← België

T.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.2 Rolnummer: P.20.1189.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-25 Raadplegingen: 1438 - laatst gezien 2026-06-17 13:07 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210323.2N.2 Fiche Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die gelijktijdig aan dezelfde feitenrechter worden voorgelegd en die volgens de rechter de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken; de rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet voorziet die de zwaarste straf bepaalt; de rechter moet de andere hoofd- en bijkomende straffen buiten beschouwing laten, zoals de ontzetting uit rechten vermeld in artikel 382bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde rechten als bijkomende straf

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Collectief of voortgezet misdrijf - Eenheid van opzet - Toepassing van de zwaarste straf - Draagwijdte - Strengere bijkomende straf voor een minder zware telastlegging - Ontzetting uit bepaalde rechten wegens een veroordeling van verkrachting - Veroordeling wegens een misdaad waarop een zwaardere straf staat - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 382bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1189.N O.T., beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx en mr. Nathalie Goedertier, advocaten bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 november
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 3 februari 2021 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 23 maart 2021 heeft raadsheer Filip Van Volsem verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet op nauwkeurige wijze waarom aan de eiser geen probatie-uitstel wordt toegekend; het motiveert evenmin waarom de door de eerste rechter opgelegde gevangenisstraf van vijftien jaar onvoldoende beteugelend is en een straf van twintig jaar moet worden opgelegd; het arrest laat verder na te motiveren waarom de facultatieve bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank wordt opgelegd en het motiveert de duur van die straf niet; het motiveert ook niet waarom de door de eerste rechter niet uitgesproken bijkomende straffen van de ontzettingen van de in de artikelen 31, eerste en tweede lid, en 382bis Strafwetboek bedoelde rechten worden opgelegd en evenmin de duur van die ontzettingen.
  3. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, verplicht de rechter om de keuze voor straffen of maatregelen die de wet aan zijn vrije beoordeling laat, alsook de maat ervan, nauwkeurig te motiveren, zij het dat die motivering beknopt mag zijn.
  4. Uit artikel 149 Grondwet kan voor wat betreft de beslissing over de straftoemeting geen verdergaande motiveringsplicht worden afgeleid, behoudens hiertoe strekkende conclusie.
  5. Uit artikel 149 Grondwet noch uit de vermelde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering volgt dat het appelgerecht moet motiveren waarom het anders straft dan de eerste rechter. Het is noodzakelijk maar voldoende dat het appelgerecht de straffen en maatregelen die het zelf oplegt regelmatig met redenen omkleedt.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Artikel 31, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat bij een arrest van veroordeling tot een gevangenisstraf van twintig jaar tegen de veroordeelde een levenslange ontzetting van de in dat lid vermelde rechten wordt uitgesproken. Aangezien de met het arrest uitgesproken levenslange ontzetting van de in artikel 31, eerste lid, Strafwetboek bedoelde rechten verplicht is en dus niet aan de vrije beoordeling van de appelrechters is overgelaten wat betreft de keuze voor die straf en de maat ervan, moet het arrest het opleggen ervan niet motiveren overeenkomstig de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. Het arrest oordeelt dat bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden met de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden en de persoonlijkheid van de eiser en dat de op te leggen straf van aard moet zijn de eiser te beletten zich in de toekomst nog aan dergelijke feiten schuldig te maken. Het stelt vast dat de gepleegde feiten uitermate ernstig zijn gelet op hun aard, de veelheid ervan en de grote vanzelfsprekendheid waarmee de eiser ze heeft gepleegd. Het legt vervolgens uitgebreid uit waarom de gepleegde vermogens-, gewelds- en seksuele misdrijven uitermate ernstig zijn. Het arrest geeft aan dat aan het door de eiser bij herhaling gesteld crimineel, uitermate gewelddadig en pervers gedrag, dat vele slachtoffers maakte, zwaar wordt getild, dat de eiser op impulsieve en zeer agressieve wijze de bevrediging van zijn seksuele behoeften heeft nagestreefd en op geen enkel ogenblik oog had voor de traumatische impact van zijn daden en dat zijn zedelijk wangedrag niet alleen duidt op een vervaagd seksueel normbesef, maar ook op een totaal gebrek aan respect voor de fysische en psychische integriteit van zijn slachtoffers. Het arrest verwijst verder naar de gerechtelijke voorgaanden van de eiser en zijn persoonlijkheid zoals die blijkt uit het psychiatrisch deskundigenverslag en die het beschrijft.
