← België

H. contra BELGISCHE STAAT FOD FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 april 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210402.1N.7 Rolnummer: F.19.0110.N Zaak: H. contra BELGISCHE STAAT FOD FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2022-05-31 Raadplegingen: 793 - laatst gezien 2026-06-16 04:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche De kosten die een vennootschapsbestuurder maakt in het kader van zijn borgstelling voor de schulden van de vennootschap, zijn aftrekbare beroepskosten indien aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92 is voldaan, wat veronderstelt dat hij de bedoelde kosten maakte om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden; wanneer de vennootschapsbestuurder tevens aandeelhouder van de vennootschap is, zijn de kosten niet aftrekbaar wanneer zij zijn gemaakt om zijn persoonlijk vermogen veilig te stellen. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Beroepsinkomsten - Beroepskosten Vrije woorden: Schuld van een vennootschap - Borgstelling door de bedrijfsleider - Uitwinning - Aftrekbaarheid Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 49 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Annotaties Publicaties: JLMB-Revue de jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles - 2022, n° 1, p. 7-

  1. - STEVENART MEEÛS, François; Note 'Cautionnement des engagements de la société par un actionnaire' Tekst van de beslissing Nr. F.19.0110.N
  2. P. H.,
  3. J. C., eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal KMO Centrum Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 304, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 12 februari
  4. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 1 maart 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  5. Artikel 49 WIB92 bepaalt dat als beroepskosten slechts aftrekbaar zijn de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. De kosten die een vennootschapsbestuurder maakt in het kader van zijn borgstelling voor de schulden van de vennootschap, zijn aftrekbare beroepskosten indien aan de voorwaarden van deze wetsbepaling is voldaan. Dit veronderstelt dat hij de bedoelde kosten maakte om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Wanneer de vennootschapsbestuurder tevens aandeelhouder van de vennootschap is, zijn de kosten niet aftrekbaar wanneer zij zijn gemaakt om zijn persoonlijk vermogen veilig te stellen.
  6. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eerste eiser bestuurder en aandeelhouder is van Delta Sealants nv en dat hij zich borg stelde voor de betaling van haar schulden; - de eerste eiser, na het faillissement van Delta Sealants nv, werd aangesproken als borg; - het bestuurdersmandaat van de eerste eiser onbezoldigd was; - de eisers niet aantonen dat de vergoedingen die Delta Sealants nv uitbetaalde aan de gelieerde vennootschappen, hen persoonlijk zijn toegekomen; - van de vergoedingen die Delta Sealants nv aan de eerste eiser rechtstreeks betaalde, niet wordt aangetoond dat zij een tegenprestatie vormden voor de uitoefening van zijn bestuursmandaat, en evenmin dat zij “werden gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of [te] behouden”; - hoewel in de akte van borgstelling de hoedanigheid van de eerste eiser als “dirigeant d’entreprise” was vermeld, hij niet bewijst dat hij handelde als bedrijfsleider die kosten op zich nam om inkomsten te verkrijgen of te behouden, maar “eerder als een persoon die zijn privépatrimonium wil beschermen”. De appelrechter die aldus oordeelt dat de naar aanleiding van de uitwinning van de eerste eiser als borgsteller voor zijn vennootschap betaalde bedragen niet aan te merken zijn als beroepskosten bedoeld in artikel 49 WIB92 omdat die kosten niet zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden, verantwoordt met die redenen zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  7. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter een voorwaarde toevoegt aan artikel 49 WIB92 door te oordelen dat het niet onredelijk is de voorwaarden van dat artikel zo te interpreteren dat “tegenover de aftrek van de borgstelling minstens een voldoende duidelijke zekerheid kan afgeleid worden van een relevante en duurzame inkomstenstroom”, komt het op tegen een overtollige reden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
  8. Ook in zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter bij de beoordeling van de toepasselijkheid van artikel 49 WIB92 de voorwaarden van artikel 53, 15°, toepast waar hij oordeelt dat “de betalingen aan te merken [zijn] als een tenlasteneming van een verlies zoals bedoeld in artikel 53, 15° WIB/1992 bij gebreke aan het voorhanden zijn van het verwerven of behouden van periodieke inkomsten van [de eerste eiser] uit de vennootschap”, komt het op tegen een overtollige reden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  9. De appelrechter oordeelt dat de eerste eiser niet handelde als een bestuurder die kosten op zich nam om “inkomsten” te verkrijgen of te behouden en dat de eisers niet aantonen dat de bedoelde betalingen werden gedaan om “belastbare inkomsten” te verkrijgen of te behouden. In zoverre het middel aanvoert dat volgens de appelrechter enkel bedrijfsleidersvergoedingen, en geen andere beroepsinkomsten, in aanmerking komen, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 313,32 euro, met inbegrip van de bijdrage ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, beperkt tot 20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 2 april 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210402.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.