id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.12 Rolnummer: P.21.0306.N Zaak: M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht Invoerdatum: 2021-04-02 Raadplegingen: 734 - laatst gezien 2026-06-19 23:39 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het beginsel van de wederzijdse erkenning van vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, zoals dit is uitgewerkt door het Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen en de wet van 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, belet de strafuitvoeringsrechtbank die bij toepassing van artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering moet oordelen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling waarbij de veroordeelde zich in Nederland zou vestigen, niet dit verzoek af te wijzen omdat er onduidelijkheid is over de werkelijke woon- of verblijfplaats van de veroordeelde en er twijfels bestaan over de haal- en controleerbaarheid van het voorgestelde reclasseringsplan onder meer op het vlak van werk en psychosociale begeleiding. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Strafuitvoeringsmodaliteiten - Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen - Beginsel van de wederzijdse erkenning van vonnissen en probatiebeslissingen - Toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Afwijzing - Wijze Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - 27-11-2008 Wet 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese unie - 21-05-2013 - 14 ELI link Pub nr 2013009242 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen - Beginsel van de wederzijdse erkenning van vonnissen en probatiebeslissingen - Toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - Strafuitvoeringsrechtbank - Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Afwijzing - Wijze Wettelijke bepalingen: Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - 27-11-2008 Wet 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese unie - 21-05-2013 - 14 ELI link Pub nr 2013009242 Fiches 3 - 4 Uit het beginsel van de wederzijdse erkenning van vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, volgt geenszins dat de strafuitvoeringsrechtbank de door de veroordeelde voorgestelde voorwaarden om tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen zonder meer zou moeten aannemen en die niet zou mogen toetsen op hun haal- en controleerbaarheid. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Strafuitvoeringsmodaliteiten - Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen - Beginsel van de wederzijdse erkenning van vonnissen en probatiebeslissingen - Toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - Voorwaarden om tegemoet te komen aan tegenaanwijzingen - Beoordeling - Draagwijdte Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen - Beginsel van de wederzijdse erkenning van vonnissen en probatiebeslissingen - Toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen - Strafuitvoeringsrechtbank - Voorwaarden om tegemoet te komen aan tegenaanwijzingen - Beoordeling - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.21.0306.N F. M., veroordeelde tot een vrijheidsstraf, eiser, met als raadsman mr. Ellen De Raedt, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 22 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4 van het Kaderbesluit 2008/947/JBZ van 27 november 2008 van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (hierna Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen): met het oordeel dat er meer informatie is vereist rond de invulling van de job, de werkuren en de woonst van de eiser, er geen attesten voorliggen die aantonen dat hij op financieel en psychosociaal vlak kan worden opgevolgd en er actueel een voldoende objectief uitgewerkt recidivebeperkend reclasseringsplan ontbreekt, miskent de strafuitvoeringsrechtbank het beginsel van wederzijdse erkenning dat is vervat in deze bepaling; volgens deze bepaling is dit Kaderbesluit van toepassing op de volgende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen en meer bepaald op de instructies betreffende het gedrag, de woonplaats, opleiding, de vrijetijdsbesteding of houdende beperking of op voorwaarden inzake de beroepsuitoefening, de verplichting de door het strafbare feit veroorzaakte schade financieel te vergoeden of het bewijs te leveren dat aan die verplichting is voldaan en de verplichting een therapie of een verslavingsbehandeling te ondergaan; het aldus bepaalde toezicht heeft een verplichtend karakter; de Nederlandse autoriteiten zijn verplicht de in België gevelde vonnissen over te nemen voor zover de gevonniste persoon een Nederlander is die beschikt over de Nederlandse nationaliteit en zijn woonplaats heeft in Nederland; de Nederlandse justitie zal bij een vanuit België geformuleerd verzoek waarbij de voorwaarden voor de voorwaardelijke invrijheidstelling worden aangegeven, onderzoeken of aan de voorwaarden kan worden voldaan; het is niet aan de veroordeelde om te bewijzen dat hij aan de door de Belgische justitie bepaalde voorwaarden kan voldoen, maar wel aan de Belgische justitie om de voorwaarden op te leggen die zij nodig acht, waarna Nederland die verplichtend zal overnemen.
