← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 Rolnummer: P.20.1161.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-03-25 Raadplegingen: 1394 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Een beklaagde die wil dat een getuige wordt gehoord in het bijzijn van de rechter die over zijn zaak oordeelt, moet dat duidelijk, precies en ondubbelzinnig vragen

(1); een onderzoeksdaad bestaande uit een confrontatie tussen een beklaagde en een getuige kan zowel worden uitgevoerd door de rechter ter rechtszitting als door een politiedienst na een verzoek daartoe van de rechter aan het openbaar ministerie; het enkele feit dat een beklaagde de rechter verzoekt om een dergelijke onderzoeksdaad, houdt dan ook niet in dat die rechter dat verzoek moet beoordelen aan de hand van de criteria voortvloeiend uit artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM
(2).
(1)Cass. 9 maart 2021, AR P.20.1144.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6, RO 20, AC 2021, nr. 167.
(2)Over deze criteria Cass. 13 oktober 2020, AR P.20.0254.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2, AC 2020, nr. 626, NC 2021, 49; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508, NC 2021, 46; Cass. 16 juni 2020, AR P.19.1263.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7, AC 2020, nr. 399; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73, met concl van advocaat-generaal R. MORTIER, NC 2017,
  1. Zie D. DE WOLF, “Het recht op horen van getuigen (à charge) na het arrest Al-Khawaja en Tahery van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”, in Strafrecht in breed spectrum, Brugge, Die Keure, 2014, 25-58; A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; C. VAN DEN WYNGAERT, Ph. TRAEST en S. VANDROMME, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Maklu, 2017, 766-768; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1398-
  2. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verzoek tot het horen van een getuige op de terechtzitting - Voorwaarden - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht op het doen ondervragen van getuigen - Verzoek tot het horen van een getuige op de terechtzitting - Voorwaarden - Wijze Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Recht op het doen ondervragen van getuigen - Verzoek tot het horen van een getuige op de terechtzitting - Voorwaarden - Wijze Fiche 4 Artikel 197 Strafwetboek bepaalt niet nader het gebruik van de valse akte of het valse stuk of de wijze van gebruik, het woord moet dus in zijn gewone betekenis worden verstaan, in die gewone betekenis is gebruik de materiële gedraging van het zich bedienen van de akte of het stuk om er een bepaald doel mee te bereiken; deze aanwending moet van die aard zijn dat ze een middel kan zijn om uitwerking te geven aan de valsheid
(1).
(1)Cass. 4 december 2019, AR P.19.0824.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.1, AC 2019, nr. 644; Cass. 13 januari 2009, AR P.08.0882.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090113.4, AC 2009, nr.
  1. Zie alg. F. VAN VOLSEM, “Valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken: soms één misdrijf, soms twee”, RABG 2006, 1492-1498; L. HUYBRECHTS, Fiscaal strafrecht, APR 2002, 144-145; L. DUPONT, “Valsheid in geschriften”, in Strafrecht voor rechtspractici, Acco, 1990, p.
  2. Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Gebruik van een valse akte of een vals stuk - Begrip Fiches 5 - 6 Een beklaagde kan alle wettelijke middelen aanwenden die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn recht van verdediging, zoals het vragen van uitstel van de behandeling van zijn zaak; de uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet om de implicaties daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de rechtspleging in haar geheel; de rechter kan dan ook op grond van de concrete omstandigheden die hij vaststelt, oordelen dat die houding van de beklaagde een langere duur van het onderzoek en de procedure heeft veroorzaakt zonder dat de totale duur van de behandeling van zijn zaak daardoor onredelijk is
(1); daarvoor is niet vereist dat de houding van de beklaagde niet medewerkend of obstructief was.
(1)Cass. 25 maart 2014, AR P.12.1890.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.9, AC 2014, nr. 237; Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0442.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.2, AC 2011, nr.
