← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18 Rolnummer: P.21.0388.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige Invoerdatum: 2021-04-02 Raadplegingen: 1106 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit artikel 5.3 EVRM, welke beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld; de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis, beoordeelt onaantastbaar of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is in de zin van artikel 5.3 EVRM, en die beoordeling mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak; het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Redelijke termijn - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Redelijke termijn - Beoordeling - Wijze Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Redelijke termijn - Beoordeling - Toezicht door het Hof - Wijze Fiche 4 Uit de enkele omstandigheid dat door een inverdenkinggestelde gevraagde en door de onderzoeksrechter bevolen onderzoekshandelingen, die volgens de inverdenkinggestelde voor hem ontlastende elementen zullen opleveren, na meerdere maanden nog niet zijn uitgevoerd, volgt niet dat het onderzoeksgerecht noodzakelijk moet aannemen dat daardoor de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis is overschreden. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Redelijke termijn - Beoordeling - Niet-uitvoering van gevraagde onderzoekshandelingen - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.21.0388.N L. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, alsook mr. Robby Loos, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 15 maart 2021. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM en de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet is overschreden; het staat immers vast dat de door de eiser gevraagde bijkomende onderzoeksdaden nog niet werden uitgevoerd, hoewel het kantschrift daartoe al dateert van 29 oktober 2020; de redenen van het arrest verantwoorden de beslissing niet; de appelrechters spreken zichzelf tegen door enerzijds met het arrest te oordelen dat er geen onredelijke en abnormale vertraging is in het uitvoeren van de bijkomende onderzoeksdaden en anderzijds in hun arrest van 7 januari 2021 te oordelen dat het in een grootschalig onderzoek niet uitzonderlijk is dat bepaalde exploitaties een langere periode op zich laten wachten, zodat op dat ogenblik artikel 5.3 EVRM niet was geschonden. 2. Artikel 5.3 EVRM bepaalt: "Eenieder die gearresteerd is of gevangen wordt gehouden, overeenkomstig lid

  1. c)van dit artikel moet onmiddellijk voor een rechter worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd verklaard is om rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. De invrijheidstelling kan afhankelijk worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene in rechte". 3. Uit die bepaling, welke beoogt de individuele vrijheid te beschermen, volgt dat indien de duur van de voorlopige hechtenis niet langer redelijk is, de betrokkene in vrijheid moet worden gesteld. 4. Of de duur van de voorlopige hechtenis redelijk is in de zin van artikel 5.3 EVRM, wordt onaantastbaar beoordeeld door de rechter die uitspraak doet over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Die beoordeling mag niet abstract of algemeen gebeuren, maar moet concreet zijn, rekening houdend met de specifieke gegevens van elke zaak. 5. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 6. Uit de enkele omstandigheid dat door een inverdenkinggestelde gevraagde en door de onderzoeksrechter bevolen onderzoekshandelingen, die volgens de inverdenkinggestelde voor hem ontlastende elementen zullen opleveren, na meerdere maanden nog niet zijn uitgevoerd, volgt niet dat het onderzoeksgerecht noodzakelijk moet aannemen dat daardoor de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis is overschreden. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Het arrest oordeelt weliswaar dat de regie en de timing van de uitvoering van bijkomende onderzoekshandelingen in handen van de onderzoeksrechter blijft, maar het oordeelt daarmee niet dat het onderzoeksgerecht daarop geen controle kan uitoefenen. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 9. Het arrest oordeelt als volgt: - het gerechtelijk onderzoek kent een normaal verloop nu de onderzoekshandelingen elkaar regelmatig opvolgen en processen-verbaal van die handelingen worden neergelegd in een grootschalig dossier naar een internationale organisatie die inbreuken zou plegen op de drugwetgeving; - de regie en de timing van de uitvoering van de bijkomende onderzoekshandelingen met betrekking tot de eiser blijft in handen van de onderzoeksrechter en op heden is er nog geen enkele stilstand geweest in het onderzoek, ook niet naar de persoon van de eiser. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de redelijke termijn van de voorlopige hechtenis niet is overschreden en artikel 5.3 EVRM niet is geschonden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 10. Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek vereist een tegenstrijdigheid tussen redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Ambtshalve onderzoek 11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.18 Gerelateerde publicatie(
  2. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.