- Het beginsel van de wederzijdse erkenning van vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, zoals dit is uitgewerkt door het Kaderbesluit Wederzijdse Erkenning Proeftijdbeslissingen en de wet van 21 mei 2013 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie, belet de strafuitvoeringsrechtbank die bij toepassing van artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering moet oordelen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling waarbij de veroordeelde zich in Nederland zou vestigen, niet dit verzoek af te wijzen omdat er onduidelijkheid is over de werkelijke woon- of verblijfplaats van de veroordeelde en er twijfels bestaan over de haal- en controleerbaarheid van het voorgestelde reclasseringsplan onder meer op het vlak van werk en psychosociale begeleiding.
- Uit dit beginsel volgt geenszins dat de strafuitvoeringsrechtbank de door de veroordeelde voorgestelde voorwaarden om tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzingen zonder meer zou moeten aannemen en die niet zou mogen toetsen op hun haal- en controleerbaarheid. De omstandigheid dat ingeval van erkenning van de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank tot voorwaardelijke invrijheidstelling Nederland als tenuitvoerleggingstaat instaat voor het toezicht op de door de strafuitvoeringsrechtbank bepaalde voorwaarden, sluit die beoordelingsbevoegdheid niet uit. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het vonnis dat met de redenen die het bevat, eisers verzoek om voorlopige invrijheidstelling afwijst omdat een voldoende objectief uitgewerkt recidivebeperkend reclasseringsplan ontbreekt dat tegemoet kan komen aan de kans op het herval van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, verantwoordt die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: met het oordeel dat de werkgever een vriend is van de eiser van vroeger, miskent de strafuitvoeringsrechtbank de bewijskracht van de werkbelofte van Today Music; dat oordeel blijkt geenszins uit die werkbelofte.
- De werkbelofte bevat de volgende vermeldingen: “Beste Frank, Ik wil jou graag, na je vrijlating, een baan aanbieden als manager en creative director voor een aantal van onze acts. Aangezien wij elkaar al jaren kennen denk ik dat jij uitermate geschikt bent om deze vacature in te vullen. Ik kijk er naar uit om je weer te ontmoeten en tot dan houd je goed! Met vriendelijke groet (…)”. Met het oordeel dat deze werkgever een vriend is van vroeger geeft het vonnis van deze akte een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het middel mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de eiser voorhoudt dat hij bij zijn moeder verblijft in Nederland en dat dit blijkt uit een uittreksel uit de basisregistratie personen, zijnde een officiële bron; het oordeelt anderzijds dat het onduidelijk is waar de eiser verblijft tijdens zijn strafonderbreking, dat over deze reclasseringspijler geen objectieve informatie beschikbaar is en er enkel de mondelinge toelichting van de eiser is.
- Tegenstrijdige oordelen in de zin van artikel 149 Grondwet zijn oordelen binnen eenzelfde vonnis die elkaar teniet doen of opheffen. Het oordeel dat volgens een officieel stuk, namelijk een uittreksel uit de basisregistratie personen, een veroordeelde op een bepaald adres is ingeschreven, wordt niet teniet gedaan door het oordeel dat het onduidelijk is waar de eiser zijn strafonderbreking doorbrengt, er zich in het dossier verschillende stukken bevinden betreffende de verlenging van de strafonderbreking en het in het digitaal dossier opgeladen document van 4 februari 2021 spreekt over het adres 3765 ER Soest (Nederland), Nijverheidsweg 24, zijnde een reeds in het dossier gekend adres als het adres waar de dienst Niet-fiscale Invordering Antwerpen op 11 augustus 2020 het akkoord voor afbetaling naar toe stuurde. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div