  1. Zie ook J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017,
  2. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht op een proces binnen een redelijke termijn - Vraag van de inverdenkinggestelde tot uitstel van behandeling - Beoordeling door het vonnisgerecht - Invloed Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een proces binnen een redelijke termijn - Onderzoeksgerechten - Regeling der rechtspleging - Vraag van de inverdenkinggestelde tot uitstel van behandeling - Beoordeling door het vonnisgerecht - Invloed Tekst van de beslissing Nr. P.20.1161.N E. R. J. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 21 oktober
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. In zoverre gericht tegen de vrijspraken voor de telastleggingen B.1, B.2, C.1, C.2, D.1, D.2 en D.4, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.a EVRM en de artikelen 145, 189 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastlegging A zoals het die heromschrijft (als arts de geneeskunde te hebben uitgeoefend tijdens de duur van de hem opgelegde schorsing); daarbij wijzigt het zonder verwittiging de incriminatieperiode naar de periode van 6 mei 2012 tot en met 4 augustus 2012, terwijl die periode volgens de verwijzingsbeschikking en de heromschrijving van de telastlegging door het beroepen vonnis liep van 19 mei 2012 tot en met 19 augustus 2012; daardoor zijn huisbezoeken van de eiser bij patiënt T. op 10, 11, 12 en 14 mei 2012 strafbaar geworden terwijl dat aanvankelijk niet het geval was en wordt de eiser vervolgd voor andere dan de aanhangig gemaakte feiten; minstens is bij gebrek aan verwittiging eisers recht van verdediging miskend.
  6. De akte van aanhangigmaking maakt bij de correctionele rechtbank niet de daarin vervatte kwalificatie aanhangig, maar wel de feiten zoals ze blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan deze akte ten grondslag liggen. Die kwalificatie is voorlopig en de rechtbank heeft de plicht om, mits eerbiediging van het recht van verdediging van de partijen, aan de feiten hun juiste omschrijving te geven. Daartoe behoort het bepalen van de juiste incriminatieperiode.
  7. Op grond van de gegevens van de akte van aanhangigmaking en van het strafdossier oordeelt de rechter onaantastbaar of de feiten die hij onder de verbeterde omschrijving bewezen verklaart, werkelijk deze zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolgingen of daaraan ten grondslag liggen.
  8. Wanneer de rechter de incriminatieperiode van een telastlegging aanpast, kan dit tot gevolg hebben dat data gaan behoren tot die periode terwijl dat vóór de aanpassing niet uitdrukkelijk het geval was. Uit wat voorafgaat, blijkt dat de rechter zich daardoor niet gelast met nieuwe feiten. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Ook het beroepen vonnis heeft bij de heromschrijving van de telastlegging A de aanvangsdatum daarvan bepaald op 6 mei
  10. Aldus was de eiser wel degelijk verwittigd van die aanvangsdatum en kon hij zich desbetreffend verdedigen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het beroepen vonnis en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 27, § 1, van het koninklijk besluit nr. 79 van 10 november 1967 betreffende de Orde der artsen: het arrest veroordeelt de eiser wegens het uitoefenen van de geneeskunde op 10, 11, 12 en 14 mei 2012 omdat het ten onrechte ervan uitgaat dat de aan de eiser opgelegde schorsingen zijn ingegaan op 6 mei 2012, dit is na het verstrijken van een termijn van dertig vrije dagen vanaf de datum van de arresten van 5 april 2012 waarbij zijn cassatieberoepen tegen die tuchtsancties werden verworpen; de tenuitvoerlegging van de tuchtstraf gaat in werkelijkheid pas in na het verstrijken van een termijn van dertig vrije dagen vanaf de kennisgeving van het arrest waarbij de voorziening in cassatie wordt afgewezen, dit is op 19 mei
  12. Het arrest (p. 20-21) steunt eisers schuldigverklaring aan de telastlegging A niet enkel op het feit dat hij op 10, 11, 12 en 14 mei 2012 daden van geneeskunde heeft gesteld bij patiënt T., maar ook op zijn tweewekelijkse huisbezoeken op zondag bij het gezin van E.B., die hebben voortgeduurd tijdens de ganse heromschreven incriminatieperiode van 6 mei 2012 tot en met 4 augustus
  13. Het onderdeel berust op een onvolledige lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastleggingen A, C.3, C.4 (valsheden) en D.3 (gebruik van een vals stuk) zonder te antwoorden op het verweer in eisers persoonlijke appelconclusie dat de verklaringen van E.B., J.J. en M.D. onjuist zijn, noch op het in die conclusie opgenomen verzoek tot het uitvoeren van bijkomend onderzoek en tot het voorleggen van stukken; nochtans blijkt uit niets dat die conclusie uit het debat werd geweerd.
