id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.8 Rolnummer: P.20.1263.N Zaak: FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN c. LLO TRADING Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-03-25 Raadplegingen: 768 - laatst gezien 2026-06-17 04:53 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de artikelen 6, §§ 1 en 2, a, 7, § 1, a, ii), en 8, §§ 1, 2 en 4 Accijnswet volgt dat, wanneer goederen onder een accijnsschorsingsregeling zijn overgebracht vanuit een Belgisch belastingentrepot naar een plaats van bestemming in een andere lidstaat en de eiser aantoont dat zij daar niet zijn toegekomen, de rechter de afzender of entrepothouder in België enkel kan vrijstellen van het in artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 bepaalde vermoeden wanneer deze laatste ofwel aantoont dat de goederen wel degelijk op de plaats van bestemming zijn toegekomen, ofwel de plaats aantoont waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteert in de uitslag tot verbruik van de goederen. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Accijnzen - Onttrekking van accijnsgoederen aan de accijnsschorsingsregeling - Verzending van accijnsgoederen vanuit een belastingentrepot in België - Accijnsgoederen zijn niet toegekomen op de plaats van bestemming in een andere lidstaat - Vermoeden van een onregelmatigheid op de plaats van verzending - Weerlegging van het vermoeden door de afzender of entrepothouder in België - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 6, §§ 1 en 2, a - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 7, § 1, a,
- ii)- 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 8, §§ 1, 2 en 4 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1263.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen te Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, alsook bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, tegen 1. LLO TRADING nv, gefailleerde voor wie optreedt Daniël VAN INGELGEM in zijn hoedanigheid van curator, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 160, beklaagde, 2. MANAGEMENT & TRADING INTERNATIONAL bv, met zetel te 9140 Temse, Luxemburgstraat 20, beklaagde, met als raadsman mr. Jan Vanheule, advocaat bij de balie Brussel, 3. E.P.A.P., beklaagde, met als raadsman mr. Jan Vanheule, advocaat bij de balie Brussel, 4. L.T.D., beklaagde, met als raadsman mr. Ehrard Vermeulen, advocaat bij de balie Antwerpen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 november 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6, § 1 en § 2, a), en 8, § 4, van de wet van 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen (hierna Accijnswet 2009) en de artikelen 8.4 en 8.7 Burgerlijk Wetboek: het arrest spreekt de verweerders vrij van de telastleggingen van onttrekking van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling met betrekking tot 51 fictief aangezuiverde zendingen van ethylalcoholhoudende dranken en bier vanuit het belastingentrepot van de verweerster 1 naar Italiaanse belastingentrepots waar zij nooit zijn toegekomen en het verklaart de fiscale rechtsvordering van de eiser ongegrond; het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiser niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast om aan te tonen dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 zijn vervuld, waardoor er in België accijnzen dan wel verpakkingsheffingen zijn verschuldigd; het stond echter aan de verweerders om het vermoeden van artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 te weerleggen, dat is ingesteld ten behoeve van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending. 2. Artikel 6, § 1 en § 2, a, Accijnswet 2009 bepaalt: "§ 1. De accijnzen worden verschuldigd op het tijdstip van de uitslag tot verbruik in het land. De voorwaarden inzake de verschuldigdheid en het toepasselijk tarief zijn deze van kracht op de datum van de uitslag tot verbruik. § 2. Onder "uitslag tot verbruik" wordt verstaan:
- a)het onttrekken, met inbegrip van het onregelmatig onttrekken, van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling". Artikel 7, § 1, a, ii), Accijnswet 2009 bepaalt: "§ 1. De persoon gehouden tot voldoening van de verschuldigd geworden accijnzen is:
- a)met betrekking tot het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken als bedoeld in artikel 6, § 2, onder
- a):
