← België

VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ contra DE RESE ROGER nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210402.1N.1 Rolnummer: C.19.0315.N Zaak: VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ contra DE RESE ROGER nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-08-19 Raadplegingen: 818 - laatst gezien 2026-06-18 03:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 21 december 2012 en uit het gebruik van de woorden “verminderd met” in artikel 35vicies, §4, Oppervlaktewaterenwet, volgt dat de in deze bepaling uitgewerkte overgangsregeling, die ertoe strekte te vermijden dat bedrijven zouden worden geconfronteerd met een plotse stijging van de heffingskost en hen de mogelijkheid te bieden zich aan te passen aan de nieuwe regeling, slechts van toepassing is wanneer de vuilvracht berekend volgens de nieuwe regels hoger is dan de vuilvracht berekend volgens de vroegere regels. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: Vlaams Gewest - Heffing op de waterverontreiniging - Overgangsregeling van artikel 35vicies, § 4 oppervlaktewaterenwet - Berekening van de vuilvracht Wettelijke bepalingen: Wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging - 26-03-1971 - Art. 35vicies, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1971A32613 Tekst van de beslissing Nr. C.19.0315.N VLAAMSE MILIEUMAATSCHAPPIJ, met zetel te 9300 Aalst, Dokter De Moorstraat 24-26, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0887.290.276, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen D. R. R. nv, in vereffening, vertegenwoordigd door haar vereffenaar R. D. R., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 6 maart

  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 1 maart 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 35bis, § 3, eerste lid, Oppervlaktewaterenwet, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 6, 3°, van het decreet van 30 november 2018 tot bekrachtiging van de coördinatie van de waterregeling in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en tot opheffing van de gecoördineerde regelgeving, wordt voor de toepassing van dit decreet als een aan de heffing onderworpen heffingsplichtige beschouwd, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt of op dit grondgebied water heeft geloosd, ongeacht de herkomst van het water.
  3. Krachtens artikel 35ter, § 1, Oppervlaktewaterenwet, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 6, 3°, van het voormelde decreet van 30 november 2018, wordt het bedrag van de heffing op de waterverontreiniging als volgt vastgesteld: "H = N x T", waarbij "H" het bedrag is van de verschuldigde heffing, "N" de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden berekend volgens één van de in afdelingen 3, 4, 5 en 6 van de Oppervlaktewaterenwet bepaalde berekeningsmethoden, veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, en "T" het in paragraaf 2 van het in hetzelfde artikel vermelde bedrag van het eenheidstarief van de heffing. Indien de berekeningsmethode opgenomen in artikel 35quinquies Oppervlaktewaterenwet niet kan worden toegepast, wordt de vuilvracht met toepassing van artikel 35septies Oppervlaktewaterenwet berekend op basis van omzettingscoëfficiënten. Krachtens artikel 35septies, § 1, Oppervlaktewaterenwet, zoals van toepassing ingevolge de wijziging bij artikel 67 van het decreet van 21 december 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2013, dient de vuilvracht als volgt te worden berekend: "N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv", waarin: - "N" de vuilvracht is uitgedrukt in vervuilingseenheden; - "N1" de vuilvracht is veroorzaakt door de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen; - "N2" de vuilvracht is veroorzaakt door de lozing van zware metalen; - "N3" de vuilvracht is veroorzaakt door de lozing van de nutriënten stikstof en fosfor; - "Nk" de vuilvracht is veroorzaakt door de lozing van koelwater; - "Nv" de vuilvracht is die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden. Bij de berekening van de vuilvracht dient toepassing te worden gemaakt van de omzettingscoëfficiënten "C1", "C2", "C3", "Cv" en "Cx" bepaald in de kolommen 4 tot 8 van de bijlage bij de Oppervlaktewaterenwet, die verschillen naargelang de sector waartoe de activiteit behoort, omschreven in de kolommen 1 en 2 van de bijlage bij de Oppervlaktewaterenwet. Wat betreft sector 41 "slachthuizen (excl. Vleeswarenverwerking)" van de bijlage bij de Oppervlaktewaterenwet, zoals van toepassing ingevolge de wijziging bij artikel 69 van het voormelde decreet van 21 december 2012, geldt "1 m3 gebruikt water" als "grondslag waarop de omzettingscoëfficiënt C1" betrekking heeft, en bedraagt "C1" 0,0953, "C2" 0,0091, "C3" 0,0484, "Cv" 0, en "Cx" 0,
  4. Vóór de wijziging van de bijlage bij de Oppervlaktewaterenwet bij artikel 69 van het voormelde decreet van 21 december 2012, diende, voor sector 41.a "slachthuizen (excl. Vleeswarenverwerking, a) varkens", de productiecijfers als grondslag te worden genomen voor de berekening van vuilvracht "N1", met name "1000 kg geslacht gewicht" als "grondslag waarop de omzettingscoëfficiënt C1 betrekking heeft", waarbij "C1" 0,03 bedroeg, "C2" 0,001 en "C3" 0,
  5. Krachtens artikel 35vicies, § 4, Oppervlaktewaterenwet, zoals van toepassing vóór de opheffing bij artikel 6, 3°, van het voormelde decreet van 30 november 2018, wordt, bij wijze van overgangsmaatregel, voor de sectoren 07, 19a, 19b, 39, 41, 45, 51a, 53a en 53b de vuilvracht N, wanneer deze wordt bepaald overeenkomstig artikel 35septies, verminderd met: [(N1 + N2 + N3 + Nk)oc - (N1 + N2 + N3 + Nk)oc,2012] x B, en daarbij is: - (N1 + N2 + N3 + Nk)oc: de vuilvracht, zijnde de som van N1, N2, N3 en Nk, bepaald overeenkomstig artikel 35septies voor het betrokken heffingsjaar; - (N1 + N2 + N3 + Nk)oc,2012: de vuilvracht, zijnde de som van N1, N2, N3 en Nk, bepaald overeenkomstig artikel 35septies voor het heffingsjaar 2012; - B: een overgangscoëfficiënt die gelijk is aan: 1 voor de heffingsjaren 2013 en 2014, 0,66 voor het heffingsjaar 2015, 0,33 voor het heffingsjaar 2016, 0 voor het heffingsjaar 2017 en volgende. Uit de parlementaire voorbereiding van het decreet van 21 december 2012 en uit het gebruik van de woorden "verminderd met" in artikel 35vicies, § 4, Oppervlaktewaterenwet, volgt dat de in deze bepaling uitgewerkte overgangsregeling, die ertoe strekte te vermijden dat bedrijven zouden worden geconfronteerd met een plotse stijging van de heffingskost en hen de mogelijkheid te bieden zich aan te passen aan de nieuwe regeling, slechts van toepassing is wanneer de vuilvracht berekend volgens de nieuwe regels hoger is dan de vuilvracht berekend volgens de vroegere regels.
  6. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat de overgangsregeling van artikel 35vicies, § 4, Oppervlaktewaterenwet ook van toepassing is wanneer de vuilvracht berekend volgens de nieuwe regels lager is dan de vuilvracht berekend volgens de vroegere regels, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 609,57 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 2 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210402.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.