id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210402.1N.10 Rolnummer: F.19.0111.N Zaak: M.B.P. BINDERS n.v. c. BELGISCHE STAAT FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-08-19 Raadplegingen: 1145 - laatst gezien 2026-06-19 03:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche De administratie moet het bewijs leveren van het bestaan van een abnormaal of goedgunstig voordeel, van de omvang ervan en van de band van wederzijdse afhankelijkheid; op de belastingplichtige rust de bewijslast van de economische omstandigheden die hij aanvoert ter verantwoording van de verrichtingen die in beginsel een abnormaal of goedgunstig voordeel uitmaken. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Algemeen Vrije woorden: Abnormaal of goedgunstig voordeel - Economische verantwoording van de verrichting - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 79 en 207 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0111.N M.B.P. BINDERS nv, met zetel te 8501 Heule, Vier Linden 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0420.028.410, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Bussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur van het Team Invordering en de centrumdirecteur van het Centrum KMO Kortrijk, met kantoor te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 9 april
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 24 februari 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 79 WIB92 worden beroepsverliezen niet afgetrokken van het gedeelte van de winst of de baten dat voortkomt uit abnormale of goedgunstige voordelen die de belastingplichtige, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen uit een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. Krachtens artikel 207, tweede lid, WIB92, zoals te dezen van toepassing, mag geen aftrek noch compensatie met het verlies van het belastbare tijdperk worden verricht op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale en goedgunstige voordelen vermeld in artikel
- De administratie moet het bewijs leveren van het bestaan van een abnormaal of goedgunstig voordeel, van de omvang ervan en van de band van wederzijdse afhankelijkheid. Op de belastingplichtige rust de bewijslast van de economische omstandigheden die hij aanvoert ter verantwoording van de verrichtingen die in beginsel een abnormaal of goedgunstig voordeel uitmaken.
- De appelrechters stellen vast dat: - de eiseres het bestaan en de omvang van de voordelen niet betwist; - de eiseres opwerpt dat de administratie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de economische omstandigheden waarin de betrokken ondernemingen zich bevonden en dat zij zonder de voordelen verleend door Sarlith nv niet kon overleven.
- De appelrechters oordelen dat: - het bewijs van een abnormaal en goedgunstig voordeel in principe door de administratie moet worden geleverd; - ingeval van verbonden ondernemingen het evenwel aan de belastingplichtige is om het specifieke belang aan te tonen dat de moedermaatschappij heeft bij het verlenen van een voordeel aan haar dochteronderneming; - waar het niet abnormaal lijkt dat een onderneming een verbonden onderneming wil behoeden voor financiële moeilijkheden die het eigen commercieel krediet van de eerstgenoemde via aantasting van de reputatie van de groep zou schaden, het bestaan van dit belang dient te worden aangetoond door de belastingplichtige; - het immers niet aan de administratie toekomt om het bewijs te leveren van de afwezigheid van dit belang; - er geen enkel element is dat erop wijst dat de verleende voordelen tot doel hadden de goede werking of het voortbestaan van de eiseres veilig te stellen, de tewerkstelling te handhaven of de geloofwaardigheid van de groep te vrijwaren; - integendeel de algemene vergadering van de eiseres besloot zowel voor boekjaar 2011 als voor boekjaar 2012 dat, niettegenstaande het netto-actief was gedaald tot beneden het minimum maatschappelijk kapitaal, de continuïteit van de onderneming niet in het gedrang was, de vennootschap aan al haar betalingsverplichtingen kon voldoen en de cash-flow positief was; - het negatief resultaat volgens de eiseres vooral te wijten zou zijn aan de verhoogde afschrijvingen op de gedane investeringen, hetgeen een louter boekhoudkundige aftrekpost betreft; - door geen interest aan te rekenen op een langdurig openstaande schuld en door een lagere huur aan te rekenen dan de werkelijke huurwaarde, Sarlith nv aan de eiseres een abnormaal voordeel verstrekte, aangezien dergelijke voordelen tussen vennootschappen in gelijkaardige economische en feitelijke omstandigheden niet zouden zijn verleend.
- De appelrechters, die op die gronden oordelen dat bij gebrek aan enig aangetoond groepsbelang de verweerder terecht van oordeel was dat Sarlith nv aan de eiseres abnormale voordelen had toegekend, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 253,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 2 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210402.1N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div