- ii)in geval van een onregelmatigheid tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling in de zin van artikel 8, §§ 1, 2 en 4 : de erkend entrepothouder, de geregistreerde afzender of enig andere persoon die de in artikel 19, § 2, 2°, en 20, § 3, 1°, bedoelde zekerheid heeft gesteld (...)". Artikel 8, § 1, § 2 en § 4, Accijnswet 2009 bepaalt: "§ 1. Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling hier te lande een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), vindt de uitslag tot verbruik hier te lande plaats. § 2. Indien tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling hier te lande een onregelmatigheid is vastgesteld die resulteerde in uitslag tot verbruik van deze goederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), en er niet kan worden vastgesteld waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden wordt deze geacht hier te lande te hebben plaatsgevonden en op het tijdstip waarop de onregelmatigheid werd vastgesteld. § 4. Indien onder een accijnsschorsingsregeling overgebrachte accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen en er tijdens de overbrenging geen onregelmatigheid is vastgesteld die resulteerde in uitslag tot verbruik van de accijnsgoederen overeenkomstig artikel 6, § 2, onder a), wordt de onregelmatigheid geacht te hebben plaatsgevonden in de lidstaat van verzending en op het tijdstip van aanvang van de overbrenging. Indien dergelijke goederen werden verzonden vanuit een hier te lande gevestigd belastingentrepot of een geregistreerde afzender gaat de door de Koning aangewezen ambtenaar over tot invordering van de accijnzen volgens de tarieven van toepassing op de datum waarop de verzending is aangevangen overeenkomstig artikel 25, § 1, tenzij binnen een termijn van vier maanden te rekenen vanaf vorenvermelde datum aan de administratie wordt aangetoond dat de overbrenging overeenkomstig artikel 25, § 2, is geëindigd of dat is vastgesteld waar de onregelmatigheid plaatsvond. Indien de erkend entrepothouder of de geregistreerde afzender, niet op de hoogte was of mogelijk niet op de hoogte was van het feit dat de goederen niet ter bestemming zijn aangekomen, wordt hem een termijn van één maand, te rekenen vanaf het tijdstip van de verstrekking van die informatie door de administratie, gegund om het eindigen van de overbrenging overeenkomstig artikel 25, § 2, of de plaats waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, aan te tonen." Volgens artikel 25 Accijnswet 2009 vangt de overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling onder meer aan wanneer die goederen het belastingentrepot van verzending verlaten en eindigt ze onder meer op het tijdstip waarop de geadresseerde de accijnsgoederen in ontvangst heeft genomen. 3. Die bepalingen zijn genomen ter uitvoering van de artikelen 7.1 en 7.2.a, 8.1.a).2, 10.1, 10.2, 10.4 en 20 van de richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG. 4. Overweging 11 van die richtlijn bepaalt: "In geval van een onregelmatigheid dient de accijns verschuldigd te worden in de lidstaat waar de in de uitslag tot verbruik resulterende onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of, indien niet is vast te stellen waar de onregelmatigheid plaatsvond, in de lidstaat waar zij is geconstateerd. Indien de accijnsgoederen niet op hun plaats van bestemming zijn aangekomen en er geen onregelmatigheid is geconstateerd, dient ervan te worden uitgegaan dat er een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden in de lidstaat waar de accijnsgoederen zijn verzonden." 5. Hieruit volgt dat, wanneer goederen onder een accijnsschorsingsregeling zijn overgebracht vanuit een Belgisch belastingentrepot naar een plaats van bestemming in een andere lidstaat en de eiser aantoont dat zij daar niet zijn toegekomen, de rechter de afzender of entrepothouder in België enkel kan vrijstellen van het in artikel 8, § 4, Accijnswet 2009 bepaalde vermoeden wanneer deze laatste ofwel aantoont dat de goederen wel degelijk op de plaats van bestemming zijn toegekomen, ofwel de plaats aantoont waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden die resulteert in de uitslag tot verbruik van de goederen. 6. Het arrest (p. 11-22) leidt uit een geheel van feitelijke gegevens af dat de eiser met door hem bijgebrachte gegevens niet weerlegt dat de onregelmatigheid in Italië kan hebben plaatsgevonden, alsook dat de eiser niet voldoet aan de op hem rustende bewijslast om aan te tonen dat in België accijnzen dan wel verpakkingsheffingen verschuldigd zijn geworden. Aldus legt het de bewijslast van het niet bestaan van een hier bedoelde onregelmatigheid bij de eiser. Het spreekt evenwel niet tegen dat de goederen niet op hun plaats van bestemming zijn aangekomen. Bijgevolg schendt het de artikelen 6, § 1, en § 2, a), en 8, § 4, Accijnswet 2009. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Overige onderdelen 7. De onderdelen die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de eiser ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten op 401,89 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 23 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.8 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241112.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div