← België

V. contra GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210319.1N.7 Rolnummer: C.20.0342.N Zaak: V. contra GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-08-18 Raadplegingen: 1752 - laatst gezien 2026-06-18 20:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het gezag van gewijsde in strafzaken verbiedt de rechter bij wie de latere burgerrechtelijke vordering aanhangig is gemaakt, om hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist over een element dat aan zowel de strafvordering als de burgerrechtelijke vordering ten grondslag ligt, ter betwisting te stellen

(1).
(1)Zie Cass. 4 mei 2017, AR C.16.0187.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170504.3, AC 2017, nr. 310; Cass. 24 april 2009, AR C.07.0120.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.6, AC 2009, nr. 275; Cass. 14 juni 2006, AR P.06.0073.F ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060614.14., AC 2006, nr. 330. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Strafzaken Vrije woorden: Eerbiediging - Element ten grondslag aan zowel de strafvordering als de burgerrechtelijke vordering - Taak van de rechter Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het gezag van gewijsde in strafzaken - Element ten grondslag aan zowel de strafvordering als de burgerrechtelijke vordering - Taak van de rechter Fiche 3 De partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en vervolgens is betrokken in een burgerlijk proces, kan voor de burgerlijke rechter het bewijs genieten dat door een derde ten aanzien van het strafproces wordt geleverd tot weerlegging van een element dat aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag ligt
(1).
(1)GwH 14 februari 2019, nr.24/
  1. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Strafrechtelijk veroordeelde - Daaropvolgend burgerlijk proces - Genot van strafrechtelijk bewijs voor de burgerlijke rechter - Draagwijdte Fiches 4 - 5 Een abusieve invordering van de dwangsom kan voorhanden zijn zowel van bij de aanvang als vanaf een later tijdstip; in dat laatste geval kan het herleiden van het misbruikte recht tot zijn normale uitoefening slechts vanaf dat tijdstip gebeuren. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: Dwangsom - Abusieve invordering - Herleiding - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Abusieve invordering - Herleiding - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quinquies - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0342.N
  2. E. V., in eigen naam en in de hoedanigheid van rechtsopvolger van wijlen G. V.,
  3. D. V., in eigen naam en in de hoedanigheid van rechtsopvolger van wijlen G. V.,
  4. T. V., in eigen naam en in de hoedanigheid van rechtsopvolger van mevrouw G. V.,
  5. C. V., in eigen naam en in de hoedanigheid van rechtsopvolger van mevrouw G. V., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR VAN DE AFDELING HANDHAVING, met kantoor te 3000 Leuven, Diestsepoort 6, bus 71, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 10 december 2019, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 11 januari
  6. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  7. Het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het gezag van gewijsde in strafzaken verbiedt de rechter bij wie de latere burgerrechtelijke vordering aanhangig is gemaakt, om hetgeen de strafrechter zeker en noodzakelijk heeft beslist over een element dat aan zowel de strafvordering als de burgerrechtelijke vordering ten grondslag ligt, ter betwisting te stellen.
  8. De partij die tijdens een strafproces is veroordeeld en vervolgens is betrokken in een burgerlijk proces, kan voor de burgerlijke rechter het bewijs genieten dat door een derde ten aanzien van het strafproces wordt geleverd tot weerlegging van een element dat aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag ligt.
  9. Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat het hof van beroep te Brussel als strafrechter-dwangsomrechter bij arrest van 16 december 2008 in het raam van een procedure met toepassing van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek vaststelt en oordeelt dat: - de eerste eiser en zijn echtgenote de onwettigheid inroepen van het ministerieel besluit van 12 oktober 1992 waarbij het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de bouwvergunning van de Bestendige Deputatie werd ingewilligd; - de eerste eiser en zijn echtgenote zodoende als dwangsomveroordeelden tot een herstelmaatregel opwerpen dat zij over een wettige vergunning beschikken voor de litigieuze bouwwerken, namelijk de bouwvergunning van de Bestendige Deputatie; - de exceptie van onwettigheid tot de reeds eerder door het hof van beroep te Brussel als strafrechter-dwangsomrechter beoordeelde betwisting behoort daar waar het hof van beroep bij arrest van 17 juni 2002 met bevestiging van het beroepen vonnis van 17 mei 2000 deze exceptie, hoewel de eerste eiser en zijn echtgenote die toen niet expliciet hebben opgeworpen, impliciet heeft verworpen omdat het hof van beroep als feitenrechter verplicht was de wettigheid van het ministerieel besluit van 12 oktober 1992 ambtshalve na te gaan; - de exceptie van onwettigheid betrekking heeft op de grond van de zaak en meer precies de vraag of de eerste eiser en zijn echtgenote al dan niet zonder vergunning bouwwerken hebben opgericht en in stand gehouden; - het hof van beroep te Brussel als strafrechter-dwangsomrechter bij arrest van 17 juni 2002 dienaangaande definitief oordeelde door de eerste eiser en zijn echtgenote te veroordelen voor de oprichting van bouwwerken zonder wettige vergunning; - er gezag van gewijsde toekomt aan de dwangsomveroordeling van de eerste eiser en zijn echtgenote tot een herstelmaatregel omdat zij bouwwerken hebben opgericht zonder wettige vergunning, waarbij het hof van beroep te Brussel als strafrechter-dwangsomrechter de onwettigheid van het ministerieel besluit van 12 oktober 1992 heeft verworpen.
