id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 maart 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.6 Rolnummer: P.20.1216.N Zaak: V. contra M. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-04-02 Raadplegingen: 958 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bepalingen van artikelen 66 en 67 Wetboek van Strafvordering vereisen niet dat een burgerlijke partij die afstand doet van haar burgerlijke partijstelling, de afstand moet laten betekenen aan de andere burgerlijke partijen in het geding
(1).
(1)Zie Cass. 26 juni 1986, AR nr. 7504, AC 1986, nr.
- Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke partijstelling - Afstand door een burgerlijke partij - Betekening aan andere burgerlijke partijen - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 66 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke partijstelling - Afstand door een burgerlijke partij - Betekening aan andere burgerlijke partijen - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 66 en 67 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 3 - 4 Uit de bepalingen van artikelen 824, tweede lid, en 825 Gerechtelijke Wetboek, die van toepassing zijn indien de strafrechter definitief over de strafvordering heeft beslist en enkel dient te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering, volgt dat een burgerlijke partij haar afstand van geding enkel dient te betekenen aan een tegenpartij. Thesaurus CAS: AFSTAND (RECHTSPLEGING) - AFSTAND VAN GEDING Vrije woorden: Strafzaken - Burgerlijke rechtsvordering - Artikelen 824, tweede lid, en 825 Gerechtelijk Wetboek - Toepasselijkheid - Afstand door een burgerlijke partij - Betekening aan tegenpartij - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 824, tweede lid, en 825 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Strafzaken - Artikelen 824, tweede lid, en 825 Gerechtelijk Wetboek - Toepasselijkheid - Afstand door een burgerlijke partij - Betekening aan tegenpartij - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 824, tweede lid, en 825 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1216.N I G. F. J. V., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, II AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, vrijwillig tussengekomen partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, beide cassatieberoepen tegen
- Y. M.,
- E. M.,
- S. M., burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 7 oktober
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 748bis en 780, aanhef en 3°, Gerechtelijk Wetboek: de eisers voerden in hun appelconclusie aan dat de afstand van geding leidt tot een kunstmatige opsplitsing van de behandeling van de burgerlijke rechtsvorderingen omdat de rechtsvorderingen van de verweerders voor de burgerlijke rechter enkel zijn gericht tegen de eiseres II terwijl de strafrechter deze rechtsvorderingen tegen de beide eisers kon beslechten; het bestreden vonnis laat dit verweer onbeantwoord.
- Het bestreden vonnis beantwoordt het voormelde verweer met de volgende redenen: - de verweerders, die voor de eerste rechter reeds afstand van geding hebben gevraagd ten aanzien van de eiseres II en thans ook afstand van geding vorderen ten aanzien van de eiser I, doen in hun geheel afstand van de procedure tot beslechting van hun burgerlijke rechtsvorderingen door de strafrechter zodat het argument omtrent de ontwrichting van deze procedure niet meer relevant is; - het risico op tegenstrijdige uitspraken ten aanzien van de eiser I door de strafrechter enerzijds en ten aanzien van de eiseres II door de burgerlijke rechter anderzijds is evenmin nog voorhanden en wordt bovendien vermeden door het adagium "le criminel tient le civil en état", waarnaar de burgerlijke rechter ook heeft verwezen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel Eerste subonderdeel
- Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 30, 748bis en 780, aanhef en 3°, Gerechtelijk Wetboek: de eisers voerden in hun appelconclusie aan dat de afstand van geding leidt tot een kunstmatige opsplitsing van de behandeling van de burgerlijke rechtsvorderingen omdat de strafrechter ook na de afstand bevoegd blijft voor de burgerlijke rechtsvordering van het nationaal verbond van socialistische mutualiteiten (hierna NVSM) wat een gezamenlijke behandeling van alle burgerlijke rechtsvorderingen in de weg staat; het bestreden vonnis laat dit verweer onbeantwoord.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat het NVSM zijn burgerlijke rechtsvordering tot terugbetaling van de uitgekeerde vergoeding niet activeert en de rechtsvorderingen van de verweerders en het NVSM, die niet samenhangend zijn, aldus afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. Met die redenen beantwoorden de appelrechters het in het subonderdeel vermelde verweer. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel
- Het subonderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 748bis en 780, aanhef en 3°, Gerechtelijk Wetboek: de eisers voerden in hun appelconclusie aan dat zij een rechtmatig belang hebben bij hun weigering de gevorderde afstand van geding te verlenen aangezien het NVSM is gesubrogeerd in de rechten van de verweerders en hun burgerlijke rechtsvorderingen omwille van het cumulatieverbod en het risico op dubbele betaling dan ook samen moeten worden behandeld; het bestreden vonnis, dat louter oordeelt dat er geen samenhang is tussen deze burgerlijke rechtsvorderingen, laat dit verweer onbeantwoord.