  15. Het arrest (p. 20-22) oordeelt met betrekking tot de telastlegging A dat: - door de geloofwaardige en consistente verklaring van E.B. bewezen is dat de eiser in 2012, en meer specifiek in de periode van 6 mei 2012 tot en met 4 augustus 2012, tweewekelijks op zondag op consultatiebezoek is geweest; - de door de eiser gevraagde voeging van de geneesmiddelenvoorschriften niet relevant is vermits E.B. zestien geneesmiddelenvoorschriften heeft voorgelegd waaruit blijkt dat de eiser totaal onleesbare data vermeldde en hierdoor geen afbreuk wordt gedaan aan de consistente en geloofwaardige verklaring van E.B.; - door de geloofwaardige en consistente verklaring van J.J. bewezen is dat de eiser al lang de huisarts was van de familie J. en om de veertien dagen op huisbezoek kwam bij dit gezin, ook in de periode mei tot augustus 2012; - de verklaringen van E.B. en J.J. met elkaar overeenstemmen voor wat betreft het tweewekelijkse huisbezoek. Het arrest (p. 29-31) oordeelt met betrekking tot de telastleggingen C.3 en D.3 dat: - de stelling van de eiser dat de thuisverpleegster M.D. effectief op 10 februari 2015 op zijn kabinet is langsgegaan, waar het voorschrift dat de datum 30 november 2014 vermeldde reeds klaarlag, en dat hij dat voorschrift zonder te antidateren aan haar heeft overhandigd, ongeloofwaardig is omdat het geen doktersvoorschrift betreft maar een attest van thuisverpleging dat door een arts moet worden ondertekend; - een sms voorligt van begin februari 2015 van M.D. aan de eiser met het volgende bericht: "ik ben de thuisverpleger van [...]. Onlangs heb ik een voorschriftje voor verzorging verstuurd naar u. Kun je me dat zo vlug mogelijk terugsturen. Gegevens die erop moeten zijn: Datum voorschrift: 30 nov 2014 Datum begin 1 jan 2015 Datum einde: 30 juni 2015 Dagelijks vernieuwen van wiek. Groetjes [M.D.]"; - uit de verklaring van M.D. blijkt dat zij een nieuw attest voor thuisverpleging opstelde met dezelfde data, waarna zij dit attest op 10 februari 2015 aan de eiser overhandigde, waarop deze laatste het tekende en daarop als datum "30 november 2014" vermeldde. Het arrest (p. 31-32) oordeelt met betrekking tot de telastlegging C.4 dat: - de getuigschriften gedateerd door de eiser op 1 december 2014 en 2 december 2014 zich in het strafdossier bevinden; - de verklaring van J.J. consistent en geloofwaardig is en daaruit blijkt dat de eiser de twee getuigschriften voor verstrekte hulp heeft geantidateerd; - 1 december 2014 een maandag was en 2 december 2014 een dinsdag, terwijl de eiser steeds op donderdag om de veertien dagen op huisbezoek kwam en de donderdagen in december 2014 op 4, 11, 18 en 25 december vielen waardoor er manifest sprake is van een antidatering.
  16. Met die redenen geeft het arrest te kennen dat geen bijkomend onderzoek noch verdere voorlegging van stukken is vereist voor de beoordeling van de schuld van de eiser aan de vermelde telastleggingen en beantwoordt het zijn verweer, zonder dat het moet antwoorden op alle argumenten die hij enkel heeft aangevoerd tot staving van dat verweer, maar die geen zelfstandig verweer uitmaakten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  17. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM: het arrest verwerpt het in eisers persoonlijke conclusie geformuleerde verzoek om te worden geconfronteerd met J.J.; het oordeelt dat de politie de eiser reeds concreet met de verklaring van J.J. heeft geconfronteerd; aldus toetst het dat verzoek niet aan de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vooropgestelde criteria voor het al dan niet horen van de getuige ter rechtszitting.
