id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.21 Rolnummer: P.21.0423.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-04-02 Raadplegingen: 853 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit de bepalingen van artikelen 2bis, § 2, en 16, § 2, vierde lid, Voorlopige hechteniswet volgt niet dat de door artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige hechteniswet voorgeschreven verwittiging van de advocaat van de plaats en uur van de ondervraging door de onderzoeksrechter noodzakelijk dient te gebeuren via de permanentiedienst van de balie, bedoeld in artikel 2bis, § 2, Voorlopige hechteniswet. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Vrije woorden: Ondervraging door de onderzoeksrechter - Bijstand van een raadsman - Verwittiging raadsman - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 2bis, § 2, en 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Ondervraging door de onderzoeksrechter - Bijstand van een raadsman - Verwittiging raadsman - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 2bis, § 2, en 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Strafzaken - Voorlopige hechtenis - Ondervraging door de onderzoeksrechter - Bijstand van een raadsman - Verwittiging raadsman - Wijze Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 2bis, § 2, en 16, § 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0423.N A. K., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 2bis, § 2, en artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat de wet niet voorziet in de wijze waarop de advocaat moet worden verwittigd van het verhoor door de onderzoeksrechter, verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht; ook voor het verhoor bij de onderzoeksrechter, volgend op het eerste verhoor bij de politie, dient de advocaat te worden opgeroepen door middel van de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies.
- Artikel 2bis, § 2, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: "Eenieder die van zijn vrijheid is benomen overeenkomstig de artikelen 1 of 2 of ter uitvoering van een in artikel 3 bedoeld bevel tot medebrenging heeft vanaf dat ogenblik en vóór het eerstvolgende verhoor door de politiediensten, of bij gebrek hieraan door de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, het recht om zonder onnodig uitstel vertrouwelijk overleg te plegen met een advocaat naar keuze. Teneinde de door hem gekozen advocaat of een andere advocaat te contacteren, wordt contact opgenomen met de permanentiedienst die wordt georganiseerd door de Orde van Vlaamse balies en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", of bij gebrek hieraan door de stafhouder van de Orde of zijn gemachtigde. Vanaf het contact met de gekozen advocaat of de permanentiedienst, dient het vertrouwelijk overleg met de advocaat binnen twee uren plaats te vinden. Op vraag van de advocaat in akkoord met de betrokken persoon, kan het vertrouwelijk overleg telefonisch plaatsgrijpen. Het vertrouwelijk overleg kan dertig minuten duren en is in uitzonderlijke gevallen beperkt verlengbaar op beslissing van de verhoorder. Na het vertrouwelijk overleg kan het verhoor aanvangen. Indien het geplande vertrouwelijke overleg niet binnen twee uren kan plaatsvinden, vindt alsnog een telefonisch vertrouwelijk overleg met de permanentiedienst plaats, waarna het verhoor kan aanvangen. In geval van overmacht, mag het verhoor aanvangen nadat betrokkene nogmaals gewezen is op de rechten bedoeld in artikel 47bis, § 2, 2) en 3), van het Wetboek van strafvordering."
- Artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt: "De onderzoeksrechter verwittigt de advocaat tijdig van de plaats en het uur van de ondervraging die hij kan bijwonen. De ondervraging kan op het voorziene uur aanvangen, zelfs indien de advocaat nog niet aanwezig is. Als de advocaat ter plaatse komt, woont hij het verhoor bij."
- Uit die bepalingen volgt niet dat de door artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet voorgeschreven verwittiging van de advocaat van de plaats en het uur van de ondervraging door de onderzoeksrechter noodzakelijk dient te gebeuren via de permanentiedienst van de balie, bedoeld in artikel 2bis, § 2, Voorlopige Hechteniswet. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, § 2, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet: met het oordeel dat de omstandigheid dat de onderzoeksrechter door andere geplande verhoren het verhoor van de eiser niet kon uitstellen als een geval van overmacht moet worden beschouwd, is het arrest niet naar recht verantwoord; er is maar sprake van overmacht ter rechtvaardiging van de afwezigheid van de bijstand van een advocaat bij het verhoor door de onderzoeksrechter wanneer die bijstand ingevolge een onvoorzienbare omstandigheid onmogelijk is; de eiser had in zijn conclusie aangevoerd dat het verhoor door de onderzoeksrechter plaatsvond op 4 maart 2021 van 09.48 uur tot 10.06 uur, terwijl de termijn van arrestatie van achtenveertig uren pas afliep op 5 maart 2021 om 18.46 uur.
- De appelrechters oordelen dat het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter expliciet vermeldt dat de advocaat van de eiser tijdig werd verwittigd van het tijdstip en de plaats van het verhoor en dat de onderzoeksrechter dan ook zijn ondervraging kon uitvoeren, zelfs indien de advocaat niet aanwezig was. Met dit oordeel verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat het verhoor door de onderzoeksrechter regelmatig is verlopen. Het onderdeel, dat bijgevolg niet kan leiden tot cassatie, is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.1, 4° en 5°, 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter expliciet vermeldt dat de advocaat tijdig werd verwittigd van het tijdstip en de plaats van het verhoor, miskent het arrest de bewijskracht van dat proces-verbaal; het proces-verbaal van verhoor vermeldt louter dat de raadsman van de eiser door de politie werd opgeroepen maar niet verschijnt op het tijdstip van het verhoor, zonder te vermelden op welk tijdstip of op welke wijze die oproeping zou zijn gebeurd en zonder te vermelden dat die oproeping tijdig zou zijn gebeurd.
- Met het door het onderdeel bekritiseerde oordeel geeft het arrest van de bedoelde vermelding in het proces-verbaal van verhoor geen uitlegging, maar beoordeelt het enkel de bewijswaarde ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 54,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div