id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.10 Rolnummer: P.20.1281.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-04-02 Raadplegingen: 887 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Wanneer meerdere opeenvolgende gelijkaardige misdrijven één enkele strafbare gedraging opleveren en derhalve tot één enkele straf aanleiding geven, maar in de tijd tussen het plegen van de misdrijven de wet die de straf bepaalt, gewijzigd werd, moet de bij de nieuwe wet gestelde straf worden toegepast, ook al was de ten tijde van de eerst gepleegde misdrijven geldende straf minder zwaar dan die gesteld ten tijde van de laatst gepleegde misdrijven; wanneer bijgevolg de rechter te oordelen heeft over de bestraffing van misdrijven die zijn gepleegd zowel vóór als na een wetswijziging die oplegt dat de geldboeten op die misdrijven dienen te worden vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers, moet hij die vermenigvuldiging toepassen op het geheel van de bewezen verklaarde feiten. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Voortgezet misdrijf - Wetswijziging - Wijziging van de straf - Toepasselijke straf - Wijze Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Vrije woorden: Voortgezet misdrijf - Wetswijziging - Wijziging van de straf - Geldboete vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers - Toepassing op het geheel van de feiten - Wijze Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Strafzaken - Wetswijziging - Wijziging van de straf - Voortgezet misdrijf - Toepasselijke straf - Toepassing op het geheel van de feiten - Wijze Tekst van de beslissing Nr. P.20.1281.N
- F. R. D. V., beklaagde,
- M. A. W. D. V., beklaagde,
- BLC GROUP nv, met zetel te 9600 Ronse, Klein Frankrijkstraat 21, beklaagde, eisers, met als raadslieden mr. Tom Messiaen, advocaat bij de balie Gent, alsook mr. Pieter Helsen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 19 november
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- De appelrechters oordelen dat zij niet zijn gelast met de telastleggingen R en Q, deze laatste voor wat betreft de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 433septies, eerste lid, 3°, Strafwetboek, waarvoor het beroepen vonnis de eisers heeft vrijgesproken. Zij spreken de eisers eveneens vrij van de telastlegging Q, voor wat betreft de verzwarende omstandigheid bepaald in artikel 433septies, eerste lid, 2°, Strafwetboek. In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15.1 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 2 en 433quinquies Strafwetboek: het arrest verklaart de eisers schuldig aan de vermengde feiten van de telastleggingen C tot Q (mensenhandel door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer) en straft hen daarvoor met de zwaarste straf, dit is de straf gesteld op de telastlegging Q; het verklaart de telastlegging Q bewezen in de periode tussen 1 januari 2011 en 7 maart 2017 zonder de feiten nader in de tijd te preciseren; artikel 433quinquies Strafwetboek is inhoudelijk gewijzigd bij wet van 29 april 2013; het arrest stelt enkel vast dat de feiten van de telastlegging Q strafbaar zijn overeenkomstig artikel 433quinquies Strafwetboek zoals van toepassing vóór die wetswijziging; zodoende wordt niet nagegaan, noch bewezen verklaard, dat die feiten eveneens strafbaar zijn volgens artikel 433quinquies Strafwetboek zoals van toepassing na die wetswijziging; bij afwezigheid van strafbaarheid van de feiten na de wetswijziging moeten de eisers worden vrijgesproken.
- Uit het legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek volgt dat indien de wetgever een misdrijfomschrijving heeft gewijzigd na het plegen van het misdrijf, de rechter een beklaagde in beginsel slechts schuldig kan verklaren indien hij vaststelt dat dit misdrijf strafbaar is onder zowel de oude als de nieuwe wet. Dat geldt ook voor voortgezette misdrijven die gedeeltelijk vóór en na de wetswijziging zijn gepleegd. De rechter moet die vaststelling niet uitdrukkelijk doen. Zij kan ook impliciet blijken uit het geheel van de redenen van het vonnis of arrest.
- Artikel 433quinquies, § 1, eerste lid, 3°, Strafwetboek, zoals ingevoegd bij artikel 10 van de wet van 10 augustus 2005 tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers, in werking getreden op 12 september 2005, bepaalde tot en met 1 augustus 2013: "Levert het misdrijf mensenhandel op, de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, de wisseling of de overdracht van de controle over hem teneinde: 3° deze persoon aan het werk te zetten of te laten aan het werk zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid". Die bepaling is vervangen bij artikel 2 van de wet van 29 april 2013 tot wijziging van artikel 433quinquies van het Strafwetboek met het oog op het verduidelijken en het uitbreiden van de definitie van mensenhandel, in werking getreden op 2 augustus
- De nieuwe bepaling vermeldt: "Levert het misdrijf mensenhandel op, de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, het nemen of de overdracht van de controle over hem met als doel: 3° het verrichten van werk of het verlenen van diensten, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid".