  19. Een beklaagde die wil dat een getuige wordt gehoord in het bijzijn van de rechter die over zijn zaak oordeelt, moet dat duidelijk, precies en ondubbelzinnig vragen. Een onderzoeksdaad bestaande uit een confrontatie tussen een beklaagde en een getuige kan zowel worden uitgevoerd door de rechter ter rechtszitting als door een politiedienst na een verzoek daartoe van de rechter aan het openbaar ministerie. Het enkele feit dat een beklaagde de rechter verzoekt om een dergelijke onderzoeksdaad, houdt dan ook niet in dat die rechter dat verzoek moet beoordelen aan de hand van de in het onderdeel vermelde criteria.
  20. Eisers persoonlijke appelconclusie vermeldt: "En tenslotte sta mij in mijn recht van verdediging een confrontatie toe met [J.J.]. Deze onderzoeksdaad, alhoewel door mij alsdan aan de politie gevraagd is nooit gebeurd!". Deze vraag is niet hernomen in het dictum van die conclusie.
  21. Met dat verzoek heeft de eiser aan de appelrechters niet duidelijk, precies en ondubbelzinnig gevraagd om in hun bijzijn of ter rechtszitting met J.J. te worden geconfronteerd. De appelrechters konden dat verzoek dan ook wettig verwerpen met het oordeel dat de eiser reeds concreet was geconfronteerd met de verklaring van J.J., wat impliceert dat zij de gevraagde confrontatie niet nodig vonden met het oog op de waarheidsvinding. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel Tweede onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen C.3 en C.4, maar beantwoordt niet zijn verweer dat hij steeds heeft beschikt over het vereiste visum omdat de intrekking ervan retroactief is vernietigd door de Raad van State, zodat hij niet het vereiste opzet had om een voordeel op te strijken dat hij zonder de valsheden niet zou hebben gehad en evenmin het oogmerk had om schade te berokkenen; bijgevolg is ook eisers veroordeling voor de telastlegging D.3, dat bestaat uit het gebruik van het valse stuk vermeld in de telastlegging C.3, niet naar recht verantwoord.
  23. Het arrest oordeelt dat: - in verband met de telastleggingen C.2 en D.2 de eiser niet wordt vervolgd voor het antidateren van attesten of voorschriften tot vóór 3 december 2014, maar enkel voor "het opmaken van attesten en voorschriften in zijn hoedanigheid van arts" terwijl hij in de periode van 3 december 2014 tot en met 10 februari 2015 niet gerechtigd zou zijn deze titel te voeren en niet dergelijke stukken kon afleveren. Door de terugwerkende kracht van de vernietigingsarresten van de Raad van State moet de eiser evenwel worden geacht in die periode zijn visum te hebben behouden en de titel van arts te hebben mogen voeren, zodat er geen sprake is van een valsheid of het gebruik van een vals stuk zoals omschreven in de telastleggingen C.2 en D.2 (p. 28-29); - onder de telastleggingen C.3 en C.4 de eiser wordt vervolgd voor het antidateren van een attest thuisverpleging dat hij effectief opmaakte op 10 februari 2015 en dagtekende op 30 november 2014 (C.3) en het antidateren van de getuigschriften die de eiser dagtekende op 1 en 2 december 2015, maar effectief opmaakte na 3 december 2014 en vóór 1 januari 2015 (C.4) (p. 29-32); - er valsheid in geschriften is wanneer in een geschrift door de wet beschermd, de waarheid wordt vervalst of vermomd, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, waaruit een mogelijk nadeel kan ontstaan (p. 24); - er geen betwisting kan bestaan over het feit dat geneesmiddelenvoorschriften, getuigschriften voor verstrekte hulp en een attest thuisverpleging uitgeschreven, opgesteld of ingevuld door een arts, geschriften zijn die zich aan het openbaar vertrouwen opdringen, vermits de overheid of een particulier die er kennis van neemt of aan wie het wordt voorgelegd, overtuigd kan worden van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in het geschrift vastgelegd of kan gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten; - uit het onderzoek van de stukken van het strafdossier en het debat vast komt te staan dat de feiten van de antidatering en het gebruik van het stuk zoals omschreven in de telastleggingen C.3, D.3 en C.4 lastens de eiser bewezen zijn (p. 29-32). Voor wat meer specifiek het bedrieglijk opzet betreft, oordeelt het arrest eveneens dat: - het bedrieglijk opzet van de antidatering erin bestond om consultaties te kunnen verrichten tijdens de schorsing zodat de eiser daarvoor een honorarium kon opstrijken en zijn patiënten geld konden terugkrijgen via het ziekenfonds (p. 24); - er ook sprake is van een onrechtmatig voordeel als iemand zich door vermomming van de waarheid poogt te onttrekken aan de toepassing van een gedragsvoorschrift, al bestaat de mogelijkheid om op een door de wet toegelaten wijze hetzelfde resultaat te bereiken (p. 24).