  9. Op grond van die gegevens oordeelt het arrest dat zich ter bescherming van de maatschappij een effectieve en substantiële bestraffing opdringt met een substantiële gevangenisstraf. Een straf met (probatie-)uitstel wordt afgewezen omdat dit onvoldoende zou bijdragen tot de bewustwording van de eiser dat de door hem gepleegde feiten in een geordende en beschaafde samenleving absoluut onduldbaar zijn.
  10. Het arrest acht het met verwijzing naar de aard en de bijzondere ernst van de bewezenverklaarde feiten en ter bescherming van de maatschappij ook noodzakelijk om de eiser gedurende een termijn van vijftien jaar ter beschikking te stellen van de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij die duur een maximale preventie beoogt.
  11. Het arrest oordeelt bovendien dat gelet op de specifieke aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten ook een levenslange ontzetting van het in artikel 31, tweede lid, Strafwetboek bedoeld kiesrecht wordt opgelegd, die strekt tot een bijkomend preventief effect.
  12. Aldus vermeldt het arrest op nauwkeurige wijze de redenen voor de keuze voor de voormelde door de appelrechters uitgesproken straffen en maatregelen en hun maat die de wetgever aan hun vrije beoordeling overlaat en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel evenmin worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 65, eerste lid, en 382bis, eerste lid, Strafwetboek.
  13. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die gelijktijdig aan dezelfde feitenrechter worden voorgelegd en die volgens de rechter de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. De rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet voorziet die de zwaarste straf bepaalt. De rechter moet de andere hoofd- en bijkomende straffen buiten beschouwing laten.
  14. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan de feiten van de telastleggingen A (diefstal met verzwarende omstandigheden - inbreuk op de artikelen 461, 468, 471, 472 en 473 Strafwetboek), B1 en B2 (diefstal met verzwarende omstandigheden - inbreuk op de artikelen 461, 468, 471 en 472 Strafwetboek), C1 en C2 (diefstal met verzwarende omstandigheden - inbreuk op de artikelen 461, 468, 471 en 472 Strafwetboek), D1 en D2 (diefstal met verzwarende omstandigheden - inbreuk op de artikelen 468 en 472 Strafwetboek), E1 en E2 (verkrachting op een kwetsbaar persoon onder bedreiging van een wapen - inbreuk op de artikelen 375, eerste tot en met derde lid, en 376, derde lid, Strafwetboek), F (verkrachting onder bedreiging van een wapen - inbreuk op de artikelen 375, eerste tot en met derde lid, en 376, derde lid, Strafwetboek), G (aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging - inbreuk op de artikelen 373, eerste lid, en 376, derde lid, Strafwetboek), H (aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging op een minderjarige ouder dan 16 jaar, inbreuk op de artikelen 373, eerste en tweede lid, Strafwetboek) en I (bedreigingen door gebaren of zinnebeelden, inbreuk op artikel 329 Strafwetboek).
  15. De zwaarste straf voor al deze feiten samen is die welke is bepaald voor het feit omschreven onder de telastlegging A, namelijk na aanneming van verzachtende omstandigheden een gevangenisstraf van drie tot twintig jaar. Voor de feiten omschreven onder de telastlegging A kan niet de in artikel 382bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde ontzetting van rechten worden uitgesproken. De rechter kan immers voor het geheel van de bewezen verklaarde feiten geen hoofd- of bijkomende straffen opleggen welke zijn bepaald voor het feit van de telastlegging H, zoals de ontzetting van de in artikel 382bis Strafwetboek genoemde rechten waarin artikel 382, § 1, eerste lid, Strafwetboek voorziet.
  16. Het arrest dat lastens de eiser een ontzetting uitspreekt voor een termijn van twintig jaar van de in artikel 382bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde rechten, is niet naar recht verantwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  18. Gelet op de hierna uit te spreken verwerping van eisers cassatieberoep, behoudens wat betreft de vermelde ontzetting van de in artikel 382bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde rechten, verkrijgt het arrest kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de beslissing waarbij eisers onmiddellijke aanhouding is bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest maar enkel in zoverre het lastens de eiser voor een termijn van twintig jaar de ontzetting uitspreekt van de in artikel 382bis, eerste lid, Strafwetboek bedoelde rechten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten van zijn cassatieberoep. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 23 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210323.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.