- Onder de telastlegging Q zijn de eisers vervolgd voor: "tussen 1 januari 2011 en 7 maart 2017, als dader of mededader, meermaals, de feiten de uiting zijnde van eenzelfde misdadig inzicht, Zich plichtig te hebben gemaakt aan het misdrijf van mensenhandel; het misdrijf bestaande uit de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van de hieronder vermelde personen, de wisseling of de overdracht van de controle over hen, teneinde: deze persoon aan het werk te zetten of te laten aan het werk zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid (loodzwaar arbeidsregime, onveilige werkvloer, slechte loonvoorwaarden, ontbreken van A1-documenten, intimidatie, uitbuiting, verschillende inbreuken op de arbeidstijdreglementering, (...), waarbij de toestemming van de persoon met de voorgenomen of daadwerkelijke uitbuiting van geen belang is met de omstandigheid dat: de feiten werden gepleegd door een persoon die gezag heeft over het slachtoffer of door een persoon die misbruik heeft gemaakt van het gezag of de faciliteiten die zijn functies hem verlenen (...) en dit ten aanzien van 11 werknemers. Strafbaar gesteld door de artikelen 433quinquies, 433sexies (...) Strafwetboek (...)".
- Het arrest (p. 66, ro 119) oordeelt dat de telastlegging Q betrekking heeft op de werving van werknemers. Het (p. 25 en 65-68) oordeelt verder dat de betrokkenen werden tewerkgesteld als arbeiders in omstandigheden in strijd met de menselijke waardigheid. Tenslotte verklaart het de eisers schuldig aan de telastlegging Q, zoals beperkt, voor de gehele incriminatieperiode.
- Daarmee geven de appelrechters te kennen dat de constitutieve bestanddelen van artikel 433quinquies, § 1, eerste lid, 3°, Strafwetboek, zoals geviseerd door de telastlegging Q, niet zijn gewijzigd gedurende de ganse incriminatieperiode en dat alle aan de eisers verweten gedragingen tijdens die periode zijn blijven voldoen aan die constitutieve bestanddelen. In die omstandigheden moesten de appelrechters, bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie, niet uitdrukkelijk vermelden dat de feiten van de telastlegging Q ook strafbaar waren na de wetswijziging van 29 april
- Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en de artikelen 2, 433quinquies en 433sexies Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eisers wegens de telastlegging Q, als misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld van de bewezen verklaarde telastleggingen C tot Q, tot geldboetes vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers op grond van artikel 433quinquies, § 4, en 433sexies, tweede lid, Strafwetboek; beide bepalingen werden slechts ingevoerd bij de artikelen 5 en 6 van de wet van 24 juni 2013 houdende bestraffing van de exploitatie van bedelarij en van prostitutie, mensenhandel en mensensmokkel in verhouding tot het aantal slachtoffers, in werking getreden op 2 augustus 2013; voorheen was er geen vermenigvuldiging van de geldboete met het aantal slachtoffers; de telastlegging Q wordt bewezen verklaard in de niet verder gepreciseerde tijdsspanne tussen 1 januari 2011 en 7 maart 2017; het arrest kan geen retroactieve toepassing maken van de strengere strafwet.
- Wanneer meerdere opeenvolgende gelijkaardige misdrijven één enkele strafbare gedraging opleveren en derhalve tot één enkele straf aanleiding geven, maar in de tijd tussen het plegen van de misdrijven de wet die de straf bepaalt, gewijzigd werd, moet de bij de nieuwe wet gestelde straf worden toegepast, ook al was de ten tijde van de eerst gepleegde misdrijven geldende straf minder zwaar dan die gesteld ten tijde van de laatst gepleegde misdrijven. Wanneer bijgevolg de rechter te oordelen heeft over de bestraffing van misdrijven die zijn gepleegd zowel vóór als na een wetswijziging die oplegt dat de geldboeten op die misdrijven dienen te worden vermenigvuldigd met het aantal slachtoffers, moet hij die vermenigvuldiging toepassen op het geheel van de bewezen verklaarde feiten. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eisers voor de telastleggingen F en G zonder hun verweer te beantwoorden dat het koninklijk besluit van 12 augustus 1993 betreffende het gebruik van arbeidsmiddelen geen uitvoeringsbesluit kan zijn van de latere wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zodat dit koninklijk besluit nooit een grondslag kan zijn voor vervolging op grond van artikel 127 Sociaal Strafwetboek.
- Het arrest veroordeelt de eisers tot een straf wegens de telastleggingen C tot Q. Deze straf is naar recht verantwoord door het bewezen verklaren van de telastleggingen C, D, E, H, I, J, K, L, M, N, O, P en Q. Dat het arrest op grond van artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de burgerlijke belangen aanhoudt en de zaak voor de afhandeling daarvan verzendt naar de eerste rechter, doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat slechts betrekking heeft op de telastleggingen F en G, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div