  24. Met die redenen oordeelt het arrest dat de retroactieve werking van de vernietigingsarresten van de Raad van State weliswaar tot gevolg heeft dat de medische attesten die de eiser heeft opgesteld in de periode van de nadien vernietigde intrekking van zijn visum niet vals zijn, maar dat dit niet de valsheid belet bestaande uit het antidateren van medische attesten, ook al is nadien vastgesteld dat de met die valsheden beoogde voordelen louter denkbeeldig waren. Aldus beantwoordt het eisers verweer, zonder dat het moet antwoorden op alle tot staving daarvan aangevoerde argumenten die geen zelfstandig verweer uitmaakten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  25. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging zijn afgeleid uit de vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Eerste en derde onderdeel
  26. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen C.3 en C.4, maar beantwoordt niet zijn verweer dat uit de feiten geen nadeel kon ontstaan gezien de retroactieve vernietiging van de intrekking van zijn visum; aldus is ook eisers veroordeling voor de telastlegging D.3, dat bestaat uit het gebruik van het valse stuk vermeld in de telastlegging D.3, niet naar recht verantwoord. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 196 en 197 Strafwetboek, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastleggingen C.3 en C.4 wegens het plegen van valsheid in geschriften zonder te vermelden waarin het mogelijk nadeel concreet bestaat, ondanks het uitdrukkelijke verweer vanwege de eiser.
  27. Met de redenen vermeld in het tweede onderdeel beoordeelt het arrest eisers verweer over de retroactieve werking van de vernietigingsarresten van de Raad van State in het licht van zowel het vereiste bedrieglijk opzet als het vereiste mogelijke nadeel. Meer bepaald geeft het met de beschrijving van eisers bedrieglijk opzet te kennen dat het mogelijke nadeel van de antidatering erin bestaat dat medische of paramedische prestaties moesten worden betaald of worden terugbetaald door een derde-betaler, terwijl de vereisten daarvoor niet waren vervuld. Aldus beantwoordt het eisers verweer en preciseert het het mogelijke nadeel dat uit de valsheden kon ontstaan, zonder dat het specifiek moest ingaan op eisers desbetreffende verweer. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
  28. De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging zijn afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk. Vierde onderdeel
  29. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de regels van de motivering in strafzaken en het recht van verdediging: enerzijds oordeelt het arrest dat het bedrieglijk opzet van de antidatering erin bestond dat de eiser ongemerkt consultaties zou kunnen verrichten tijdens zijn schorsing zodat hij daarvoor een honorarium kon opstrijken en zijn patiënten geld konden terugkrijgen via het ziekenfonds; anderzijds oor-deelt het dat voor wat betreft de periode van schorsing de vernietigingsarresten van de Raad van State terugwerkende kracht hebben waardoor men moest handelen alsof het visum van de eiser nooit werd ingetrokken en de eiser aldus gerechtigd was de titel van arts te voeren; aldus is eisers schuldigverklaring aan de telastleggingen C.3, C.4 en D.3 tegenstrijdig gemotiveerd.
  30. Met de redenen vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel oordeelt het arrest, eensdeels, dat de retroactieve werking van de vernietigingsarresten van de Raad van State geen afbreuk doet aan de valsheid die specifiek bestaat in het antidateren van medische attesten om te laten uitschijnen dat deze dateerden van vóór de intrekking van het visum en, anderdeels, dat het denkbeeldige karakter van het aldus beoogde voordeel, dat uit deze arresten volgt, die valsheid niet belet. Die redenen zijn niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  31. Het middel voert schending aan van artikel 197 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser wegens de telastlegging D.3, namelijk het gebruik van een vals stuk; het louter overhandigen door de eiser van een geantidateerd attest van thuisverpleging aan de thuisverpleegster, die het zelf moet aanwenden opdat zij honorarium zou krijgen voor de uitvoering van haar prestaties, maakt geen daad van gebruik door de eiser uit.