  10. De appelrechters oordelen in het bestreden arrest als burgerlijke executierechters dat: - er gezag van gewijsde toekomt aan voormeld arrest van 16 december 2008, waarbij het hof van beroep te Brussel als strafrechter-dwangsomrechter in het raam van een procedure met toepassing van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek oordeelt dat zijn eerdere dwangsomveroordeling gezag van gewijsde heeft, ook wat betreft van de verwerping van de exceptie van onwettigheid van het ministerieel besluit van 12 oktober 1992; - hieraan geen afbreuk wordt gedaan door het gegeven dat de verweerder in het raam van het executiegeschil na voormeld arrest van 16 december 2008 heeft te kennen gegeven dat de eerste eiser en zijn echtgenote naar aanleiding van het administratief beroep van de gemachtigde ambtenaar tegen de bouwvergunning van de Bestendige Deputatie dat leidde tot het ministerieel besluit van 12 oktober 1992 geen kennis hebben gekregen van de bijlagen die bij de beroepsakte waren gevoegd, met dien verstande dat de verweerder daarom niet heeft toegegeven dat de eerste eiser en zijn echtgenote konden terugvallen op de bouwvergunning van de Bestendige Deputatie; - dit gegeven niet ertoe kan leiden dat anders wordt geoordeeld omtrent een geschilpunt dat de strafrechter-dwangsomrechter definitief heeft beslist. De appelrechters die zodoende de door de eisers opgeworpen exceptie van onwettigheid van het ministerieel besluit van 12 oktober 1992 verwerpen, verantwoorden hun beslissing naar recht.
  11. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de eisers uitsluiten van een bewijs dat door een derde ten aanzien van het strafproces werd geleverd tot weerlegging van een element dat aan de strafrechtelijke veroordeling ten grondslag ligt, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters het algemeen rechtsbeginsel tot eerbiediging van het gezag van gewijsde in strafzaken miskennen, kan het niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. De beslissing van de appelrechters dat het ministerieel besluit van 12 oktober 1992 niet onwettig is, steunt op de in r.o. 4 weergegeven, zelfstandige en in het eerste onderdeel vergeefs bekritiseerde redenen.
  13. Het onderdeel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechters dat "bovendien de veroordeelde eigenaars zelf [hebben] erkend dat zij na het ministerieel besluit dd. 12 oktober 1992 geen geldige vergunning hadden, reden waarom zij nadien in 1994 en 1995 nog twee aanvragen hebben ingediend tot regularisatie van de bouwwerken", is gericht tegen een overtollige reden en bijgevolg, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  14. De regeling van de dwangsom gaat uit van een strikte taakverdeling tussen de rechter die de dwangsom oplegt, de dwangsomrechter, en de rechter die moet oordelen over het al dan niet verbeurd zijn ervan, de beslagrechter. Aangezien de beslagrechter bevoegd is om kennis te nemen van alle executiegeschillen die ingevolge de dwangsomveroordeling kunnen rijzen, is hij ook bevoegd om te beoordelen of de invordering van de dwangsom in de gegeven omstandigheden geen misbruik van recht oplevert.
  15. Misbruik van recht bestaat in de uitoefening van een recht op een wijze die de grenzen van de normale uitoefening van dat recht door een voorzichtig en bedachtzaam persoon te buiten gaat. Dat is onder meer het geval wanneer het veroorzaakte nadeel buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht nastreeft of heeft verkregen. Bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, moet de rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak.
  16. Wanneer de rechter op grond van de omstandigheden van de zaak onaantastbaar in feite oordeelt dat er rechtsmisbruik is, kan het Hof nagaan of uit de feitelijke vaststellingen het bestaan van rechtsmisbruik kan worden afgeleid.
  17. Rechtsmisbruik wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht. De herleiding van het recht tot zijn normale uitoefening kan zover gaan dat de rechter, gelet op de omstandigheden van de zaak, aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen.
  18. Een abusieve invordering van de dwangsom kan voorhanden zijn zowel van bij de aanvang als vanaf een later tijdstip. In het laatste geval kan het herleiden van het misbruikte recht tot zijn normale uitoefening slechts vanaf dat tijdstip gebeuren.
  19. De appelrechters die oordelen dat de invordering van een dwangsom enkel abusief kan zijn wanneer zij "van bij de aanvang (in 2002) rechtsmisbruik uitmaakte" en dat "zonder deze vaststelling niet [kan] worden geoordeeld dat de invordering van de inmiddels fenomenaal hoge dwangsommen in het voorliggend geval kennelijk onredelijk is" en die op die gronden rechtsmisbruik door de verweerder uitsluiten, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  20. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het oordeelt over rechtsmisbruik door de verweerder bij de invordering van dwangsommen en over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 26 maart 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210326.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.13 ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.3 ECLI:BE:ORBRL:2025:JUG.20251031.4 ECLI:BE:ORBRL:2025:ORD.20251112.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060614.14 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090424.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170504.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.