- De appelrechters die vaststellen dat het NVSM enkel een burgerlijke rechtsvordering tot terugbetaling van de door haar uitgekeerde vergoedingen heeft ingesteld die thans niet meer wordt geactiveerd en oordelen dat er geen samenhang is tussen deze rechtsvordering en de rechtsvorderingen ingesteld door de verweerders, beantwoorden het in het subonderdeel vermelde verweer van de eisers zonder dat zij daarbij elk argument tot staving van dit verweer dat geen afzonderlijk middel vormt, afzonderlijk dienden te beantwoorden. Het subonderdeel kan niet worden aangenomen. Derde subonderdeel
- Het subonderdeel voert schending aan van artikel 30 Gerechtelijk Wetboek: met het oordeel dat er geen samenhang is tussen de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders enerzijds en het NVSM anderzijds, ontkent het bestreden vonnis dat deze partij handelde als gesubrogeerde in de rechten van de verweerders en er bijgevolg een risico aan dubbele betaling bestond bij de afzonderlijke beslechting van de beide burgerlijke rechtsvorderingen; die beslissing is niet naar recht verantwoord.
- Artikel 30 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat rechtsvorderingen als samenhangende zaken kunnen worden behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of burgerlijke rechtsvorderingen samenhangend zijn in de zin van artikel 30 Gerechtelijk Wetboek, ongeacht het voorwerp of de oorzaak waarop die rechtsvorderingen betrekking hebben en ongeacht de identiteit van de gedingvoerende partijen. Het subonderdeel dat opkomt tegen deze onaantastbare beoordeling, is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 30, 748bis, 780, aanhef en 3°, 824 en 825 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 66 en 67 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de verweerders de door hen gevorderde afstand van geding niet dienden te betekenen aan het NVSM; dit ziekenfonds, dat eveneens een schadevergoeding vorderde van de eisers, is van rechtswege gesubrogeerd in de rechten van het slachtoffer; wanneer het slachtoffer afstand van geding wil doen ten aanzien van een beklaagde en diens verzekeraar, moet hij deze afstand tevens laten betekenen aan het ziekenfonds; het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord; door niet uitdrukkelijk vast te stellen dat het NVSM handelde als gesubrogeerde van de verweerders, laten de appelrechters tevens na te antwoorden op de appelconclusie van de eisers waarin dit verweer werd geponeerd.
- Artikel 66 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat een burgerlijke partij binnen de vierentwintig uur na haar stelling zonder kosten afstand kan doen van haar burgerlijke rechtsvordering. Artikel 67 Wetboek van Strafvordering voegt daaraan toe dat afstand van een burgerlijkepartijstelling na het vonnis niet mogelijk is. Die bepalingen vereisen niet dat een burgerlijke partij die afstand doet van haar burgerlijkepartijstelling, de afstand moet laten betekenen aan de andere burgerlijke partijen in het geding. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 824, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een uitdrukkelijke afstand geschiedt bij een gewone akte, die ondertekend wordt door de partij of door haar gemachtigde die, tenzij de wet anders bepaalt, een bijzondere volmacht heeft, en die aan de tegenpartij wordt betekend indien deze de afstand niet vooraf heeft aangenomen. Artikel 825 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een afstand van geding om geldig te zijn, moet worden aangenomen door de partij aan wie hij is betekend, tenzij de afstand wordt gedaan alvorens de tegenpartij conclusie heeft genomen over het voorwerp van de vordering waarvan wordt afgezien.
- Uit deze bepalingen, die van toepassing zijn indien de strafrechter definitief over de strafvordering heeft beslist en enkel dient te oordelen over de burgerlijke rechtsvordering, volgt dat een burgerlijke partij haar afstand van geding enkel dient te betekenen aan een tegenpartij.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerders tegen het NVMS een burgerlijke rechtsvordering hebben ingesteld of dat het NVSM tegen de verweerders een dergelijke rechtsvordering heeft ingesteld, zodat deze burgerlijke partijen niet elkaars tegenpartij zijn. Het bestreden vonnis oordeelt dan ook naar recht dat de verweerders hun afstand van geding niet dienden te betekenen aan het NVSM. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers het in het onderdeel vermelde verweer hebben gevoerd ter staving van de stelling dat zij een rechtmatig belang hebben bij hun weigering de gevorderde afstand te verlenen. Uit het antwoord op het tweede onderdeel volgt dat het bestreden vonnis dit verweer beantwoordt en verwerpt. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 148,66 euro, waarvan de eiser I 74,55 euro is verschuldigd en de eiseres II 39,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 30 maart 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter FilipVan Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210330.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div