  32. Artikel 197 Strafwetboek bepaalt niet nader het gebruik van de valse akte of het valse stuk of de wijze van gebruik. Het woord moet dus in zijn gewone betekenis worden verstaan. In die gewone betekenis is gebruik de materiële gedraging van het zich bedienen van de akte of het stuk om er een bepaald doel mee te bereiken. Deze aanwending moet van die aard zijn dat ze een middel kan zijn om uitwerking te geven aan de valsheid.
  33. Wanneer een verstrekker van paramedische zorgen slechts voor zijn prestaties kan worden vergoed door een derde-betaler indien hij beschikt over een door een arts ondertekend attest en de arts dit attest antidateert en dus vervalst om te laten uitschijnen dat hij het heeft ondertekend vóór de periode waarin hij dacht geen daden van geneeskunde meer te mogen stellen, dan kan de rechter oordelen dat de overhandiging van dit attest door de arts aan de zorgverstrekker, opdat deze het ter betaling kan voorleggen aan de derde-betaler, een daad van gebruik van dat valse stuk uitmaakt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel
  34. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging in strafzaken. Eerste onderdeel
  35. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de redelijke termijn niet is miskend; de redelijke termijn is overschreden wegens de houding van de gerechtelijke instanties; het arrest stelt immers vast dat er sprake is van noemenswaardige periodes van stilstand, waaronder een periode van vijftien maanden bij de mededeling van het dossier door de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie en een periode van drie en een halve maand bij het opmaken van de verwijzingsvordering door het openbaar ministerie.
  36. De rechter oordeelt in elke zaak afzonderlijk en aan de hand van de bijzondere omstandigheden ervan of er binnen een redelijke termijn is beslist over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde overheden, alsook het belang van de zaak voor die partijen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de procedure in haar geheel. Een vertraging in een bepaalde fase of meerdere fasen van de procedure verplicht dan ook niet noodzakelijk tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
  37. De rechter oordeelt in het licht van alle of bepaalde van de voormelde criteria onaantastbaar of de redelijke termijn is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  38. Het arrest (p. 10-14) oordeelt dat: - het dossier aanvangt met een brief van 4 mei 2012 uitgaande van de fod Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu waarin de geneesheer inspecteur directeur van het RIZIV op de hoogte wordt gebracht dat er op 21 februari 2011 twee beslissingen lastens de eiser zijn uitgesproken, waartegen de cassatieberoepen zijn verworpen; - het een omvangrijk dossier betreft waarbij het onderzoek een tijdrovend karakter heeft gehad en zeer regelmatig opeenvolgend en ononderbroken kantschriften zijn uitgestuurd en onderzoeksopdrachten zijn uitgevoerd; - de eiser van zijn vrijheid is benomen en is verhoord op 12 februari 2015, datum waarop de redelijke termijn is beginnen lopen omdat de eiser daardoor kennis ervan kreeg dat er een gerechtelijk onderzoek tegen hem liep; - na het laatste kantschrift van de onderzoeksrechter van 2 juni 2015 en de daaropvolgende laatste onderzoeksdaad in het proces-verbaal van 3 juni 2015 het dossier slechts werd meegedeeld op 21 september 2016, zodat er tussen die twee data een noemenswaardige stilstand is geweest van vijftien maanden die niet aan de eiser te wijten is; - de verwijzingsvordering van de procureur des Konings dateert van 5 januari 2017, zodat er vanaf de vermelde mededeling van het dossier een noemenswaardige stilstand is geweest van 3,5 maanden, wat niet aan de eiser te wijten is; - de eiser op 9 februari 2017 voor de raadkamer werd opgeroepen voor de verdere regeling van de rechtspleging op de rechtszitting van 18 april 2017; - de eiser achtereenvolgens op zeven rechtszittingen van de raadkamer om uitstel vroeg en de beschikking tot verwijzing is gewezen op 3 april 2018; - het feit dat de procedure van regeling tot rechtspleging nagenoeg één jaar heeft geduurd eerder te wijten is aan de eiser, zonder noemenswaardige stilstand uitgelokt door het openbaar ministerie; - er in de verdere procedure geen noemenswaardige stilstand meer is geweest; - de procedure in eerste aanleg bijna tien maanden heeft geduurd zonder noemenswaardige stilstand uitgelokt door het openbaar ministerie; - de procedure voor het hof van beroep nog geen zes maanden heeft geduurd zonder noemenswaardige stilstand uitgelokt door het openbaar ministerie; - de redelijke termijn in dit dossier van vijf jaar en bijna acht en een halve maand, zelfs met de stilstand gedurende een jaar en zes en een halve maand, wat enigszins gecompenseerd wordt door de houding van de eiser tijdens de regeling van de rechtspleging die bijna één jaar duurde, niet is overschreden. