rekening houdend met de concrete elementen van de gehele rechtspleging ten aanzien van alle beklaagden, zoals onder meer de vereiste van een efficiënte en goede rechtsbedeling binnen een redelijke termijn. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing geen uitstel van behandeling van de zaak aan de eiser I toe te staan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest legt aan de eiser I de maximumstraf van tien jaar hoofdgevangenisstraf op en een geldboete van 5.000,00 euro; nochtans verwijzen de appelrechters bij het bepalen van de strafmaat uitdrukkelijk naar het strafrechtelijk verleden van de eiser I, zijnde zijn blanco strafregister en geven zij in algemene en vage termen te kennen dat een substantiële en effectieve hoofdgevangenisstraf op zijn plaats is; deze redenen zijn intrinsiek tegenstrijdig en dus niet nauwkeurig en objectief.
- Uit de enkele omstandigheid dat een beklaagde een blanco strafregister heeft, volgt niet dat de rechter hem niet de maximumstraf kan opleggen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het middel naar recht.
- De eiser I wordt met het arrest schuldig verklaard aan onder meer de telastleggingen D.1, D.3 en E, waarvoor krachtens artikel 2bis, § 3, b, Drugwet bij aanneming van verzachtende omstandigheden een hoofdgevangenisstraf van ten minste zes maanden en van ten hoogste tien jaar kan worden opgelegd, alsook facultatief een geldboete van 1.000,00 euro tot 100.000,00 euro.
- Tegenstrijdig zijn redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar teniet doen of opheffen. Het is niet tegenstrijdig de door het beroepen vonnis opgelegde hoofdgevangenisstraf te verzwaren tot tien jaar en een geldboete van 5.000,00 euro op te leggen en bij het bepalen van deze bestraffing in zijn geheel ook het blanco strafregister van de eiser I in aanmerking te nemen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde tegenstrijdigheid en is het niet ontvankelijk. Middel van de eiser II.2 Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 21bis en 57, § 1, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat geen enkele onregelmatigheid werd begaan bij het vergaren van de onderzoeksgegevens; nochtans werd informatie verkregen uit een ander gerechtelijk onderzoek te Dendermonde, dat door de eiser II.2 niet kon worden ingezien, terwijl uit het arrest noch uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat over de inzage in dit lopend gerechtelijk onderzoek te Dendermonde werd beslist door het openbaar ministerie of dat de toelating verleend door onderzoeksrechter G. werd goedgekeurd door het openbaar ministerie.
- Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter bij de beoordeling van de regelmatigheid van een inzage overeenkomstig artikel 21bis Wetboek van Strafvordering niet uitdrukkelijk vaststellen dat toelating werd verleend door het openbaar ministerie. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest beslist ten onrechte commissaris C of onderzoeker Z niet te horen als getuigen, aangezien deze beslissing gesteund is op de onwettige vaststelling dat de vermeende onregelmatigheden niet werden begaan, zoals blijkt uit de aanvoering in het eerste onderdeel.
- Het onderdeel dat geheel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen tegen de beslissingen op de strafvordering, verkrijgen deze beslissingen kracht van gewijsde. De cassatieberoepen ingesteld tegen de beslissingen waarbij eisers onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, hebben derhalve geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 93,01 euro, waarvan eiser I 44,85 euro is verschuldigd, en de eisers II 48,16 euro. euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 23 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160920.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240430.2N.18 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div