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de redelijke termijn hier niet is overschreden, zonder dat het verplicht is het tegendeel af te leiden uit louter de vermelde periodes van stilstand die het als noemenswaardig bestempelt. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  39. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte periodes van inactiviteit door de gerechtelijke overheden compenseert met de houding van de eiser in een andere periode, namelijk deze waarin de regeling van de rechtspleging herhaaldelijk is uitgesteld; het stelt geen oorzakelijk verband vast tussen de houding van de eiser en de overschrijding van de redelijke termijn, evenmin verwijt het hem een gebrek aan medewerking of een obstructieve houding; een verzoek tot uitstel kan niet spelen in het nadeel van een vervolgde partij.
  40. Een beklaagde kan alle wettelijke middelen aanwenden die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn recht van verdediging, zoals het vragen van uitstel van de behandeling van zijn zaak. De uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet om de implicaties daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de rechtspleging in haar geheel. De rechter kan dan ook op grond van de concrete omstandigheden die hij vaststelt, oordelen dat die houding van de beklaagde een langere duur van het onderzoek en de procedure heeft veroorzaakt zonder dat de totale duur van de behandeling van zijn zaak daardoor onredelijk is. Daarvoor is niet vereist dat de houding van de beklaagde niet medewerkend of obstructief was. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  41. Het arrest oordeelt: "In die omstandigheden is het hof (van beroep) van oordeel dat de redelijke termijn in dit dossier van 5 jaar en bijna 8,5 maanden - zelfs met de bovenvermelde stilstand gedurende 1 jaar en 6,5 maanden, wat enigszins gecompenseerd wordt door de houding van [de eiser] tijdens de regeling van de rechtspleging wat bijna één jaar heeft geduurd - niet is overschreden." Daarmee oordeelt het arrest dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak van de eiser niet is overschreden, rekening houdend met alle concrete omstandigheden van het geval en meer bepaald met de periodes van stilstand die al dan niet aan de eiser te wijten waren. Met die redenen en deze vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  42. In zoverre het onderdeel de specifieke vermelding in het arrest over de compensatie tussen periodes van stilstand bekritiseert, is het gericht tegen een overtollige reden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  43. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de redelijke termijn niet werd miskend; bijzondere aandacht voor de termijn is vereist als de procedure pas een aanvang neemt lange tijd, in casu twee jaar, na de feiten; de appelrechters hebben ten onrechte de periode van inactiviteit door de gerechtelijke overheden gecompenseerd met de houding van de eiser gedurende de procedure van de regeling van de rechtspleging die pas heeft plaatsgevonden na de reeds ontstane periode van inactiviteit door de gerechtelijke overheden; deze vertraging in de procedure van regeling van de rechtspleging staat niet in oorzakelijk verband met de vooraf opgetreden noemenswaardige vertraging door de gerechtelijke overheden die niet te wijten was aan de eiser.
  44. De periode verlopen tussen de vervolgde feiten en de aanvang van de redelijke termijn heeft geen impact op de beoordeling van die termijn. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  45. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het tweede onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  46. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 23 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090113.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.9 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191204.2F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200616.2N.7 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201013.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.7 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.